ECLI:NL:TGZRAMS:2026:110 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8709

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:110
Datum uitspraak: 12-05-2026
Datum publicatie: 12-05-2026
Zaaknummer(s): A2025/8709
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
  • Niet-ontvankelijk
  • Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts. Klaagster verwijt de huisarts dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden door medische informatie van andere patiënten met haar te delen en dat hij daarnaast de eed van Hippocrates heeft geschonden door de met klaagster gemaakte afspraak voor na zijn pensioen te ontkennen en door na zijn pensioen niet meer de moeite te nemen om met klaagster in gesprek te gaan. Klaagster is in het eerste klachtonderdeel niet-ontvankelijk omdat zij geen rechtstreeks belanghebbende is. Het tweede klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

A2025/8863

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 12 mei 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B, klaagster,

tegen

C,
huisarts,
destijds werkzaam in D, verweerder, hierna ook: de huisarts.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster verwijt de huisarts dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden door medische 
informatie van andere patiënten met haar te delen en dat hij daarnaast de eed van Hippocrates heeft 
geschonden door de met klaagster gemaakte afspraak voor na zijn pensioen te ontkennen en door na 
zijn pensioen niet meer de moeite te nemen om met klaagster in gesprek te gaan.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat klaagster in haar eerste klachtonderdeel kennelijk 
niet-ontvankelijk is. Klaagster is in haar tweede klachtonderdeel wel ontvankelijk, maar dit 
klachtonderdeel is naar het oordeel van het college kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat 
het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet 
gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. 
Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift, ontvangen op 5 augustus 2025;
-  het aanvullende klaagschrift van 9 september 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 11 november 2025;
-  de brief van de zijde van de huisarts van 31 december 2025, binnengekomen op 6 januari 2026.

2.2  Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de
zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1   Klaagster was patiënt in de praktijk van de huisarts. In het kader van de rouwverwerking van 
klaagster en ter ondersteuning van haar therapie hebben klaagster en de huisarts afgesproken dat 
zij hem brieven mocht schrijven.

3.2   Na een consult heeft de huisarts klaagster abusievelijk een schriftelijke notitie meegegeven 
die niet voor klaagster bestemd was, maar voor een andere patiënte van de huisarts.

3.3   Naar aanleiding van een review op de website over de huisarts heeft klaagster de huisarts om 
opheldering verzocht.

3.4   Op 1 januari 2022 is de huisarts gestopt met werken vanwege gezondheidsproblemen. In aanloop 
naar het neerleggen van zijn taken is door de huisarts aan de patiënt meegedeeld dat de 
behandelrelatie zou eindigen en dat zij een nieuwe huisarts zou krijgen in de praktijk waar hij 
werkzaam was. Klaagster heeft op 14 juli 2021 in het medisch dossier laten noteren:
“VM: wil de dokter duidelijk in mijn dossier willen noteren dat ik met ingang van 1 januari 2022 
patient wil worden bij dr. X. Bij de opvolger van dr C wil ik absoluut niet.”

3.5  Op 31 december 2021 noteert de huisarts in het medisch dossier:
“gesprek en afscheid genomen.”

3.6   Na 1 januari 2022 heeft de huisarts nog enkele keren in de praktijk waargenomen in verband 
met de coronapandemie.

3.7  In het najaar van 2022 heeft klaagster aan het thuisadres van de huisarts brieven verzonden.

3.8   Op 12 december 2022 heeft de huisarts een brief gestuurd aan klaagster waarin hij kenbaar 
maakt dat hij de op zijn thuisadres ontvangen brieven van klaagster ervaart als onplezierig en haar 
verzoekt om daarmee te stoppen.

4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1  Klaagster verwijt de huisarts dat hij:
a) zijn beroepsgeheim heeft geschonden;
b) de eed van Hippocrates heeft geschonden door de met klaagster gemaakte afspraak voor na zijn 
pensioen te ontkennen en na zijn pensioen niet meer de moeite te nemen om met klaagster in gesprek 
te gaan.

4.2  De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

Ontvankelijkheid
5.1.  Klaagster heeft over klachtonderdeel a) aangevoerd dat de huisarts zowel bij het abusievelijk 
meegeven van de schriftelijke notitie die bestemd was voor een andere patiënte als bij het geven 
van context over de review op de website aan klaagster informatie heeft gegeven over andere 
patiënten. Klaagster stelt dat de huisarts hiermee zijn ambtsgeheim heeft geschonden. De huisarts 
zegt dat hij zijn excuses heeft aangeboden voor het meegeven van de verkeerde notitie, dat de 
betreffende patiënte de vergissing geen probleem vond en dat de informatie die hij gaf over de 
review niet herleidbaar was tot een individuele patiënt. Het college overweegt dat uit artikel 65 
lid 1 sub a van de wet BIG volgt dat klaagster een rechtstreeks belanghebbende moet zijn om een 
klacht in te kunnen dienen bij het tuchtcollege. Het college stelt vast dat de zaken waarover 
klaagster in dit klachtonderdeel klaagt niet zien op de behandelrelatie tussen klaagster en de 
huisarts. Ook overigens is niet gebleken dat sprake is van een rechtstreeks belang van klaagster 
bij klachtonderdeel a). Het college oordeelt dan ook dat klaagster geen rechtstreeks belanghebbende 
is en dat dit klachtonderdeel kennelijk niet-ontvankelijk is.

5.2.  Het college zal dit klachtonderdeel daarom niet verder inhoudelijk bespreken. Het college zal 
wel inhoudelijk in gaan op klachtonderdeel b).

Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.3.  De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.4.  Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel b)
5.5.  Klaagster verwijt de huisarts dat hij haar heeft toegezegd dat zij per 1 januari 2022 verder 
zou worden behandeld door een met name genoemde collega huisarts van de huisarts. Naderhand is 
gebleken dat deze collega huisarts geen enkele patiënt zou overnemen en dat klaagster zou worden 
overgenomen door een andere huisarts in de praktijk. De huisarts heeft in de stukken toegelicht dat 
hij de door klaagster omschreven toezegging niet heeft gedaan en dat hij aan klaagster heeft 
toegelicht dat hij haar verzoek weliswaar zou doorgeven, maar dat hij daar na zijn pensioen niet 
meer over ging.

5.6.  Het college maakt uit het dossier op dat klaagster aan de huisarts haar voorkeur voor zijn 
opvolging kenbaar heeft gemaakt en dat de huisarts heeft toegezegd dat hij dat zou doorgeven aan 
zijn collega’s. De toezegging van de huisarts zag dus op het doorgeven van klaagsters voorkeur, en 
niet op het feitelijk overnemen van klaagster door de arts van haar voorkeur. Op basis van de door 
de huisarts gegeven toelichting oordeelt het college dat hij klaagster op een begrijpelijke wijze 
heeft geïnformeerd over zijn opvolging. In de gegeven situatie was het voor de huisarts ook niet 
mogelijk om toe te zeggen dat de arts voor wie klaagster een voorkeur had, ook daadwerkelijk haar 
nieuwe huisarts zou worden. Dat klaagster uiteindelijk niet door deze collega huisarts is 
overgenomen maakt dan ook niet dat de huisarts een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

5.7.  Over het verwijt van klaagster dat de huisarts na 1 januari 2022 niet meer op haar brieven 
heeft gereageerd en niet meer met haar in gesprek is gegaan overweegt het college het volgende. Na 
31 december 2021 was er tussen klaagster en de huisarts niet langer sprake van een behandelrelatie. 
Het was vanaf dat moment dan ook aan de huisarts zelf om te bepalen of hij nog wilde reageren op de 
brieven van klaagster. Dat hij ervoor heeft gekozen om haar brieven te negeren (totdat hij haar 
heeft gevraagd te stoppen met het sturen van brieven) is dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. 
Hetzelfde geldt voor de beslissing van de huisarts om klaagster niet te groeten in de wachtkamer en 
haar ook overigens niet meer te spreken. Ten overvloede overweegt het college dat klaagster de 
persoonlijke levenssfeer van de huisarts heeft geschaad door brieven te sturen naar zijn 
thuisadres. Daarom kan het college de huisarts ook volgen in zijn beslissing om afstand te nemen 
van klaagster.

Slotsom
5.8.  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat dit onderdeel van de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing

Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdeel a) en de klacht is 
kennelijk ongegrond voor wat betreft klachtonderdeel b).

Deze beslissing is gegeven op 12 mei 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, R.P. Wijne, 
lid-jurist, I. Weenink, A. Wewerinke en M.C. Wolfs-Smits, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris.