ECLI:NL:TGZRAMS:2026:104 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8565

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:104
Datum uitspraak: 08-05-2026
Datum publicatie: 08-05-2026
Zaaknummer(s): A2025/8565
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klaagster verwijt de klinisch psycholoog dat zij ten onrechte is behandeld voor een persoonlijkheidsstoornis zonder dat een diagnose is gesteld en zonder haar toestemming. De klinisch psycholoog is op basis van een zorgvuldige afweging tot de diagnose gekomen en heeft het diffuse karakter van de problematiek van klaagster in acht genomen. Geen sprake van een onjuiste declaratie. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

A2025/8565
Beslissing van 8 mei 2026

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 8 mei 2026 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klaagster,

tegen

C,
klinisch psycholoog,
werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de klinisch psycholoog,
gemachtigde: mr. V.C.A.A.V. Daniels, werkzaam te Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster verwijt de klinisch psycholoog dat zij ten onrechte behandeld is voor een persoonlijkheidsstoornis zonder dat een diagnose is gesteld, zonder haar toestemming en dat een melding van stalking structureel genegeerd is.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 3 juni 2025;
- het aanvullende klaagschrift met bijlage, ontvangen op 28 juli 2025;
- het verweerschrift met bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 20 januari 2026.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan heeft verweerster met haar gemachtigde gebruik gemaakt en klaagster niet.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder aanwezigheid van partijen.

3. De feiten
3.1 Verweerster werkt als klinisch psycholoog bij D. Klaagster is op 9 september 2022 door haar huisarts verwezen naar de polikliniek persoonlijkheidsstoornissen van D, vanwege het vermoeden van een persoonlijkheidsstoornis. In de verwijsbrief van deze datum staat (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven): “Graag uw diagnostiek en behandeling binnen de S-GGZ (…) Vermoeden DSM 5 stoornis(sen) Persoonlijkheidsstoornis.

3.2 Klaagster heeft over deze verwijzing eerder een klacht tegen haar huisarts ingediend, waarin zij onder meer geklaagd heeft dat de huisarts haar zonder een voor haar bekende reden heeft doorgestuurd naar D en dat de informatie die in de verwijsbrief staat niet juist is. In een beslissing van 18 november 2025 (met registratienummer A2025/8395) is deze klacht kennelijk ongegrond verklaard en heeft het college daarover het volgende geoordeeld: “(…) geeft de verwijsbrief enkel aan dat er een vermoeden is van een persoonlijkheidsstoornis. (…) Het college stelt vast dat in het medisch dossier staat beschreven dat klaagster op 2 september 2022 openstond voor een doorverwijzing en dat deze doorverwijzing, met daarin opgenomen het vermoeden van een persoonlijkheidsstoornis, ook met haar is besproken. (…) Dat klaagster zou worden verwezen voor hulp tegen een stalker ligt niet voor de hand, omdat dergelijke hulp niet door de GGZ (of andere zorgverleners) kan worden verleend. (…)“

3.3 Op 29 september 2022 is door een GZ-psycholoog in opleiding een intake bij klaagster afgenomen. In het intakeverslag is opgenomen: “Clte gezien voor intake (…) Pas na een kwartier lukt het om iets te zeggen (…) Cl kan opvallend makkelijk over anderen praten en is sterk gefocust tot in detail te vertellen over de stalking door haar ex-vriend. Ze lijkt het wat moeilijker om stil te staan bij zichzelf en woorden te geven aan gedachten en emoties. Naar het lijkt weinig reflectie/introspectie vooralsnog,. (…)

3.4 Daarna heeft bij de klinisch psycholoog op 5 en 7 oktober 2022 een semi-gestructureerd interview plaatsgevonden met als doel te onderzoeken of sprake was van een persoonlijkheidsstoornis. In het hiervan opgemaakte verslag is bij de beschrijvende diagnose na intake opgenomen: “(…) Zij is verwezen door de huisarts ivm stemmingsproblematiek, suïcidaliteit (…) een relatiebreuk en verlies van haar nieuwe baan. Daarbij speelt een actuele stalking door haar mishandelende vorige ex-partner. (…) Patiënte wenst hulp bij het verwerken van gevoelens van verdriet en een sombere stemming.(…)” In het verslag is als conclusie opgenomen: “De huidige conclusie wordt met enige voorzichtigheid getrokken. Want hoewel op basis van het SCID-5-P interview onvoldoende betrouwbare diagnostiek kan worden gedaan om een persoonlijkheidsstoornis te diagnosticeren (…) stellen wij voorlopig toch een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis vast met voornamelijk trekken van de borderline persoonlijkheidsstoornis. (…) Voorstel is om deze diagnose met behulp van procesdiagnostiek te evalueren.

3.5 Op 2 november 2022 heeft de klinisch psycholoog de uitkomsten van het onderzoek met klaagster besproken. In het hiervan opgemaakte verslag staat: “Met Pte. Diagnostiek besproken en uitgelegd waarom ik toch uitkom op een Ongespecificeerde Persoonlijkheidsstoornis. (…) Hoewel zij enige twijfel uitspreekt over deze diagnose, legt zij zich er, na uitgebreidere uitleg, uiteindelijk bij neer.

3.6 Klaagster is vervolgens verwezen naar het Sociale Psychiatrie Team van de polikliniek persoonlijkheidsstoornissen. Deze verwijzing en een voorlopig behandelplan is op 14 december 2022 door de klinisch psycholoog met klaagster besproken. In het hiervan opgemaakt rapport is te lezen: “(…) Behandelaar De diagnostiek is complex en zal gedurende de behandeling worden geevalueerd. Patiente wordt behandeld bij het SP-team van de poli persoonlijkheidsstoornissen (…).” En aan het einde van dit rapport staat: “(…) Vastgesteld op 14 december 2022 (…) Instemming patiënt Wel (…)”

3.7 Uit de op 21 oktober 2024 aangepaste ontslagbrief blijkt dat de behandeling door de GGZ-agoog na enkele gesprekken rond april 2023 is beëindigd omdat klaagster sinds 2023 onverzekerd was en er geen contact met haar meer was.

4. De klacht en de reactie van de klinisch psycholoog
4.1 Klaagster verwijt de klinisch psycholoog met name dat zij:
a) klaagster ten onrechte heeft behandeld voor een persoonlijkheidsstoornis, zonder diagnose of toestemming;
b) de melding van stalking structureel genegeerd heeft;
c) de eerdere klacht alleen is afgehandeld met een aangepaste ontslagbrief;
d) er een onjuiste declaratie naar de zorgverzekeraar is gegaan.

4.2 Verder klaagt klaagster over ‘onprofessioneel gedrag behandelaar’. Uit de toelichting van klaagster bij deze klacht leidt het college af dat dit gaat over het te laat verschijnen op afspraken, maar dat dit alleen ziet op het handelen van de GGZ-agoog tegen wie klaagster ook een klacht heeft ingediend. Niet gesteld of gebleken is dat dit verwijt ook over de klinisch psycholoog gaat, zodat dit klachtonderdeel verder niet besproken zal worden.

4.3 De klinisch psycholoog heeft het college verzocht de klacht in al haar onderdelen
(kennelijk) ongegrond te verklaren.

4.4 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?

5.1 De vraag is of de klinisch psycholoog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende klinisch psycholoog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de klinisch psycholoog geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2 Het college oordeelt dat de klinisch psycholoog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en zal hierna de klachtonderdelen bespreken.

Klachtonderdelen a) en b) ten onrechte behandelen voor een persoonlijkheidsstoornis, zonder diagnose of toestemming en structureel de melding van stalking negeren

5.3 De klachtonderdelen a en b zien beide op het stellen van de diagnose door de klinisch psycholoog en worden daarom gezamenlijk behandeld.

5.4 Klaagster licht haar klacht als volgt toe. Zij heeft, na de doorverwijzing in 2022 door haar huisarts, de klinisch psycholoog tijdens meerdere sessies duidelijk te kennen gegeven dat haar hulpvraag draaide om ondersteuning bij de acute en traumatische situatie rondom de stalkingzaak waarbij klaagster werd bedreigd en fysiek aangevallen. Desondanks werd zij zonder toestemming, diagnostische onderbouwing en niet overeenkomend met haar hulpvraag ingedeeld in een behandeltraject voor persoonlijkheidsstoornissen en heeft zij geen passende zorg gekregen.

5.5 De klinisch psycholoog heeft verweer gevoerd en opgemerkt dat klaagster door de huisarts is verwezen met het vermoeden van een persoonlijkheidsstoornis. Tijdens het semi-gestructureerde interview dat zij met klaagster heeft gevoerd, bleek het moeilijk om het onderscheid te maken in hoeverre de problematiek van klaagster te begrijpen was vanuit persoonlijkheidsproblematiek, dan wel vanuit acute stressfactoren zoals de stalking. Daarom heeft zij de voorlopige werkdiagnose ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis gesteld, met uitdrukkelijk in acht genomen voorzichtigheid en het voorstel om deze diagnose met behulp van procesdiagnostiek te evalueren. Dit is besproken met klaagster en zij is hiermee uiteindelijk akkoord gegaan, waarna een behandelplan is opgesteld. Tijdens het vooronderzoek heeft de klinisch psycholoog opgemerkt dat als zij geen werkdiagnose voor klaagster had gesteld, klaagster niet bij hen in behandeling had kunnen komen. Ook heeft zij toegevoegd dat zij klaagsters melding over stalking niet genegeerd heeft en dat de behandeling ook gericht was op het ondersteunen van klaagster in haar reactie op deze stalking en dat deze hulpverlening niet zag op praktische zaken zoals aangifte bij de politie.

5.6 Het college stelt vast dat de weergave door de klinisch psycholoog van de gang van zaken strookt met de overgelegde dossierstukken, die niet zijn weersproken door klaagster. Het college oordeelt dat de basis waarop de voorlopige werkdiagnose berust voldoende is, dat de klinisch psycholoog op basis van een zorgvuldige afweging tot deze diagnose is gekomen en dat een redelijk handelend beroepsgenoot in de gegeven omstandigheden deze
diagnose kon stellen. Het college neemt daarbij in aanmerking dat de klinisch psycholoog met de nodige voorzichtigheid het diffuse karakter van de problematiek van klaagster in acht heeft genomen, waarbij zij uitdrukkelijk evaluatie en dus de mogelijkheid van bijstelling van deze diagnose met behulp van procesdiagnostiek in het vervolg van de behandeling heeft ingebouwd. Ook heeft de klinisch psycholoog bij het stellen van deze voorlopige werkdiagnose terecht meegewogen dat zonder een werkdiagnose klaagster verstoken zou blijven van behandeling bij deze instelling, terwijl zij duidelijk wel dringend hulp nodig had. Het verwijt dat zij de specifieke en acute hulpvraag van klaagster vanwege stalking genegeerd heeft, is betwist door de klinisch psycholoog zoals hiervoor is beschreven. Bovendien blijkt uit het dossier dat de klinisch psycholoog de acute factor van de stalking expliciet heeft meegewogen om te komen tot haar voorlopige werkdiagnose. Het college heeft dan ook onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat dit verwijt niet slaagt. Verder merkt het college op dat de redelijkerwijs door klaagster te verwachten hulpverlening door de klinisch psycholoog, anders dan klaagster mogelijk meent, niet kon zien op slachtofferhulp in praktische zin, zoals het doen van aangifte. De klachtonderdelen a en b zijn daarom ongegrond.

Klachtonderdeel c) eerdere klacht alleen afgehandeld met aangepaste ontslagbrief
5.7 Klaagster heeft opgemerkt dat zij naar aanleiding van haar eerdere klacht met kenmerk A2025/8395 alleen een aangepaste ontslagbrief terugkreeg, zonder inhoudelijke reactie op de kern van de klacht.

5.8 De klinisch psycholoog heeft ter verweer aangevoerd dat zij in haar eerdere brief op alle inhoudelijke aspecten van de klacht is ingegaan. Zij bestrijdt dat zij op deze klacht slechts zou hebben gereageerd met een aangepaste ontslagbrief.

5.9 Het college stelt vast dat de eerdere klacht waarover klaagster spreekt, een klacht tegen de huisarts betreft, die met een eindbeslissing van 18 november 2025 door het college is afgesloten. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel d) onjuiste declaratie 5.10 Klaagster stelt dat een declaratie bij haar zorgverzekering is ingediend voor een persoonlijkheidsstoornis traject. Omdat deze diagnose onjuist is, vindt zij deze declaratie onterecht. 5.11 De klinisch psycholoog heeft toegelicht dat er geen sprake is geweest van een onjuiste declaratie of ten onrechte in rekening gebrachte kosten. 5.12 In overweging 5.6 is door het college vastgesteld dat de klinisch psycholoog geen onjuiste (werk)diagnose heeft vastgesteld. Hieruit volgt dat aan de klacht van klaagster over de declaratie een feitelijke grondslag ontbreekt. Klachtonderdeel d is daarmee ook ongegrond.


Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

5 De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 8 mei 2026 door P.J. van Eekeren, voorzitter, Y. Sneevliet, lid-jurist, A.T. Prinsen-Reinders, A. van Dijke en S.M. van Es, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.