ECLI:NL:TGZRAMS:2026:112 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9205 A2025/9206 A2025/9207 A2025/9208 A2025/9209 A2025/9210 A2025/9211 A2025/9212 A2025/9213
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:112 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-05-2026 |
| Datum publicatie: | 04-05-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klagers zijn kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht. Klagers hebben een klacht ingediend tegen vijf bij naam genoemde artsen en negen anoniem gebleven artsen. De klacht gaat over een brief van een psychiater van 29 april 2024 gericht aan het College van procureurs-generaal (het bestuur van het Openbaar Ministerie). De voorzitter overweegt dat een klaagschrift moet voldoen aan een aantal krachtens de wet gestelde eisen. De voorzitter stelt vast dat de secretaris in deze zaak een zorgvuldige invulling heeft gegeven aan de inspanningsverplichting van het tuchtcollege. Mede gezien het uitgangspunt dat klagers diegene zijn die de naam van de beklaagde(n) moeten achterhalen, is de voorzitter van oordeel dat verdere inspanningen in dit geval niet van het tuchtcollege kunnen worden gevergd. |
A2025/9205 t/m A2025/9213
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 4 mei 2026 naar aanleiding van de klacht van:
A en B, klagers,
gemachtigde: mr. R. Korver, werkzaam te Amsterdam,
tegen
Een onbekend gebleven zorgverlener.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 30 september 2025;
- de verzoeken van de secretaris aan het College van procureurs-generaal van 7
en 27 november 2025;
- de reacties van het College van procureurs-generaal van 11 november 2025 en 9
december 2025;
- de aanvullende bijlage van klagers, ontvangen op 9 februari 2026;
- de aanvullende bijlagen van klagers, ontvangen op 13 maart 2026.
2. Waar gaat de klacht over?
2.1 Klagers hebben een klacht ingediend tegen vijf bij naam genoemde artsen en negen
anoniem
gebleven artsen. De klacht gaat over een brief van een psychiater van 29 april 2024
gericht aan het
College van procureurs-generaal (het bestuur van het Openbaar Ministerie). Deze
brief – zo volgt
uit de inhoud van de brief – wordt ondersteund door dertien andere artsen. In deze
brief staat
onder andere (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Op grond van bovenstaande ondersteun ik dan ook als bezorgde psychiater de suggestie
van
[toevoeging voorzitter: weggelakt] (De Stichting [toevoeging voorzitter: weggelakt]
namens naasten
en nabestaanden) om na te gaan of de eerder genoemde casus van de 17-jarige patiënte,
die onlangs
overleed door euthanasie, te onderwerpen aan een verkennend strafrechtelijk onderzoek,
zich
toespitsend op de vraag in hoeverre de naasten van deze kwetsbare patiënte, in samenwerking
met de
bij deze euthanasie betrokken C-psychiaters D en E, de jonge patiënte beïnvloed
hebben in haar keuze voor euthanasie, waarbij er bovendien aanwijzingen zijn vanuit de door STICHTING C publiekelijk verspreide informatie
over deze casus dat patiënte niet meer volledig wilsbekwaam haar eigen recht op leven
kon beoordelen of haar eigen zorgvraag in een situatie van nood nog kon behartigen.”
2.2 Hoewel de betreffende brief uitsluitend gericht is aan het College van procureurs-generaal
is
de brief vervolgens in de publiciteit gekomen, waardoor klagers kennis hebben genomen
van de inhoud
van de brief. In de in de publiciteit gekomen brief zijn de namen van de briefschrijver
en van de
met naam en functie genoemde artsen die de brief ondersteunen weggelakt.
2.3 Klagers zijn van mening dat de artsen diverse tuchtnormen hebben geschonden
en (daarmee) niet
als een zorgvuldig arts hebben gehandeld, door deze brief te ondersteunen zonder
kennis te hebben
genomen van het dossier van de betreffende 17-jarige en zonder het hebben van contact
met haar
en/of haar ouders.
3. De overwegingen
3.1 De voorzitter overweegt dat een klaagschrift moet voldoen aan een aantal krachtens
de wet
gestelde eisen. Op grond van artikel 65 lid 2 van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg (Wet BIG) en artikel 4 lid 1 sub c van het Tuchtrechtbesluit BIG
moet een
klaagschrift onder meer de naam van de beklaagde bevatten. Klagers zijn bekend met
de namen van
vijf zorgverleners tegen wie hun klacht zich richt. Daarnaast richten zij hun klacht
tot ‘negen
anoniem gebleven BIG-geregistreerden’.
3.2 Het behoort tot de processuele verantwoordelijkheid van de klager om bij het
indienen van een
tuchtklacht de naam van de zorgverlener over wie de klager een klacht heeft aan
het tuchtcollege te
verstrekken. Alleen wanneer aannemelijk is dat de klager de naam niet kan verstrekken,
maar wel
andere concrete en bruikbare aanknopingspunten heeft aangedragen over de identiteit
van de
zorgverlener, kan voor het tuchtcollege een inspanningsverplichting ontstaan om
zelf te proberen de
naam te achterhalen. Dit kan bijvoorbeeld via de instelling waar de zorgverlener
werkzaam is of
was, of zoals in het onderhavige geval via het College van procureurs-generaal.
Omdat het
uitgangspunt blijft dat klager de naam van de zorgverlener verstrekt, dient de
inspanningsverplichting van het tuchtcollege beperkt te worden opgevat.
3.3. De secretaris van het tuchtcollege heeft het College van procureurs-generaal
verzocht om
opgave te doen van de namen van de artsen waarvan in de brief van 29 april 2024
wordt vermeld dat
zij de brief ondersteunen. Het College van procureurs-generaal heeft gemotiveerd
geweigerd om deze
namen te verstrekken. Hiertoe is onder meer overwogen dat er geen sprake is van
aangifte van een
strafbaar feit en dat de brief van 29 april 2024 ook niet is opgevat als verzoek
om een
strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Dit maakt dat de brief geen strafvorderlijk
gegeven is en
daarmee het toepasselijk wettelijk kader voor informatieverzoeken te vinden is in
de Uitvoeringswet
AVG. Het College van procureurs-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat
de betrokken artsen er geen rekening mee hebben hoeven houden dat hun vertrouwelijke
brief door een derde openbaar zou worden gemaakt, met als
mogelijk gevolg dat vervolgens hun namen verstrekt zouden worden aan het tuchtcollege
ten behoeve
van een (voor)onderzoek. Op grond van het juridisch kader en de relevante feiten
en omstandigheden
heeft het College van procureurs-generaal besloten de namen niet aan het tuchtcollege
te
verstrekken, omdat het Openbaar Ministerie stelt gehouden te zijn om informatie
die het
vertrouwelijk ontvangt, ook vertrouwelijk te behandelen. De ratio hiervan ligt in
het belang te
voorkomen dat burgers er beducht voor moeten zijn dat hun correspondentie aan het
Openbaar
Minsterie – waarin zij bijvoorbeeld hun zorgen uiten – verstrekt kan worden aan
derden dan wel dat
hun identiteit bekend wordt gemaakt, bijvoorbeeld in het kader van klachten die
anderen tegen hen
willen indienen. Dit zou leiden tot een ongewenste terughoudendheid in het benaderen
van het
Openbaar Ministerie.
3.4 De voorzitter kan deze motivering van het College van procureurs-generaal volgen.
Dit
uitgangspunt leidt tot de volgende afweging in het kader van de door klagers ingediende
tuchtklachten tegen de artsen van wie de naam onbekend is gebleven.
3.5 Voor het opvragen van de namen van de anoniem gebleven artsen bij de artsen
van wie de naam
wel bekend is – zoals door klagers is verzocht – bestaat geen grondslag. Op grond
van artikel 66
lid 4 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (wet BIG) kan
de vooronderzoeker
beklaagden weliswaar verzoeken om inlichtingen te geven en onder hen berustende
stukken in te
zenden, maar dit gaat dan om informatie betreffende de feiten en omstandigheden
die de klacht
jegens de beklaagde zelf betreft met als doel die klacht zorgvuldig te kunnen beoordelen.
In dit
wetsartikel leest de voorzitter geen ruimte om de beklaagden te verzoeken om gegevens
van derden te
verstrekken. De voorzitter ziet geen aanleiding om de beklaagden bij het ontbreken
van een
wettelijke grondslag niettemin te verzoeken de identiteit van de andere ondersteuners
van de brief
te verstrekken. Een dergelijk verzoek zou de beklaagden nopen om hun collega’s,
door het
verstrekken van hun gegevens, in de procedure te betrekken. De voorzitter acht het
niet opportuun
om hen te vragen daaraan mee te werken.
3.6 Gelet op het voorgaande stelt de voorzitter vast dat de secretaris met de genoemde
acties in
deze zaak een zorgvuldige invulling heeft gegeven aan de inspanningsverplichting
van het
tuchtcollege. Mede gezien het uitgangspunt dat klagers diegene zijn die de naam
van de beklaagde(n)
moeten achterhalen, is de voorzitter van oordeel dat verdere inspanningen in dit
geval niet van het
tuchtcollege kunnen worden gevergd.
3.7 Nu zowel klagers – op wie de verantwoordelijkheid rust om de naam van de beklaagden
te
verstrekken, als de secretaris – die zich als vooronderzoeker voldoende heeft ingespannen
om die
naam te achterhalen – de identiteit van de beklaagde niet heeft kunnen vaststellen,
zijn klagers
kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.
4. De beslissing
Klagers zijn kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.
Deze beslissing is gegeven op 4 mei 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.