ECLI:NL:TGZCTG:2026:27 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2811

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:27
Datum uitspraak: 11-02-2026
Datum publicatie: 11-02-2026
Zaaknummer(s): C2025/2811
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: reg
Inhoudsindicatie: .

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2811 van:
A., wonende in B., appellante, klager in eerste aanleg,
hierna: klaagster,

tegen

C., specialist ouderengeneeskunde, werkzaam in B., verweerster in 
beide instanties, hierna: de specialist ouderengeneeskunde,
gemachtigde: mr. N.E. van Uitert, werkzaam in Drachten.

1.    Verloop van de procedure

1.1    Klaagster heeft op 28 augustus 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen de specialist ouderengeneeskunde een klacht ingediend. Bij beslissing van 18 maart 2025, onder nummer Z2024/7559, heeft de voorzitter van dat college klaagster in de klacht kennelijk niet ontvankelijk verklaard, voor zover het betreft de klachtonderdelen 1b, 1c, 1d, 1e 1f, 1g, 2, 3 en 6a tot en met 6g, en de klacht kennelijk ongegrond verklaard voor zover het betreft de klachtonderdelen 1a, 4 en 5.  

1.2    Klaagster is op tijd in beroep gekomen tegen deze beslissing. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep van klaagster bij beslissing van 5 augustus 2025 afgewezen, omdat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. De beslissing van de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing. Tegen deze beslissing heeft klaagster verzet aangetekend. 

1.3    Het verzet is op de zitting van 14 januari 2026 behandeld. Klaagster was daarbij aanwezig en heeft haar standpunt nader toegelicht. De spreekaantekeningen van klaagster zijn aan het dossier toegevoegd. De specialist ouderengeneeskunde is met bericht niet verschenen. 

2.    Beoordeling van het verzet

2.1    Het Centraal Tuchtcollege overweegt over het verzet als volgt. 

2.2    De moeder van klaagster is op 22 juli 2020 overleden. Klaagster is ontevreden over de wijze waarop de specialist ouderengeneeskunde haar moeder heeft behandeld. Daarnaast klaagt zij erover dat zij onvoldoende is geïnformeerd over de zorg aan haar moeder en dat zij onheus is bejegend. 

2.3    De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betreft de klachtonderdelen die betrekking hebben op de behandeling van de moeder van klaagster door de specialist ouderengeneeskunde. Naar het oordeel van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege is er sprake van omstandigheden die ertoe leiden dat het uitgangspunt dat klaagster met haar klachten de wil van haar overleden moeder vertegenwoordigt niet geldt. De overige klachtonderdelen zijn om inhoudelijke redenen ongegrond verklaard. 

2.4    De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft in de beslissing van 5 augustus 2025 het beroep van klaagster tegen deze beslissing afgewezen, omdat het beroep niet zal leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft hierover overwogen: 

“4.5     Naar het oordeel van de voorzitter heeft de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege op goede gronden duidelijk uitgelegd op basis waarvan zij tot het oordeel komt dat er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat het uitgangspunt dat klaagster als dochter de wil van haar moeder vertegenwoordigt niet geldt. De voorzitter neemt dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen over. 
Uit het dossier blijkt duidelijk dat klaagster anders tegen de verleende en benodigde zorg aankeek dan de andere twee dochters en dat er in de periode dat de moeder in de zorginstelling verbleef veelvuldig een verschil van inzicht bestond tussen klaagster en de andere betrokkenen. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de zus van klaagster die tot mentor was benoemd ontevreden was over de zorg. Nu het structurele verschil van inzicht voor de kantonrechter aanleiding was om de zus van klaagster tot mentor te benoemen en vaststaat dat de moeder niet meer in staat was om zelf haar belangen te behartigen, heeft de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege terecht geoordeeld dat klaagster niet-ontvankelijk is in deze klachtonderdelen.

4.6     De klachtonderdelen 6e en 6f hebben betrekking op de communicatie tussen de arts en de zus van klaagster die tot mentor over de moeder was benoemd. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft deze klachtonderdelen terecht niet-ontvankelijk verklaard en de voorzitter neemt dit oordeel en de onderbouwing daarvan over. 

4.7         Klaagster kan wel ontvangen worden in de klachtonderdelen 1a, 4 en 5 omdat deze betrekking hebben op de wijze waarop de arts haar als naaste van de patiënt heeft bejegend. 
Net als de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege is de voorzitter van oordeel dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn. De zus van klaagster was eerste contactpersoon en mentor zodat het aan haar was om klaagster (en de overige familieleden) te informeren over de behandelbeslissingen en andere punten betreffende de zorg.
De klacht dat de arts klaagster onheus heeft bejegend en met stemverheffing heeft gesproken, is door klaagster niet nader onderbouwd en blijkt ook niet uit het dossier zodat deze klacht alleen al daarom niet kan slagen.
 
4.8         Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt daarom afgewezen.” 
    

2.5    Klaagster is het niet eens met deze beslissing van de voorzitter. Zij betoogt primair dat zij wel degelijk kan worden geacht met haar klacht over de behandeling van haar moeder door de specialist ouderengeneeskunde de wil van haar overleden moeder te vertegenwoordigen en dus gerechtigd is om hierover te klagen. Zij voert daartoe in het verzetschrift aan dat zij zeer betrokken was bij de zorg voor haar moeder, veel zaken voor haar regelde en altijd degene was die met haar moeder meeging naar bezoeken aan medisch specialisten. Klaagster wijst er daarbij op dat zij in het levenstestament van haar moeder van maart 2018 tezamen met haar twee zusters tot vertegenwoordiger van haar moeder is benoemd. Zij heeft haar standpunt ter zitting nader toegelicht.

2.6    Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van de behandeling van het verzet tot het oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of klaagster met haar klacht over de behandeling van haar moeder de wil van haar moeder vertegenwoordigt (en dus klachtgerechtigd is) – het noodzakelijk is om beide partijen – dus ook de specialist ouderengeneeskunde - hierover te horen. De specialist ouderengeneeskunde kan mogelijk meer duidelijkheid geven over de feitelijke gang van zaken destijds en over de achtergronden van de benoeming van de zuster van klaagster tot mentor van hun moeder.  

2.7    Uit het vorenstaande volgt dat de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege niet zonder partijen te horen tot het oordeel kon komen dat het beroep van klaagster niet zal leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. Het verzet is dus gegrond. Dit betekent dat de beslissing van de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege van 
5 augustus 2025 komt te vervallen en dat de behandeling van zaak C2025/2811 zal worden voortgezet. Het Centraal Tuchtcollege zal de specialist ouderengeneeskunde vragen om een verweerschrift in het beroep van klaagster in te dienen. 

2.8    Het Centraal Tuchtcollege benadrukt dat het met deze beslissing op het verzet van klaagster nog geen oordeel heeft gegeven over het recht van klaagster om te klagen over de behandeling van haar moeder.

3.    Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verklaart het verzet gegrond; verstaat dat de beslissing van de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege van 5 augustus 2025 komt te vervallen;
bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt voortgezet.

Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter, R. Prakke Nieuwenhuizen en
H. de Hek, leden-juristen, en M.C. Gerritsen-Prins en R.J. van Marum, leden beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 11 februari 2026.
        Voorzitter   w.g.                    Secretaris  w.g.