ECLI:NL:TGZRAMS:2026:11 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8567
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:11 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-01-2026 |
| Datum publicatie: | 13-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8567 |
| Onderwerp: | Schending beroepsgeheim |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Klaagster verwijt de psychiater onder meer dat zij haar beroepsgeheim heeft geschonden en dat zij verouderde en niet-geverifieerde medische informatie heeft verwerkt en gebruikt. Het college heeft geen reden om te veronderstellen dat de psychiater zonder toestemming medische informatie heeft gedeeld. De schriftelijke terugkoppeling die de psychiater naar de huisarts heeft gezonden is niet onzorgvuldig. Er was geen aanleiding om de diagnose uit de medische voorgeschiedenis te verifiëren. |
A2025/8567
Beslissing van 13 januari 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 13 januari 2026 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
C,
psychiater,
destijds werkzaam te B,
verweerster,
gemachtigde: mr. D, werkzaam te B.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is, na een melding van een vriendin van klaagster, in de avond van
12 november 2023 bezocht door de politie en vervolgens per ambulance overgebracht
naar E (hierna: E) waar zij door een arts is beoordeeld. Deze arts heeft na beoordeling
telefonisch overleg gevoerd met de psychiater als dienstdoende psychiater. Klaagster
is vervolgens naar huis ontslagen met aanvullende veiligheidsafspraken. Klaagster
maakt de psychiater verschillende verwijten onder andere dat zij haar beroepsgeheim
heeft geschonden en dat zij verouderde en niet-geverifieerde medische informatie heeft
verwerkt en gebruikt.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 2 juni 2025;
- het verweerschrift;
- de e-mail van 12 augustus 2025 van klaagster, met bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 30 september
2025;
- de e-mail van klaagster van 1 oktober 2025, met bijlagen;
- de e-mail van de gemachtigde van verweerster van 2 oktober 2025, met bijlage.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De klacht en de reactie van de psychiater
3.1 Klaagster verwijt de psychiater dat zij:
a) haar beroepsgeheim heeft geschonden, door medische informatie te delen met de
politie/ambulance medewerkers zonder toestemming van klaagster;
b) onzorgvuldig heeft gehandeld door de beslissing tot beoordeling op E te nemen
zonder eigen beoordeling en zonder contact met klaagster;
c) verouderde en niet-geverifieerde medische informatie heeft gebruikt en verwerkt;
d) indirect medeverantwoordelijk is voor de traumatiserende opname van klaagster.
3.2 De psychiater heeft het college de klacht ongegrond te verklaren.
3.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
4. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
4.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdelen a), b) en d) beoordeling op E en schending beroepsgeheim
4.2 Klaagster stelt dat de gebeurtenissen in de nacht van 12 op 13 november 2023
voor haar traumatisch zijn geweest. Zij werd verrast door de politie aan haar deur
en is uiteindelijk tegen haar zin per ambulance overgebracht naar E, zonder dat zij
wist waarom. Klaagster stelt dat zij op E vijf uur lang opgesloten is geweest, zonder
dat er een arts aanwezig was. Daarbij werd zij hardhandig benaderd, bedreigd en opgesloten
in een ruimte met camera’s, zonder vrouwelijke hulpverleners aanwezig en zonder uitleg.
Na beoordeling door de arts en na diens telefonisch overleg met de psychiater werd
besloten dat zij naar huis kon. Klaagster verwijt de psychiater onzorgvuldig te hebben
gehandeld door zonder klaagster zelf te hebben gezien te hebben besloten dat zij beoordeeld
moest worden op E. Ook verwijt zij de psychiater dat zij medeverantwoordelijk is voor
de traumatische ervaring van klaagster op E. Enkele weken na de beoordeling op E ontving
klaagster bericht van het CBR dat haar rijbewijs werd geschorst op basis van een melding
van de politie. De grondslag voor deze melding was dat klaagster zou lijden aan een
borderline persoonlijkheidsstoornis. Klaagster is van mening dat het de psychiater
moet zijn geweest die deze – onjuiste – informatie, zonder toestemming van klaagster,
heeft gedeeld met de politie of de ambulance medewerkers. Klaagster verwijt de psychiater
dan ook dat zij haar beroepsgeheim heeft geschonden.
4.3 De psychiater stelt dat zij geen contact heeft gehad met de ambulancemedewerkers
of de politie. Ook heeft zij geen rol gehad bij het besluit om klaagster te beoordelen
op E. De psychiater heeft ter onderbouwing hiervan de werkwijze van E toegelicht.
Wanneer er door een verwijzer (huisarts, GGD, ambulance medewerker of behandelaar)
telefonisch contact wordt opgenomen met E dan is dat contact met een ggz-triagist.
De triagist maakt op basis van de informatie van de verwijzer, in het geval van klaagster
de ambulance medewerker, een inschatting van de urgentie en bepaalt welke inzet van
acuut psychiatrische hulpverlening op welke termijn geïndiceerd is en of iemand door
E gezien moet worden. Deze inschatting van de triagist is een advies. Het is de verwijzer
die beslist. De triagist beoordeelt de melding zelfstandig, maar kan bij twijfel overleggen
met collega triagisten, de voorwacht (een arts) of de achterwacht (de dienstdoende
psychiater). In het geval dat iemand beoordeeld moet worden door E wordt de cliënt
overgebracht naar de Spoedeisende Psychiatrische Onderzoeksruimte (SPOR) waar een
cliëntbegeleider en een verpleegkundige aanwezig zijn. De beoordeling wordt uitgevoerd
door een arts. Per geval wordt vervolgens beoordeeld of cliënten mede beoordeeld moeten
worden door de dienstdoende psychiater. De arts overlegt altijd (telefonisch) na beoordeling
met de dienstdoende psychiater over de bevindingen en ter afstemming van het vervolgbeleid.
De psychiater stelt dat zij in het geval van klaagster alleen betrokken is geweest
bij voornoemd telefonisch overleg ná de beoordeling van de arts.
4.4 Het college stelt voorop dat het duidelijk is dat klaagster de ervaring op E als traumatisch heeft ervaren en dat ook de gevolgen daarvan haar leven nog beïnvloeden. Het college heeft daar oog voor, maar zal in het hiernavolgende een zakelijke beoordeling geven van de voorliggende klachten.
4.5 Het college kan de omschrijving van de werkwijze van E zoals gegeven door de psychiater goed volgen en dit is ook een gebruikelijke werkwijze. Dit betekent dat de psychiater alleen, en niet eerder dan, na de beoordeling van de arts op E betrokken is geweest bij klaagster. Het college heeft dan ook geen reden om te veronderstellen dat de psychiater op enig moment contact heeft gehad met de politie dan wel met de ambulance medewerker. Dat in het politierapport staat vermeld dat “de psychiater betrokkene wilde zien vanwege haar verleden met betrekking tot behandeling in de psychiatrie en waarbij ook borderline wordt genoemd”, is hiervoor onvoldoende. Het is op basis van de overgelegde documentatie door het college niet vast te stellen dat met de woorden ‘de psychiater’ verweerster wordt bedoeld. Dit wordt immers door de psychiater betwist en gelet op de werkwijze van E is dat ook niet aannemelijk. Ook is de psychiater gelet op de beschreven werkwijze niet betrokken geweest bij de afweging of klaagster op E beoordeeld diende te worden. Deze beslissing was reeds genomen toen de psychiater in beeld kwam. Tot slot was de psychiater niet aanwezig bij de beoordeling en heeft zij dus ook geen invloed gehad of kunnen hebben op de gang van zaken op E die nacht. Haar kan hierover dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
4.6 Dit betekent dat de klachtonderdelen a), b) en d) kennelijk ongegrond zijn.
Klachtonderdeel c) verwerking van verouderde en niet-geverifieerde medische informatie
4.7 Klaagster verwijt de psychiater dat zij verouderde en niet-medische informatie
heeft verwerkt en gebruikt. Zij noemt de schriftelijke overdracht aan de huisarts
van klaagster van 15 november 2023. Daarin staat vermeld:
“Belangrijkste Diagnose: persoonlijkheidsstoornis
Classificatie DSM V
1e Diagnose: Borderline persoonlijkheidsstoornis
Ernst 1e Diagnose: matig”
Klaagster stelt dat deze brief door de psychiater zonder klaagster hierover te informeren en zonder haar toestemming aan haar huisarts is verzonden.
4.8 De psychiater stelt dat het gebruikelijk is om de voorgeschiedenis van cliënten/patiënten te gebruiken, en dat er daarbij vanuit wordt gegaan dat diagnoses uit het verleden destijds zorgvuldig door professionals zijn gesteld. Het gebruik van de medische voorgeschiedenis bij een beoordeling op E is van belang voor een eerste inschatting van de crisis en voor het maken van het vervolgbeleid. De arts die klaagster beoordeeld heeft, heeft bij zijn beoordeling gebruik gemaakt van de informatie en voorgeschiedenis zoals opgenomen in het dossier van klaagster, waaronder een brief van F uit 2020 waaruit de diagnose blijkt, aldus de psychiater. Vervolgens is door de arts en de psychiater diezelfde dag een mondelinge (door de arts) en een schriftelijke terugkoppeling gegeven aan de huisarts. Dit gebeurt inderdaad, anders dan binnen de reguliere ggz, zonder expliciete toestemming van de cliënt.
4.9 Het college is van oordeel dat de schriftelijke terugkoppeling die de psychiater naar de huisarts heeft gezonden niet onzorgvuldig is. Het is gebruikelijk om de medische voorgeschiedenis van een patiënt of cliënt mee te nemen in een medische beoordeling, waarbij er zonder gerede twijfel over een diagnose geen reden is om deze te verifiëren. Het college heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat er in het geval van klaagster een reden of noodzaak was om op dat moment aan de eerder gestelde, en in het dossier van klaagster opgenomen, diagnose van een borderline persoonlijkheidsstoornis te twijfelen. Dat de psychiater de huisarts heeft geïnformeerd over de crisisinterventie is conform de GGZ standaard Acute Psychiatrie/de Generieke module Acute Psychiatrie. Deze terugkoppelingsbrief naar de huisarts is van belang voor het (eventuele) vervolg van zorg en om de huisarts te informeren, zodat de huisarts de cliënt goed kan begeleiden. Dat de psychiater genoemde diagnose in deze brief heeft opgenomen is niet onjuist of onzorgvuldig, mede gelet op de context van een crisisbeoordeling.
4.10 Dit betekent dat ook klachtonderdeel c) kennelijk ongegrond is.
Slotsom
4.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk
ongegrond is.
5. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 13 januari 2026 door W.A.H. Melissen, voorzitter, A.C.M. Kleinsman en A.E. van ‘t Hoog, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.