ECLI:NL:TGZRAMS:2026:105 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8417

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:105
Datum uitspraak: 08-05-2026
Datum publicatie: 08-05-2026
Zaaknummer(s): A2025/8417
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klachten tegen een internist-oncoloog en een chirurg. Beide klachten zijn ingediend door de patiënt; de zoon van klager. De patiënt had uitgezaaide galwegkanker in de lever. Na het overlijden van de patiënt heeft klager (de vader) de klacht doorgezet. De patiënt werd behandeld door de internist en geopereerd door de chirurg. Over deze behandelingen/operaties was de patiënt erg ontevreden. De patiënt heeft de internist en chirurg een groot aantal verwijten gemaakt, waaronder medische nalatigheid, schending informed consent en onvoldoende communicatie. De artsen hebben verweer gevoerd. Klachten ongegrond verklaard.

A2025/8417
Beslissing van 8 mei 2026
 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 8 mei 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klager,
tegen

C,
internist,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de internist,
gemachtigde: mr. E, werkzaam te D.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De klacht is ingediend door de zoon van klager, F (hierna te noemen: de patiënt). Na zijn overlijden is de klacht overgenomen door zijn vader, die daarom nu als klager wordt aangemerkt.

1.2 De patiënt is in 2023 gediagnosticeerd met uitgezaaide galwegkanker in de lever (intrahepatisch cholangiocarnicoom). In het G is hij in het kader van een second opinion bij de internist op consult gekomen en verder door haar behandeld. De patiënt was erg ontevreden over die behandeling. In het klaagschrift heeft hij de internist een groot aantal verwijten gemaakt, waaronder de schending van haar zorgplicht. Zo heeft zij onvoldoende onderzoek gedaan naar veronderstelde uitzaaiingen in zijn buikvlies door middel van een diagnostische laparoscopie, terwijl de aan- of afwezigheid van die uitzaaiingen volgens klager van doorslaggevend belang was voor een effectieve behandeling van zijn ziekte met een chemopomp. Ook heeft de internist onvoldoende transparant gehandeld en gecommuniceerd. Daarnaast heeft zij in het medische dossier onjuistheden vermeld, cruciale medische keuzes en verzoeken van hem weggelaten of verdraaid, aldus nog steeds de patiënt in het klaagschrift.

1.3 De internist heeft verweer gevoerd en verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Volgens de internist heeft zij alles in het werk gesteld om de patiënt zo goed mogelijke zorg te geven.

1.4 Het college komt tot het oordeel dat de internist niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 17 april 2025;
- de brief van de patiënt van 17 mei 2025, ontvangen op 20 mei 2025, met een USB-stick;
- het verweerschrift met de bijlagen, waaronder het medisch dossier en een DVD;
- de e-mail van 17 juli 2025 van klager over het overnemen van de klacht;
- het proces-verbaal van het op 25 september 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek, waaraan gehecht de pleitnotitie van klager.

2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 24 maart 2026. Klager is verschenen, vergezeld van zijn partner en een andere zoon (broer van de patiënt). Ook verweerster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en de gemachtigde van verweerster hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

2.3 Gelijktijdig met deze klacht is een (samenhangende) klacht ingediend tegen de chirurg die de patiënt tweemaal heeft geopereerd (zaaknummer A2025-8418). De zaak is gelijktijdig met deze klacht op de zitting behandeld. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 De patiënt, geboren in 1988, is wegens steken en pijn in zijn bovenbuik sinds ongeveer vijf maanden op 25 mei 2023 door zijn huisarts verwezen naar het H voor een echo. Op 26 mei 2023 is de echo gemaakt. Naar aanleiding van de uitslag daarvan is op 2 juni 2023 een CT-scan gemaakt, op 7 juni 2023 een PET-CT-scan met FDG (een radioactieve stof) en een MRI-scan. Op 8 juni 2023 is een leverbiopt genomen. De diagnose luidde galwegkanker in de lever (intrahepatisch cholangiocarnicoom), met uitzaaiingen in de lever. Omdat dit een zeldzame vorm van kanker is, zeker bij mensen in de leeftijd van de patiënt, is hij daarop doorverwezen naar het I, waar de diagnose in een multidisciplinair overleg (MDO) op 18 juni 2023 werd bevestigd. De conclusie van het MDO vermeldt ook dat er verdenking is op uitzaaiingen in het buikvlies (peritoneale metastasen), die niet zijn bewezen met weefselonderzoek. De brief van het I van 19 juni 2023 aan de huisarts van de patiënt vermeldt (alle citaten letterlijk weergegeven – inclusief typefouten – en voor zover van belang): “Trials: Patient is kandidaat voor studie: Biobank HPB, FIGHT-302 Patiënt is deelnemend aan studie (…) Bespreking Patiënt was uitgebreid gesproken. Was zelf al op de hoogte de diagnose. Kan er redelijk
nuchter over praten. Heeft nog het een en ander opgezocht op het internet maar deze ondezeoeken zijn nieut van toepassing op zijn ziektebeeld. Heeft zijn hoop op een trial gevestigd. Heeft getekend voor de FIGHT-302 studie na uitgebreide uitleg van dr J (…)

3.2 Op verzoek van de patiënt is hij verwezen naar het G, waar hij op 26 juni 2023 op consult kwam bij de internist (werkzaam als internist-oncoloog). Op 30 juni 2023 werd de patiënt in een MDO besproken. Het advies van het MDO luidde palliatieve chemotherapie. De eerste kuur begon op 4 juli 2023. Na vier chemokuren, op 12 september 2023, werd een CT-scan van de borstkas en buik gemaakt. Daaruit bleek dat de tumoren aanzienlijk in omvang waren afgenomen.

3.3 Op 26 oktober 2023 vond weer een gesprek plaats tussen de patiënt en de internist. De patiënt uitte zijn twijfels over de aanwezigheid van uitzaaiingen in het buikvlies. Hij wilde een vervolgplan voor na de chemo en had een second opinion aangevraagd in het K in L. De patiënt had zes van de acht geplande chemokuren gekregen. Vanwege het gunstige resultaat van de chemotherapie verwees de internist hem naar de afdeling chirurgie van het G.

3.4 Op 3 november 2023 werd de situatie van de patiënt weer in een MDO besproken. Het advies luidde: continuering van de chemotherapie en na afloop daarvan (na de achtste kuur) een nieuwe CT-scan. Op 7 november 2023 gaf de patiënt te kennen dat hij de laatste twee kuren niet meer wilde ondergaan, in verband met een iets verminderde nierfunctie en andere bijwerkingen waardoor hij zich slechter was gaan voelen.

3.5 Op 14 november 2023 kwam de patiënt voor het eerst bij de chirurg M (hierna: de chirurg) op consult. Tijdens dit consult besprak de chirurg met de patiënt de uitslag van een CT-scan, waaruit bleek dat de grootste tumor links door de chemotherapie fors was afgenomen, van 18 naar 10 centimeter. Er waren geen aanwijzingen voor uitzaaiingen in het buikvlies. De chirurg sprak vervolgens met de patiënt over mogelijke andere behandelingen, waaronder een operatie. Later die dag overlegde de chirurg met de internist. Vanwege aanhoudende onzekerheid over de aanwezigheid van buikvliesuitzaaiingen, kwamen zij tot het advies om een kijkoperatie uit te voeren. Als hieruit zou blijken dat er geen sprake was van buikvliesuitzaaiingen, dan zou tijdens het volgende MDO het voorstel voor een leverresectie voorgelegd kunnen worden. Na telefonisch contact met de patiënt over dit advies, werd de kijkoperatie ingepland.

3.6 Op 23 november 2023 vertelde klager de internist dat de second opinion uit het K luidde: een kijkoperatie om vast te stellen of er buikvliesuitzaaiingen zijn. Als dat het geval was, zou een leverresectie waarschijnlijk niet zinvol zijn.

3.7 De kijkoperatie vond plaats op 4 december 2023. Er werden geen uitzaaiingen in het buikvlies gevonden. De chirurg verwijderde een kleine metastase. De uitslag werd besproken in een MDO. Het advies luidde: een hemihepatectomie links met een S8-wigresectie (verwijdering van de linkerhelft van de lever en een wigvormige verwijdering van een tumor in de andere helft van de lever), bij voorkeur na het afronden van de chemotherapie en/of van een SIRT-behandeling.

3.8 Op 5 december 2023 heeft de patiënt het vertrouwen in de internist opgezegd en haar verzocht zijn dossier over te dragen aan een andere internist in het ziekenhuis.

3.9 Op 12 december 2023 heeft de chirurg het advies uit het MDO met de patiënt besproken. Die wilde de chemotherapie niet afmaken en ook geen SIRT-behandeling. Hij wilde direct worden geopereerd. De operatie vond plaats op 16 januari 2024. Op 23 januari 2024 is de patiënt uit het ziekenhuis ontslagen.

3.10 Uit onderzoek van het bij de operatie weggenomen weefsel bleek dat er op de snijranden van de verwijderde gedeeltes nog tumorcellen aanwezig waren. Deze uitslag werd besproken in het MDO. Het advies van het MDO was om de patiënt te vervolgen tot eventuele toename van de ziekte en om elke drie maanden een CT-scan te laten maken. Een collega van de chirurg heeft de patiënt over dit advies geïnformeerd.

3.11 Op 7 februari 2024 kwam de patiënt weer op consult bij de chirurg. Op verzoek van de patiënt werd de CT-scan eerder, op 13 maart 2024, ingepland. De CT-scan liet een toename in grootte en aantal longafwijkingen zien in vergelijking met de scan die in januari 2024 voorafgaand aan de leverresectie was gemaakt. De chirurg verwees de patiënt vanwege deze uitslag terug naar de internist. De patiënt werd vervolgens ingepland voor een afspraak bij de internist. Omdat hij eerder zijn vertrouwen in haar had opgezegd, heeft hij de afspraak afgezegd en zich in april 2025 gewend tot een internist-oncoloog in een ander ziekenhuis.

3.12 De patiënt is op 25 mei 2025 overleden.

4. De klacht en de reactie van de internist
4.1 Klager verwijt de internist:
a) de verkeerde diagnose buikvliesuitzaaiingen zonder voldoende diagnostiek;
b) medische nalatigheid en schending van haar zorgplicht;
c) dat zij de patiënt een effectieve behandeling met de chemopomp heeft onthouden;
d) niet overdragen van medisch dossier;
e) structureel gebrek aan transparantie en communicatie:
f) manipulatie en misleiding in medisch dossier.
4.2 De internist heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

5.1 Het is uitermate triest dat de patiënt op zo jonge leeftijd ernstig ziek is geworden en is komen te overlijden. Het is duidelijk en begrijpelijk dat zijn nabestaanden daar veel verdriet van hebben en dagelijks het gemis ervaren. Het overlijden van de patiënt heeft ook op de internist veel indruk gemaakt.

Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2 De vraag is of de internist de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende internist. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdelen a) verkeerde diagnose buikvliesuitzaaiingen zonder voldoende diagnostiek, b) medische nalatigheid en schending zorgplicht, en c) onthouden van effectieve behandeling met chemopomp

5.3 Vanwege de samenhang bespreekt het college deze klachtonderdelen gezamenlijk. Volgens het klaagschrift heeft de internist de patiënt een effectieve behandeling met een chemopomp onthouden op grond van de aanname dat er bij hem sprake was van buikvliesuitzaaiingen. De internist heeft hem verteld dat de PUMP-2-studie (wetenschappelijke studie naar de effectiviteit van de chemopomp) niet meer openstond, maar dat er wel mogelijkheden waren voor compassionate use. Dit zou echter niet het geval zijn in geval van buikvliesuitzaaiingen. De internist heeft tegenstrijdige bevindingen hierover uit andere ziekenhuizen (H en I) genegeerd en is op basis van slechts een scan en een verdenking, zonder pathologische bevestiging, van de aanwezigheid van buikvliesuitzaaiingen uitgegaan. Ondanks twijfel daarover heeft zij geen diagnostische laparoscopie laten uitvoeren en is zij een behandeling gestart zonder definitieve diagnose, in strijd met medische richtlijnen. Ondanks het specifieke verzoek van de patiënt en wetenschappelijke onderbouwing omtrent de gunstige resultaten heeft de internist behandeling met de chemopomp niet serieus overwogen en informatie hierover bewust niet opgenomen in het medische dossier. Volgens haar was palliatieve chemotherapie de enige optie, aldus de patiënt in het klaagschrift.

5.4 Het college overweegt dat, op het moment dat de patiënt bij de internist kwam, reeds een duidelijke en definitieve diagnose was gesteld: uitgezaaide galwegkanker in de lever. Voor deze zeldzame vorm van kanker, die nog zeldzamer is bij jonge mensen, gold in juni 2023 de richtlijn Galweg- en galblaascarcinoom 2013 van de Federatie Medisch Specialisten (hierna: de richtlijn). Voor de bij de patiënt gediagnosticeerde vorm van kanker met uitzaaiingen in de lever werd in die richtlijn – die in 2024 is herzien, maar op dit punt niet is aangepast – slechts één behandeling geadviseerd: palliatieve chemotherapie (ook wel systemische therapie genoemd). De internist heeft aangevoerd dat de uitzaaiingen in de lever reeds maakten dat niet meer dan palliatieve therapie kon worden ingezet en dat de aan- of afwezigheid van buikvliesuitzaaiingen daarvoor niet van belang was. Dit standpunt is juist, hoezeer het college ook begrijpt dat het voor de patiënt onverteerbaar was dat er slechts een palliatieve behandeling zou worden ingezet. De internist hoefde dan ook geen nader onderzoek te doen naar de eventuele buikvliesuitzaaiingen. Een patiënt heeft daar ook niet zonder meer recht op en niet gezegd kan worden dat de internist zonder gegronde redenen aanvullend onderzoek heeft geweigerd. Het is niet onbegrijpelijk dat de patiënt wilde weten of er daadwerkelijk sprake was van uitzaaiingen in het buikvlies, maar een diagnostische laparoscopie is een invasieve en belastende ingreep en behoort daarom alleen plaats te vinden als daar een duidelijke indicatie voor is. Die was er niet in het geval van de patiënt.

5.5 Dat gold ook voor de chemopomp, gezien de uitzaaiingen in de lever. Behandeling met een chemopomp is bovendien geen standaardzorg in Nederland: het bij de chemopomp gebruikte geneesmiddel (floxuridine) is niet in de Europese Unie geregistreerd, evenmin als de chemopomp zelf. Deze worden daarom alleen in wetenschappelijke studies gebruikt. Toen de patiënt in juni 2023 bij de internist op gesprek was, was de PUMP-2-studie afgelopen en liep er geen studie naar het gebruik van de chemopomp bij patiënten met galwegkanker. Volgende studies zouden pas in de tweede helft van 2024 opengaan. Op het moment van het gesprek tussen de patiënt en de internist was er ook nog geen ervaring met compassionate use van de chemopomp. Gezien de uitzaaiingen in de lever kwam de patiënt daar niet voor in aanmerking. Het kan de internist daarom redelijkerwijs niet worden verweten dat zij, ondanks de wens van de patiënt, geen behandeling met een chemopomp heeft ingezet. Zij is daarover ook volgens de patiënt duidelijk geweest tegenover hem. Zij heeft hem meegedeeld dat palliatieve chemotherapie de enige optie was.

5.6 Onder deze omstandigheden hoefde de internist in het dossier geen uitgebreide aantekeningen over de chemopomp te maken. Op de zitting heeft zij verklaard dat zij tijdens een gesprek vaak aantekeningen maakt om die mee te geven aan de patiënt, zodat die alles thuis nog eens kan nalezen. In dit geval zou het de patiënt mogelijk hebben geholpen als de internist in haar aantekeningen, waarin de chemopomp wel wordt genoemd, meer aandacht zou hebben besteed aan de redenen waarom die niet kon worden ingezet, omdat duidelijk is dat de patiënt vragen had over de mogelijkheden van de chemopomp en begrijpelijkerwijs iedere strohalm voor een effectieve behandeling wilde aangrijpen. Dat zij dat niet heeft gedaan, is echter niet voldoende voor een tuchtrechtelijk verwijt.

5.7 Het college kan dus niet vaststellen dat de internist medisch nalatig is geweest en haar zorgplicht jegens de patiënt heeft geschonden. De klachtonderdelen a), b) en c) zijn daarom ongegrond.

Klachtonderdeel d) niet overdragen van het medische dossier aan een andere oncoloog
5.8 Volgens het klaagschrift heeft de internist het verzoek van de patiënt tot overdracht van zijn dossier aan een andere oncoloog binnen het G genegeerd en heeft dit geleid tot maandenlange vertraging en behandelonderbreking. Ook kon de patiënt na de leverresectie in januari 2024 met zijn vragen over genetische analyse ten aanzien van de FGFR2-genfusie niet bij een internist-oncoloog terecht.

5.9 Het college overweegt dat de patiënt zijn vertrouwen in de internist op 5 december 2023 heeft opgezegd. Hij was toen al – vanaf 14 november 2023 – in behandeling bij de chirurg, die daarmee ook zijn hoofdbehandelaar was geworden. Hij wilde ook geen chemotherapie meer. Betrokkenheid van een internist-oncoloog was daarom toen niet aan de orde. Dat geldt ook voor overdracht van het dossier. Omdat in het ziekenhuis een elektronisch patiëntendossier wordt gebruikt, hoeft dit niet te worden overgedragen; iedere opvolgende behandelaar kan kennis nemen van het dossier. Het was ook niet zinvol voor de internist om op dat moment een collega te benaderen om de behandeling van de patiënt over te nemen, omdat niet duidelijk was of en wanneer de patiënt weer terug zou komen bij de afdeling oncologie. Dit ging pas weer spelen na de operatie in januari 2024. Er is toen een afspraak bij de internist ingepland. Dat is ongelukkig te noemen en het zou beter zijn geweest als de internist in december 2023 een aantekening in het dossier zou hebben gemaakt dat, als de patiënt weer bij de afdeling oncologie zou terugkeren, een andere internist zijn behandeling ter hand zou moeten nemen. De internist heeft dit ook erkend. Dit rechtvaardigt echter geen tuchtrechtelijk verwijt, omdat er – als de patiënt de afdeling had laten weten dat hij niet meer bij de internist op consult wilde komen – ongetwijfeld binnen afzienbare termijn een afspraak bij een andere internist gemaakt had kunnen worden. Het is dan ook niet aannemelijk dat de omissie van de internist tot een noemenswaardige vertraging in de behandeling van de patiënt zou hebben geleid. Ook de vragen die de patiënt had over de FRFG2-genfusie, ten aanzien waarvan na de operatie andere informatie beschikbaar was gekomen dan die hij eerder had gekregen, hadden ongetwijfeld door een nadere internist beantwoord kunnen worden. Het is spijtig dat een medewerker, waarvan de patiënt de functie niet kende, tegen hem heeft gezegd dat er een afspraak bij de internist georganiseerd kon worden. Dit kan de internist echter niet worden verweten. Ook hier geldt dat de patiënt gerust had kunnen zeggen dat hij hierover graag met een andere internist-oncoloog wilde spreken. De patiënt heeft de afdeling echter, toen hem bleek dat er voor hem een afspraak bij de internist was gemaakt, te kennen gegeven dat hij zich tot een internist-oncoloog in een ander ziekenhuis zou wenden.

5.10 Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel e) structureel gebrek aan transparantie en communicatie
5.11 Volgens het klaagschrift heeft de internist verzoeken voor aanvullende diagnostiek structureel genegeerd en is dit in strijd met de fundamentele patiëntenrechten van shared decision making en informed consent. Ten aanzien van dit subklachtonderdeel verwijst het college naar wat hiervoor onder 5.4 heeft overwogen.

5.12 De internist wordt verder verweten dat zij alleen het verslag van het MDO van 3 november 2023 aan de patiënt heeft verstrekt en niet de verslagen van alle MDO’s, terwijl het ziekenhuis verplicht is toegang te geven tot medische dossiers, inclusief die verslagen. Verder beantwoordde de internist relevante e-mails vaak niet. Mondelinge verzoeken van de patiënt nam zij structureel niet serieus en heeft zij genegeerd.

5.13 De internist heeft aangevoerd dat het beleid is van het ziekenhuis om de MDO-verslagen niet in het patiëntenportaal te plaatsen en dat patiënten desgewenst via het bureau medische informatie om die verslagen kunnen vragen. Op uitdrukkelijk verzoek van de patiënt heeft zij het verslag van het MDO van 3 november 2023 zelf via beveiligde e-mail aan de patiënt verstrekt. Verder heeft zij de uitslagen telkens met hem besproken.

5.14 Het college overweegt dat het de internist niet kan worden verweten dat zij niet alle MDO-verslagen met de patiënt heeft gedeeld. Het betreffende verwijt van de patiënt is ook aan het ziekenhuis gericht en voor handelen van het ziekenhuis is de internist niet tuchtrechtelijk aansprakelijk. Verder blijkt uit het dossier voldoende dat de internist de uitslagen van de MDO’s steeds met de patiënt heeft besproken en dat zij de patiënt heeft voorgelicht over welke behandelingen, mede op grond van de adviezen uit de MDO’s, voor hem wel en niet mogelijk waren. Het college kan niet vaststellen dat de internist de patiënt niet serieus heeft genomen. Dat volgt niet uit het feit dat zij niet aan zijn mondelinge verzoeken om aanvullende diagnostiek is tegemoetgekomen; een arts heeft een eigen verantwoordelijkheid bij het beantwoorden van de vraag of de inzet van onderzoeksmethoden en behandelingen aangewezen is. Verder is gebleken dat de internist verschillende verzoeken van klager in e-mails om op korte termijn in een MDO te worden besproken heeft gevolgd. Zij heeft ook meegewerkt aan het verkrijgen van een second opinion door klager in L. De omstandigheid dat de internist niet alle e-mails van de patiënt heeft beantwoord, maakt naar het oordeel van het college evenmin dat zij hem niet serieus heeft genomen. Dit is ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

5.15 Klachtonderdeel e) is ongegrond.

Klachtonderdeel f) manipulatie en misleiding in medisch dossier
5.16 Volgens het klaagschrift heeft de internist in het medische dossier van de patiënt ten onrechte vermeld dat hij deelnam aan de FIGHT-302-studie. Hij had uitsluitend getekend voor de pre-screening en had bij het eerste consult op 26 juni 2023 geen interesse in de FIGHT-302-studie. Zijn voorkeur ging uit naar een chemopomp, omdat volgens de internist een operatie niet mogelijk was. Ook heeft de internist niets over een chemopomp opgenomen in zijn medische dossier. Verder heeft zij cruciale medische keuzes en verzoeken niet genoteerd of verdraaid; pas na de second opinion uit het L vond het consult bij de chirurg plaats, waardoor onnodig veel tijd verloren ging.

5.17 Uit het hiervoor onder 3.1 aangehaalde citaat uit de brief van het I aan de huisarts blijkt dat de patiënt had getekend voor de FIGHT-302-studie. De internist heeft nog toegelicht dat dit inderdaad ging om het informed consent-formulier voor deelname aan de screening, omdat alleen bij aanwezigheid van de FGFR-mutatie deelname aan de orde zou kunnen zijn. De uitkomst van die screening liet op zich wachten en voordat die beschikbaar was, is de patiënt begonnen met de chemokuren. Voor de start van de tweede kuur heeft de
internist met de patiënt besproken dat deelname aan de studie na aanvang van de tweede kuur niet meer mogelijk zou zijn. De patiënt heeft gezegd dat hij zich dit realiseerde en akkoord was met de voortzetting van de chemotherapie.

5.18 Gelet op de informatie vanuit het I acht het college het juist dat de internist de consequenties van de start met de tweede chemokuur met de patiënt heeft besproken. De internist kon het feit dat hij het informed consent-formulier voor de screening had getekend, redelijkerwijs zo opvatten dat het zijn bedoeling was deel te nemen aan de FIGHT-302-studie als de FGFR-mutatie er zou blijken te zijn. Het college ziet niet waarom hierbij sprake zou zijn van misleiding of manipulatie van het dossier. Omtrent de vermelding van de chemopomp in het dossier verwijst het college naar wat daarover hiervoor onder 5.6 is overwogen. Verder blijkt uit het dossier duidelijk dat de chirurg en de internist in onderling overleg op 14 november 2023 tot een diagnostische laparoscopie hebben besloten en dat de patiënt pas op 23 november 2023 het gelijkluidende advies uit het K met de internist heeft besproken.

5.19 Ook dit klachtonderdeel is ongegrond. Slotsom

5.20 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door N.B. Verkleij, voorzitter, A.P. den Exter, lid-jurist, R.J. Klicks, D.J.A. Sonneveld en C.M.F. Kruijtzer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.