ECLI:NL:TGZRAMS:2026:100 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9498
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:100 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-04-2026 |
| Datum publicatie: | 30-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2026/9498 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Het klaagschrift en de bijgevoegde bijlagen geven de voorzitter geen aanknopingspunten om te oordelen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klagers hebben de klachten niet concreet toegelicht of onderbouwd. Kennelijk ongegrond. |
A2026/9498
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 30 april 2026 naar aanleiding van de klacht van:
A,
en
B,
wonende te C, klagers,
tegen
D,
psychiater, werkzaam te C,
verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. L.F. Brakel, werkzaam te Amsterdam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 december 2025;
- de aanvulling op het klaagschrift per e-mail van 18 januari 2026;
- het verweerschrift.
2. Waar gaat de zaak over?
2.1 Klaagster is als patiënte opgenomen geweest in de kliniek waar verweerder
werkzaam is.
Verweerder was als psychiater en regiebehandelaar betrokken bij de zorg voor klaagster.
Klager is
een vriend van klaagster. Klager en de psychiater hebben elkaar nooit gezien of
gesproken. Klagers
hebben meerdere klachten over het handelen van de psychiater gedurende het verblijf
en de
behandeling van klaagster in de kliniek.
2.2 Klagers verwijten de psychiater:
1. Schending van het recht op lichamelijke integriteit en informed consent;
2. Handelen op basis van aantoonbare onwaarheden en niet-geverifieerde aannames;
3. Structurele schending van het recht op perspectief en een menswaardig bestaan;
4. Psychische schade en hertraumatisering;
5. Gebrek aan reflectie, toetsing en verantwoording.
2.3 De psychiater heeft verweer gevoerd en verzocht de klacht in al haar onderdelen
ongegrond te
verklaren.
3. De overwegingen
Klachtonderdeel 1, 2 en 4
3.1 Volgens klagers heeft de psychiater zonder medische noodzaak en zonder geïnformeerde
toestemming van klaagster aan haar verplichte anticonceptie opgelegd op basis van
aannames dat
klager haar ‘wel zou gaan verkrachten’. Deze ernstige beschuldiging heeft de psychiater
volgens
klagers geuit zonder enig persoonlijk contact met klager.
De ‘interventie’ zoals klagers het noemen (het verplicht opleggen van anticonceptie)
heeft geleid
tot een snelle gewichtstoename bij klaagster en het verlies over regie van haar
eigen lichaam. Mede
vanwege een voorgeschiedenis van misbruik en eetstoornissen heeft deze interventie
haar psychisch
lijden verergerd, aldus klagers.
3.2 De psychiater verklaart dat hij geen rol heeft gehad bij het voorschrijven van
anticonceptie
of bij de advisering daarvan. Dat is de rol van de huisarts binnen de kliniek. Daarbij
merkt hij op
dat het gebruik van anticonceptie altijd een vrijwillige keuze is, waar cliënten
zelf de regie over
hebben. De psychiater ontkent dat hij klager zou hebben beschuldigd van verkrachting
van klaagster.
Het is hem onduidelijk waar deze overtuiging bij klagers vandaan komt.
3.3 De voorzitter overweegt dat hij niet kan vaststellen dat de psychiater de door
klagers
gestelde handelingen zou hebben verricht. De psychiater ontkent dat dit zo is en
klagers hebben
deze (zware) beschuldigingen niet concreet toegelicht of onderbouwd. Dit betekent
dat de voorzitter
ook niet kan vaststellen dat de psychiater tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft heeft
gehandeld.
3.4 De klachtonderdelen 1, 2 en 4 zijn daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 3
3.5 Klagers stellen dat klaagster inmiddels circa tweeënhalf jaar in een gesloten
setting
verblijft zonder dat een ‘consistente of eensluidende’ diagnose bekend is en zonder
behandelperspectief. Volgens klagers is er sprake van een vrijheidsbeperking zonder
dat verbetering
of herstel centraal staat.
3.6 De psychiater weerspreekt dat er sprake is van een verblijf van tweeënhalf jaar
in een
gesloten setting. Klaagster werd onder een lopende zorgmachtiging op 18 februari
2025 opgenomen op
de High & Intensive Care Unit van de kliniek waar de psychiater werkzaam is en op
31 oktober 2025
is klaagster overgeplaatst naar de Medium Care afdeling (MC). Op de MC zijn cliënten
vrij om te
gaan en staan waar zij willen, mits zij voor 22:00 uur binnen zijn. Volgens de psychiater
had
klaagster ook voorafgaand aan haar overplaatsing naar de MC al vrijheden, zoals
de mogelijkheid om
zelfstandig te gaan wandelen. Daarnaast wordt vanaf het begin van de opname van
klaagster dezelfde
diagnose gehanteerd, luidende ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere
psychotische stoornis met katatonie, PTSS bij o.a. seksueel misbruik, anorexia nervosa
en verdenking op een Autisme Spectrum Stoornis. De
psychiater heeft aangevoerd dat klaagster elke dag is vooruitgegaan en in januari
2026 is aangemeld
voor een vervolgplek; een volledig open kliniek waar zij verder kan werken aan begeleid
of
zelfstandig wonen in de nabije toekomst.
3.7 De voorzitter stelt voorop dat dit verwijt van klagers dat sprake zou zijn van
structurele
schending van het recht op perspectief en een menswaardig bestaan zeer algemeen
is geformuleerd.
Klagers hebben niet concreet gemaakt wat zij de psychiater persoonlijk verwijten.
Nog afgezien van
de vraag of het klopt dat klaagster sinds medio 2023 in ‘een gesloten setting’ verblijft,
heeft de
psychiater verklaard dat hij pas sinds 18 februari 2025 bij de zorg voor klaagster
is betrokken. De
voorzitter heeft geen aanleiding om dit in twijfel te trekken. De psychiater kan
tuchtrechtelijk
geen verwijt worden gemaakt van wat is voorgevallen voor de datum waarop hij zorg
is gaan verlenen
aan klaagster, zodat gebeurtenissen van vóór 18 februari 2025 buiten beschouwing
moeten blijven.
Ook verder volgt uit de toelichting van de psychiater dat er geen sprake is van
een
vrijheidsbeperking zonder dat verbetering centraal staat. Klagers hebben dit algemene
verwijt niet
concreet toegelicht of onderbouwd.
3.8 Het voorgaande betekent dat ook klachtonderdeel 3 kennelijk ongegrond is.
Klachtonderdeel 5
3.9 Volgens klagers presenteert de psychiater de behandeling van klaagster publiekelijk
als een
succes, zonder dit te verifiëren bij klaagster en zonder ruimte voor tegenspraak.
Dit duidt volgens
klagers op een gebrek aan professionele zelfreflectie, misbruik van machtspositie
en onvoldoende
erkenning van de stem van de patiënt. In de bijlage bij het klaagschrift hebben
klagers dit verwijt
nader toegelicht en stellen zij dat de psychiater op 17 december 2025, in het bijzijn
van de
patiëntenvertrouwenspersoon en de pastoor van klaagster, verklaard heeft dat het
“dankzij zijn
geweldige zorg zo goed met betrokkene gaat”.
3.10 De psychiater herkent zich er niet in dat hij de situatie publiekelijk presenteert
als
succes. Dat hij op 17 december 2025 gezegd heeft dat het beter gaat met klaagster
zou goed kunnen;
hij is als behandelaar ook blij dat het beter gaat met klaagster, aldus de psychiater.
Verder
verklaart de psychiater dat bij elke behandelevaluatie ook geëvalueerd wordt hoe
klaagster het zelf
vindt gaan, dus dat zij wel degelijk gehoord wordt.
3.11 Wat betreft het gesprek op 17 december 2025 overweegt de voorzitter dat hij
niet kan
vaststellen of de psychiater in dat gesprek iets heeft gezegd wat in de gegeven
omstandigheden niet
gepast was. Klagers en de psychiater hebben een verschillende lezing van wat er
is gezegd tijdens
dat gesprek en de voorzitter kan niet bepalen welke versie de juiste is. De voorzitter
was immers
niet bij dat gesprek aanwezig, en in de stukken zijn geen aanwijzingen te vinden
die één van beide
versies ondersteunen. Daar komt bij dat een uitspraak of een gedraging anders bij
iemand kan aankomen dan hij is bedoeld. Voor het overige hebben klagers hun verwijt
dat er bij de psychiater sprake is van een gebrek aan
zelfreflectie en/of misbruik van zijn machtspositie niet geconcretiseerd of onderbouwd.
3.12 Klachtonderdeel 5 is daarom kennelijk ongegrond.
3.13 Tot slot merkt de voorzitter op dat in bijlage 1 bij het klaagschrift door klagers
onder
andere nog gesteld wordt dat klaagster door de psychiater zou zijn geïntimideerd,
dat de psychiater
met de huisarts van klaagster over klager zou hebben gesproken, dat klaagster verplicht
wordt om
verslavende slaappillen te slikken, dat haar tweeënhalf jaar lang niet gemeld is
dat zij recht
heeft op een onafhankelijke second opinion en dat klagers tot op heden geen toegang
hebben gekregen
tot het medisch dossier van klaagster ondanks verzoek daartoe. Voor zover klagers
met deze
stellingen in de bijlage bedoeld hebben dit als zelfstandige verwijten over de psychiater
naar
voren te brengen, overweegt de voorzitter dat deze verwijten allen door de psychiater
zijn
weersproken en dat deze verwijten verder niet zijn onderbouwd. Zodat ook deze klachtonderdelen,
voor zover daarvan sprake is, kennelijk ongegrond zijn.
Slotsom
3.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
4. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 30 april 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.