ECLI:NL:TGZCTG:2026:82 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2656
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:82 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-04-2026 |
| Datum publicatie: | 16-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2024/2656 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | . |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 63 Wet BIG, in de zaak onder nummer C2024/2656 ingediend door:
A.,
wonende te B.,
hierna: verzoeker.
1. Verloop van de procedure
1.1 Verzoeker heeft op 18 december 2023 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam
tegen een orthopedisch chirurg - hierna de arts - een klacht ingediend. De klacht
ziet op een door de arts in opdracht van de rechtbank opgemaakt deskundigenrapport.
Verzoeker heeft bezwaren tegen de wijze waarop het rapport tot stand is gekomen. Bij
beslissing van 22 november 2024, onder nummer A2023/6735, heeft het Regionaal Tuchtcollege
de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard.
1.2 Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen die beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
In
beroep wordt deze zaak aangeduid met zaaknummer C2024/2656. De arts heeft een verweerschrift
in beroep ingediend. Vervolgens is de behandeling van de zaak gepland op de zitting
van 7 juli 2025. In de definitieve uitnodiging voor die zitting stond vermeld hoe
het college op de zitting van 7 juli 2025 zou zijn samengesteld. Verzoeker heeft op
3 juli 2025 de wraking verzocht van de leden-beroepsgenoten. Bij beslissing van 25
augustus 2025 is dit wrakingsverzoek met zaaknummer C2025/2867 afgewezen en is de
behandeling van de hoofdzaak voortgezet.
1.3 De zaak is opnieuw op een openbare zitting van het Centraal Tuchtcollege gepland, namelijk op 6 mei 2026. Verzoeker is het niet eens met de beslissing van de voorzitter om zijn aanhoudingsverzoek voor deze zitting af te wijzen. Verzoeker heeft op 5 maart 2026 een wrakingsverzoek ingediend bij de wrakingskamer van het Centraal Tuchtcollege tegen de voorzitter, de heer E.J. Daalder.
1.4 Hierop is een wrakingskamer samengesteld bestaande uit de leden R.C.A.M. Philippart,
voorzitter, en R.A. Boon en T. Dompeling, leden-juristen, bijgestaan door C.J.M. Manders,
secretaris. Aan de wrakingszaak is het zaaknummer C2026/3177 toegekend. Voorzitter
E.J. Daalder heeft schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking en heeft aangegeven
niet te berusten in de wraking. Op 25 maart 2026 is het wrakingsverzoek op een openbare
zitting behandeld. Verzoeker en E.J. Daalder zijn met bericht van verhindering niet
op de zitting verschenen. In de vooraf door verzoeker toegestuurde spreekaantekeningen
heeft hij zijn wrakingsverzoek nader toegelicht. Deze spreekaantekeningen zijn aan
het dossier toegevoegd.
1.5 De wrakingskamer heeft op de zitting mondeling uitspraak gedaan en het wrakingsverzoek afgewezen. Deze uitspraak bevat de nadere motivering van deze uitspraak.
2. Beoordeling van het verzoek tot wraking
2.1 De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het wrakingsverzoek van 5 maart
2025 en de toegezonden spreekaantekeningen. Verzoeker voert aan dat bij de voorzitter
mr. E.J. Daalder (hierna de voorzitter) sprake is van partijdigheid en vooringenomenheid
jegens hem. Deze partijdigheid en vooringenomenheid volgt, kort gezegd, uit de onzorgvuldige
beoordeling van de belangen van verzoeker bij zijn verzoek om een nieuwe zittingsdatum
te bepalen.
2.2 De voorzitter schrijft, kort samengevat, in zijn reactie dat hij bij de beoordeling van het verzoek om de behandeling van de zaak uit te stellen alle belangen heeft gewogen en dat de beslissing tot afwijzing van dit verzoek een procesbeslissing is. Volgens vaste rechtspraak kan een procesbeslissing geen reden vormen voor een wraking.
2.3 Op grond van artikel 63 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
(Wet BIG) kan een lid van een tuchtcollege worden gewraakt indien er sprake is van
feiten of
omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Aan de orde is
de vraag of hiervan bij de behandeling van de klacht van verzoeker in beroep, in
de zaak
C2024/2656, sprake is. Uitgangspunt is dat een lid van het Centraal Tuchtcollege
uit
hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich
uitzonderlijke
omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel
dat het lid jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een
partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
2.4 Van een zodanige uitzonderlijke omstandigheid is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken. Daarbij wordt overwogen dat de beslissing op het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak op 6 mei 2026 een procesbeslissing is die samenhangt met het bewaken van de voortgang van de procedure als geheel. Wraking is niet bedoeld als verkapt rechtsmiddel tegen dergelijke beslissingen. De vraag of een procesbeslissing al dan niet juist is, staat niet ter beoordeling in de wrakingsprocedure. De motivering van een procesbeslissing kan geen grond vormen voor wraking, ook niet indien wordt aangevoerd dat die motivering onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier zou zijn of een motivering ontbreekt. Dit is alleen anders als de motivering van de procesbeslissing gelet op alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die deze beslissing heeft genomen.
2.5 De voorzitter heeft in de brief van 19 februari 2026 de afwijzing van het aanhoudingsverzoek als volgt gemotiveerd. “Vastgesteld wordt dat deze zaak al lang loopt en het is in het belang van beide partijen dat deze zaak tot een afronding komt. Het feit dat u geen verhinderdata heeft kunnen noemen over de periode vanaf mei 2026 staat er niet aan in de weg om toch een zitting te plannen. Het opvragen van verhinderdata is geen verplichting en daarbij brengt het opvragen van verhinderdata geen garantie met zich dat een zitting niet wordt gepland op een opgegeven verhinderdag. Het plannen van een zitting is bovendien organisatorisch lastig gezien alle agenda’s van partijen maar ook collegeleden. Een nieuw te plannen zitting zou daarom wederom langdurige vertraging opleveren.
Onder deze omstandigheden wegen het belang van een voortvarende behandeling en het belang van de wederpartij in samenhang bezien uiteindelijk zwaarder dan uw belang bij aanhouding van de zitting. In die afweging is ook betrokken dat langdurig verblijf in het buitenland geen reden kan zijn om de behandeling van de zaak aan te houden. Temeer nu de mogelijkheid van digitale deelname blijft bestaan.”
2.6 Deze motivering biedt geen grond voor de conclusie dat de voorzitter jegens
verzoeker vooringenomen is en evenmin dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde
vrees bestaat.
2.7 Concluderend oordeelt de wrakingskamer dat het door verzoeker aangevoerde
geen zwaarwegende redenen oplevert voor (objectiveerbare) twijfel aan de onpartijdigheid
van de gewraakte voorzitter. Dit betekent dat het verzoek tot wraking als ongegrond
wordt afgewezen.
3. Beslissing
De wrakingskamer van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
wijst af het verzoek tot wraking van E.J. Daalder, voorzitter;
bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
beveelt dat de secretaris van de wrakingskamer onverwijlde mededeling doet aan verzoeker, de - vergeefs gewraakte – voorzitter van het zittingscollege en de orthopedisch chirurg.
Deze beslissing is genomen door R.C.A.M. Philippart, voorzitter, R.M. Boon en T. Dompeling,
leden-juristen, bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 25 maart 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.