ECLI:NL:TGZCTG:2026:90 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2892

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:90
Datum uitspraak: 29-04-2026
Datum publicatie: 29-04-2026
Zaaknummer(s): C2025/2892
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Verzet tegen een voorzittersbeslissing in de zaak tegen een uroloog. De echtgenote van klager was onder behandeling bij de uroloog. Klager verwijt de uroloog dat er sprake is van verspilling van medicatie en het onnodig op kosten jagen. Tevens klaagt hij erover dat hij aan het lijntje is gehouden door patiëntenbelang, dat hij van het kastje naar de muur werd gestuurd toen zijn echtgenote incontinentiemateriaal nodig had en dat hij voor paal stond bij de apotheek. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager voor een gedeelte kennelijk niet ontvankelijk in de klacht verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard.  De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep van klager afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het door klager ingestelde verzet ongegrond.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing op het verzet onder nummer C2025/2892 van:

A., wonende te B.,

appellant, klager in eerste aanleg,

hierna: klager,

tegen

C., uroloog,

(destijds) werkzaam te D.,

verweerder in beide instanties,

hierna: de uroloog,

gemachtigde: mr. H.B.M. Vrieling, werkzaam te Utrecht.           

1.         Verloop van de procedure

1.1       Klager heeft op 18 november 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in ‘s-Hertogenbosch een klacht ingediend tegen de uroloog. Bij beslissing van 25 juni 2025, onder nummer H2024/7814 heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond verklaard.

1.2    Klager heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 15 augustus 2025 het beroep afgewezen. De beslissing van de voorzitter is als bijlage aan deze beslissing gehecht. Tegen deze beslissing heeft klager verzet aangetekend.

1.3    Het verzet is op de zitting van 1 april 2026 behandeld. Klager was daar aanwezig. Namens de uroloog was zijn gemachtigde aanwezig.  

2.         Beoordeling van het verzet

2.1       De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft in de beslissing van 15 augustus 2025 het volgende overwogen:

“5.1     Klager is het niet eens met de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. Klager wijst erop dat in de wet BIG staat dat ook derden een klacht kunnen indienen en dat hij belang heeft bij de procedure omdat zijn echtgenote en hij op kosten zijn gejaagd en omdat de gang van zaken veel stress heeft opgeleverd. Hij vraagt het Centraal Tuchtcollege om de klacht opnieuw te beoordelen en deze alsnog gegrond te verklaren.

5.2       De voorzitter stelt voorop dat zij begrijpt dat de medische behandeling van de echtgenote stress oplevert voor hen beiden en dat hier ook kosten mee gemoeid zijn. De voorzitter heeft hier oog voor maar zal op een zakelijke wijze over de klacht moeten oordelen. Het doel van het tuchtrecht is het bevorderen van de kwaliteit van de gezondheidszorg. De wet BIG geeft de tuchtcollege niet de bevoegdheid om te oordelen over een financiële tegemoetkoming en/of een schadevergoeding.

5.3       In artikel 65 van de Wet op de Beroepen in de Gezondheidszorg (wet BIG) staat dat een rechtstreeks belanghebbende bevoegd is om een tuchtklacht in te dienen. Als echtgenoot van de patiënt is klager klachtgerechtigd voor zover hij zelf door het handelen of nalaten van een zorgverlener is geschaad in een eigen belang op het gebied van de individuele gezondheidszorg.

5.4       De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is het met de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege eens dat klager met betrekking tot de klachtonderdelen 1, 3, 4 en 5 geen concreet eigen belang heeft dat ligt op het gebied van de individuele gezondheidszorg. De voorzitter neemt het oordeel van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege en de onderbouwing daarvan over.

5.5       De voorzitter overweegt over deze klachtonderdelen nog ten overvloede dat een zorgverlener uitsluitend verantwoordelijk gesteld kan worden voor zijn eigen handelen of nalaten. De uroloog heeft geen betrokkenheid gehad bij de klachtonderdelen 1, 4 en 5. Dit leidt ertoe dat deze klachtonderdelen ook als klager wel in zijn klachten ontvangen kon worden niet gegrond verklaard kunnen worden.

In klachtonderdeel 3 verwijt klager de uroloog dat hij onnodig pijnstillers heeft voorgeschreven en dat zijn echtgenote drie dagen te lang in het ziekenhuis heeft verbleven. Dit betreft klachten over de behandeling van zijn echtgenote terwijl klager de klacht namens zichzelf heeft ingediend. Ook daarom kan klager niet in deze klacht worden ontvangen. Volledigheidshalve merkt de voorzitter hierbij op dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat de uroloog tekort is geschoten of dat de echtgenote van klager ontevreden is over de wijze waarop de uroloog de behandeling vormgeeft.

5.6       In klachtonderdeel 2 verwijt klager de uroloog dat klager van het kastje naar de muur werd gestuurd toen zijn echtgenote incontinentiemateriaal nodig had. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel terecht overwogen dat klager heeft gesteld dat hij een mevrouw van de afdeling urologie hierover had gesproken en niet de uroloog. Het dossier biedt ook geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de uroloog hier enige betrokkenheid bij had. De voorzitter neemt daarom het oordeel van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege en de onderbouwing hiervan over.   

5.7       Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt daarom afgewezen.’’  

2.2       Klager is het niet eens met deze beslissing van de voorzitter. Klager stelt - kort samengevat - dat hij als belanghebbende wel gerechtigd is om een klacht in te dienen, en dat de uroloog een indicatie heeft gemist waardoor klager en zijn vrouw met hoge kosten voor incontinentiemateriaal werden geconfronteerd.

2.3       Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg, het beroepschrift, een e-mailbericht van klager van 4 augustus 2025, het verzetschrift en e-mailberichten van klager van 9 januari 2026, 20 februari 2026 en 27 februari 2026. Het college heeft alle in het dossier aanwezige stukken gelezen.

2.4       Een verzet is gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerd toetsingskader heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

2.5       Het Centraal Tuchtcollege acht het verzet ongegrond. In de beslissing van de voorzitter staat duidelijk vermeld dat zij kennis heeft genomen van de dossierstukken. De voorzitter heeft alle relevante feiten en omstandigheden meegewogen. Ook heeft zij ten aanzien van de ontvankelijkheid van klager het juiste toetsingskader toegepast. Omdat de behandeling van het verzet ook verder geen nieuwe gezichtspunten heeft opgeleverd, is er geen plaats voor een nadere inhoudelijke beoordeling van de klacht. Het Centraal Tuchtcollege zal het verzet daarom ongegrond verklaren.

3.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:                                                                                                 verklaart het verzet ongegrond.

Deze beslissing is genomen door: C.H.M. van Altena, voorzitter, B.J.M. Frederiks en R.A. van der Pol, leden-juristen en J.J. de Jong en G.L. van der Luit, leden-beroepsgenoten en bijgestaan door E. van der Linde, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 29 april 2026.

            Voorzitter   w.g.                                                          Secretaris  w.g.