ECLI:NL:TGZRAMS:2026:110 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8709
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:110 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-05-2026 |
| Datum publicatie: | 12-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8709 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster heeft een klacht ingediend in verband met de behandeling van haar moeder tijdens een consult. Klaagster vindt dat het onderzoek van de huisarts en de vervolgstappen ontoereikend zijn geweest en ziet een verband met het overlijden van haar moeder korte tijd erna. Het college oordeelt dat de huisarts enkele gerichte onderzoeksverrichtingen heeft nagelaten. Daarnaast heeft het college een passend vervolgonderzoek, het maken van een echo, gemist. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond. Klacht deels gegrond, waarschuwing. |
A2025/8709
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 12 mei 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B, klaagster,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. E.E. Rippen, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster heeft een klacht ingediend in verband met de behandeling van haar
moeder op 9 april
2025. Klaagster vindt dat het onderzoek van de huisarts en de vervolgstappen ontoereikend
zijn
geweest en ziet een verband met het overlijden van haar moeder korte tijd erna.
1.2 De huisarts betreurt het overlijden, maar is van mening de moeder van klaagster
zorgvuldig te
hebben onderzocht en naar aanleiding van zijn bevindingen zorgvuldige vervolgstappen
te hebben
genomen.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat een klachtonderdeel over het consult op
9 april 2025
gegrond is, maar ook dat de huisarts, anders dan klaagster heeft betoogd, niet verantwoordelijk
is
voor het overlijden van klaagsters moeder. Hierna vermeldt het college eerst hoe
de procedure is
verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen ontvangen op 8 juli 2025;
- het verweerschrift met de bijlage;
- het proces-verbaal van het op 11 november 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de e-mail van klaagster van 12 maart 2026 met de bijlagen.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 31 maart 2026. De partijen zijn
verschenen,
de huisarts bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen en de gemachtigde van
de huisarts hebben
hun standpunten mondeling toegelicht. Aanwezig was tevens E. Zij heeft hetgeen ter
zitting is
besproken voor klaagster vertaald in de Arabische taal.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster is de dochter van wijlen F, hierna ‘patiënte’ te noemen. Patiënte
stond sinds 2017
ingeschreven bij de praktijk van de huisarts. Patiënte was bekend met Diabetes Mellitus
type 2 en
had vaak buikklachten van wisselende aard. Patiënte was de Nederlandse taal niet
machtig; contact
met de huisarts verliep doorgaans via de zoon van patiënte, de broer van klaagster.
Contact met de
zoon was er bijvoorbeeld op 10 oktober 2024 en 5 november 2024 in verband met patiëntes
medicatieontrouw.
3.2 Op 9 april 2025 belde de zoon naar de praktijk van de huisarts in verband met
klachten van
buikpijn bij patiënte. Bij uitvraag door de assistente bleek ook branden bij het
plassen en vaak
plassen. De assistente heeft met de zoon afgesproken dat de urine van patiënte kon
worden
ingeleverd om daarnaar onderzoek te doen. Uit dat onderzoek bleek van rode bloedcellen
in de urine.
Van het contact heeft de assistente de volgende aantekening gemaakt (sic):
“S Zoon bvelt, wilt een afspraak maken voor mw.
O Pijn in buik vooral rechts en bij navragen ook branden bij plassen en vaak
plassen. Urine: ery
2+ geeft aan dat ze ook koorts heeft
E Buikklachten
P Urine brengen en als daar niks uitkomt afspraak maken. Gebeld en afspraak gemaakt.”
Patiënte is vervolgens uitgenodigd voor het spreekuur diezelfde dag.
3.3 Patiënte kwam later die dag op het spreekuur. Zij werd vergezeld door klaagster.
Patiënte
werd gezien door een coassistent. Aan de coassistent vertelde patiënte – deze communicatie
verliep
in het Engels – pijn te hebben in de buik, misselijk te zijn en te moeten braken.
Bij onderzoek
door de coassistent bleek dat patiënte pijn in de rechter onderbuik had.
3.4 De coassistent stelde een normale peristaltiek vast, een soepele buik, gasophoping
in de
buik, een forse zwelling ter plaatse van de navel (in verband met een navelbreuk)
en pijn in de
rechteronderbuik. De bloeddruk was in orde. De huisarts heeft patiënte daarna ook
zelf op gelijke
wijze onderzocht en heeft tijdens het consult gevraagd naar de medicatietrouw. Ook
is een
ziekenhuisbezoek twee weken eerder in G ter sprake gekomen en de uitslag van het
bloedonderzoek
aldaar. Op basis van de anamnese, het onderzoek en de eerdere uitslag van het urineonderzoek
stelde
de huisarts de waarschijnlijkheidsdiagnose ‘nierstenen’. De huisarts adviseerde
een
buikoverzichtsfoto te laten maken in het ziekenhuis, waarvoor hij een verwijzing
maakte. Van het
consult, dat 45 minuten heeft geduurd, heeft de huisarts de volgende aantekening
gemaakt (sic):
“S Al jaren last van buikpijn, vaak plassen bekend met DM. Vaker urine test gedaan
hier niks
uitgekomen. Pijn is er soms een dag en dan weer niet. Meestal als zij verkouden
is. Niet in
aanvallen, pijn komt van rug naar buik.
N+/V+. Pollakisurie+, dysurie-, Def: gb 2 weken geleden in zkh geweest in G NT-proBNP:
1691, CRP:
26
O RR: 142/85, normale peristaltiek, soepele buik, wisselende tympani, forse zwelling
tpv navel,
pij bij palpatie rechts in de buik, loslaat pijn rechts buik.
E Buik klachten
P X-abdomen
P Zorgdomeinverwijzing (…).”
3.5 Op 11 april 2025 rapporteerde de radioloog naar aanleiding van de buikoverzichtsfoto
dat er
geen nierstenen waren aangetroffen. Wel had de radioloog veel ontlasting gezien
waardoor de buik
niet goed beoordeeld kon worden. Het verslag is als volgt:
“Vergeleken met het conventionele onderzoek d.d. 14-03-2023. Conform eerder geen zekere
concrementen zich projecterend over de nieren, ureterjet na of blaas. Wel enige
fecale
overprojectie waardoor beperkte beoordeelbaarheid. Geen pathologisch verwijde darmlissen.
Gering degeneratief skelet.”
Deze bevindingen heeft de huisarts op 14 april 2025 telefonisch aan de zoon van
patiënte
teruggekoppeld. Met de zoon is afgesproken dat patiënte laxeermiddelen zou gaan
gebruiken. Ook is
afgesproken dat er contact zou volgen bij verergering of opleving van de klachten.
3.6 Op 1 mei 2025 belde de zoon naar de praktijk van de huisarts. Patiënte had sinds
drie à vier
dagen weer last van haar buik. Patiënte en de zoon zijn diezelfde dag op het spreekuur
van de
huisarts geweest. De huisarts heeft patiënte onderzocht. Hij constateerde een normale
peristaltiek,
gasophoping in de buik, een soepele buik en een harde zwelling in de rechterbovenbuik.
De huisarts
dacht aan ontlasting of een ‘ruimte innemend proces’ (RIP). De huisarts heeft naar
aanleiding van
zijn bevindingen besloten tot vervolgonderzoek in de vorm van bloedonderzoek. De
huisarts noteerde
een en ander als volgt:
“S 3-4 dagen last van de buik. Veel def en ook trillen. O Abd: NP, WT, soepel,
in de RBB harde
lesie
E Buikklachten
P Zorgdomeinverwijzing (…) Laboratorium (…)
P Def of toch een RIP. Start lab. Cave echo op korte termijn/geriater oid”
3.7 De huisarts ontving op 2 mei 2025 de uitslagen van het bloedonderzoek. Hieruit
bleek van een
verhoogd CRP en BSE en een verlaagd Hb. Na overleg met de internist heeft de huisarts
patiënte
ingestuurd. Aansluitend volgde een opname van patiënte tot en met
8 mei 2025. Patiënte is onderzocht, uit welk onderzoek volgde dat patiënte mogelijk
een tumor in de
galblaas had met uitzaaiingen in de lever. Differentiaal diagnostisch werd gedacht
aan een
(chronisch) ontstoken galblaas. Onderzoek naar de lever bleef op dat moment uit,
omdat de familie
van patiënte met haar naar H wilde voor een second opinion. De reis naar H werd
door de artsen
aldaar afgeraden, waarna die reis niet is gemaakt.
3.8 Nadien is de situatie van patiënte verslechterd en is zij nog tweemaal in het
ziekenhuis
opgenomen geweest (van 19 mei 2025 tot en met 23 mei 2025 en van 28 mei 2025 tot
en met 3 juni
2025).
3.9 Op 6 juni 2025 is bij patiënte cholangiocarcinoom (galwegkanker)/galblaascarcinoom
(galblaaskanker) vastgesteld. Nadien is nog een aantal maal contact geweest tussen
de huisarts en
patiënte.
3.10 In de nacht van 27 juni 2025 is patiënte in een reanimatiesetting terechtgekomen.
De
reanimatie is na enige tijd gestopt vanwege het onderliggend lijden, waarna patiënte
is overleden.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts dat hij haar moeder op 9 april 2025 niet de
juiste zorg heeft
geboden. Concreet zijn de verwijten zoals het college die heeft begrepen de volgende:
a) De huisarts heeft waarschuwingssignalen zoals chronische pijn, verlies van
eetlust en algehele
verslechtering genegeerd;
b) De huisarts heeft het voorstel van de arts in opleiding (coassistent) om patiënte
direct naar
het ziekenhuis te verwijzen, genegeerd;
c) De huisarts heeft geweigerd nieuw bloedonderzoek aan te vragen, ondanks de
duidelijke
klinische achteruitgang;
d) Er is sprake van een vertraagde diagnose en een foutieve inschatting door de
huisarts, wat
heeft bijgedragen aan de ontwikkeling of versnelling van leverkanker;
e) De huisarts heeft zich onprofessioneel gedragen door op sarcastische toon naar
het
medicatiegebruik van patiënte te vragen en door een gebrek aan empathie.
Klaagster is ervan overtuigd dat als de huisarts adequaat had gehandeld de scheur
in de galblaas en
de leverkanker had kunnen worden voorkomen, althans dat het proces was vertraagd.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen
5. De overwegingen van het college
5.1. Het college stelt voorop dat het erg verdrietig is dat klaagster op voor haar
onverwachte
wijze haar moeder is verloren. Duidelijk is dat zij daar nog dagelijks pijn en gemis
van
ondervindt. Het college benoemt ook dat het overlijden de huisarts evenzeer heeft
aangegrepen.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2. Het overlijden op zichzelf betekent echter niet reeds dat de huisarts onzorgvuldig
heeft
gehandeld. Of dat zo is, beoordeelt het college aan de hand van de norm ‘de redelijk bekwaam
en redelijk handelende huisarts’. In dat kader wordt rekening gehouden met de voor
de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden, zoals
de standaarden van
het Nederlands Huisartsengenootschap (NHG-standaarden).
5.3. Het college benoemt daarnaast dat bij uiteenlopende standpunten over een gebeurtenis,
het
college uitgaat van hetgeen in het medisch dossier is genoteerd, tenzij er aanwijzingen
zijn dat
wat in het dossier staat niet juist is.
Klachtonderdeel a tot en met d) medisch handelen op 9 april 2025
5.4. Het college zal de eerste vier klachtonderdelen die alle betrekking hebben
op het consult van
9 april 2025, gelet op hun samenhang, gezamenlijk beoordelen. Daarbij wordt geen
afbreuk gedaan aan
de individuele weging van de onderdelen.
5.5. Het college stelt in het licht van de klachten vast dat patiënte op 9 april
2025 op verzoek
van de zoon, broer van klaagster, is gezien in verband met buikpijnklachten en de
aangetroffen rode
bloedcellen in de urine na onderzoek van die urine. Dat klaagster op eigen initiatief
met patiënte
naar de huisarts is gegaan, volgt het college niet gelet op de aantekening daarover
in het dossier.
Het college stelt ook vast dat na onderzoek door de coassistent, de huisarts patiënte
zelf ook
heeft onderzocht en vervolgens de waarschijnlijkheidsdiagnose ‘nierstenen’ heeft
gesteld. Dat op
zichzelf kan het college volgen; het bloed in de urine, de door patiënte benoemde
klachten over
pijn (rechtsonder) in de buik en de bevindingen uit onderzoek van de buik kunnen
wijzen op
nierstenen. Wat het college evenwel heeft gemist, is een gedegen onderzoek naar
óók de door
patiënte benoemde andere klachten. Zo is bijvoorbeeld geen lichaamstemperatuur gemeten
hoewel
patiënte aangaf koorts te hebben. Mede gelet op de voorgeschiedenis en de algehele
zieke indruk van
patiënte, was louter een gericht buikonderzoek onvoldoende.
5.6. Wat het college ook heeft gemist, is een passend vervolgonderzoek. Het college
stelt vast dat
de huisarts patiënte heeft verwezen voor een buikoverzichtsfoto. De NHG-standaard
‘Urinesteenlijden’ (2019) gaat evenwel uit van een echo als eerste keuze voor beeldvormend
onderzoek, aangevuld met een buikoverzichtsfoto als er op de echo geen dilatatie of steen zichtbaar
is (pagina’s 3, 11 en 31). Waarom de huisarts de echo achterwege heeft gelaten,
is niet duidelijk
geworden en lag niet voor de hand. Bloedonderzoek daarentegen was op dat moment,
anders dan
klaagster heeft gesteld, nog niet aangewezen. Evenmin was er de noodzaak van directe
opname, nog
los van de omstandigheid dat het de huisarts is die het beleid bepaalt en niet de
coassistent.
5.7. Een en ander betekent dat het eerste klachtonderdeel gegrond is. Het nalaten
van enkele
gerichte onderzoeksverrichtingen en het nalaten van het maken van een echo had evenwel
niet kunnen
voorkomen dat patiënte op korte termijn nadien was komen te overlijden. Patiënte
was ernstig ziek
en tegelijkertijd was het niet evident dat sprake was van galwegkanker en/of galblaaskanker.
Zo was
er zelfs bij de opname in het ziekenhuis die tot 8 mei 2025 heeft geduurd, nog geen
zekerheid over
de diagnose. Dat patiënte aldus vroegtijdig is komen te overlijden, is – hoe verdrietig
ook – niet het gevolg van het handelen van de huisarts.
Klachtonderdeel e) bejegening van patiënte en klaagster
5.8. Wat de bejegening betreft, stelt het college vast dat klaagster en de huisarts
een
uiteenlopende mening hebben over de manier waarop de huisarts patiënte en klaagster
op 9 april 2025
te woord heeft gestaan. Om deze reden, maar ook omdat het college zelf niet bij
het gesprek
aanwezig was, kan het college niet vaststellen dat de huisarts zich van een sarcastische
toon heeft
bediend en niet empathisch was. Het kan, los daarvan, wel zo zijn dat de enkele
vraag naar de
medicatietrouw van patiënte voor klaagster niet prettig
overkwam maar tegelijkertijd kan het college de vraag op zichzelf begrijpen. In
het verleden was
immers sprake geweest van medicatieontrouw en is wetenschap over de situatie van
dat moment van
belang voor de diagnose.
Slotsom
5.9. Uit de overwegingen hiervoor volgt dat het eerste klachtonderdeel gegrond
is en de andere
klachtonderdelen ongegrond zijn.
Maatregel
5.10. Gelet op de gegrondheid van het eerste klachtonderdeel dient zich de vraag
aan welke
maatregel passend is. Het college is van oordeel dat dat een waarschuwing is. Het
college neemt
daarbij de aard van de verwijtbare gedraging in aanmerking alsmede de omstandigheid
dat de huisarts
niet eerder met het tuchtrecht in aanraking is gekomen en zelfstandig, onder meer
door intervisie,
onderzocht heeft of hij verwijtbaar heeft gehandeld en zo ja, op welk punt. Het
college is er
daarom van overtuigd dat de huisarts uit de onderhavige situatie lering wil trekken,
één van de
doelen van het tuchtrecht.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart het eerste klachtonderdeel (a) gegrond;
- legt de huisarts de maatregel op van een waarschuwing;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, R.P. Wijne,
lid-jurist,
I. Weenink, A. Wewerinke en M.C. Wolfs-Smits, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
V.K.M. Hanssen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.