ECLI:NL:TGZCTG:2026:26 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2757
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:26 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-02-2026 |
| Datum publicatie: | 11-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2757 |
| Onderwerp: | Niet of te laat komen |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | . |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2757 van:
A., psychiater, destijds werkzaam in B., appellant, verweerder in eerste aanleg,
hierna: de psychiater, gemachtigde:
mr. M.J. de Groot, werkzaam in Hilversum,
tegen
C., wonende in B., verweerster in beroep, klaagster in eerste aanleg, hierna: klaagster,
gemachtigde: mr. A.H.M. de Jonge, werkzaam in Leusden.
1. Kern van de zaak
1.1 Klaagster werd al langere tijd behandeld wegens psychiatrische problematiek. Zij is in april 2021 in behandeling gekomen bij het FACT-team van de D.-Groep. De psychiater is gedurende een aantal maanden de regiebehandelaar van klaagster geweest. Klaagster verwijt de psychiater – onder meer – dat hij haar niet heeft verwezen naar een andere instelling en dat hij ervoor heeft gezorgd dat er vertraging in haar behandeling is ontstaan.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft het klachtonderdeel over vertraging in de behandeling gegrond verklaard, de psychiater de maatregel van berisping opgelegd en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn zodat de maatregel van berisping komt te vervallen.
2. Verloop van de procedure
2.1 De psychiater heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam van 24 januari 2025 met nummer A2024/6947 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:20). Klaagster heeft een verweerschrift in beroep ingediend en daarbij incidenteel beroep tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege ingesteld.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier van het Regionaal Tuchtcollege, het beroepschrift van de psychiater, het verweerschrift tevens incidenteel beroepschrift van klaagster, het verweerschrift in incidenteel beroep en een nagekomen stuk van klaagster.
2.3 De zaak is op de zitting van 8 december 2025 behandeld. Klaagster en de psychiater waren beiden aanwezig. Klaagster werd bijgestaan door haar gemachtigde mr. A.H.M. de Jonge en door haar zus, de psychiater werd bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.J. de Groot. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. De spreekaantekeningen van de beide gemachtigden zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.
3.2 Klaagster, geboren in 1975, is als kind ernstig getraumatiseerd geraakt. Vanwege toenemende psychische problemen, vooral dwangproblematiek, maar daarnaast ook persoonlijkheidsproblematiek en alcoholmisbruik, is zij sinds 2001 behandeld in de ggz. Na meerdere opnames en ambulante behandelingen, waaronder cognitieve gedragstherapie en medicatie, werd klaagster in juli 2019 gezien in het E. locatie F. voor een optimalisatie van de medicatie. In het F. bleek dat klaagster een stofwisselingsstoornis had, die invloed had op de wijze waarop haar lichaam de medicatie metaboliseerde. Dit beperkte de mogelijkheden om de dwangstoornis van klaagster medicamenteus te behandelen. Verder werd duidelijk dat klaagster niet in aanmerking kwam voor de behandeling Deep Brain Stimulation. Het F. concludeerde dat een behandeling meer gericht op coping en persoonlijkheid zinvol zou zijn. In de brief aan de huisarts adviseerde het F. daarom een vervolgbehandeling met Acceptance and Commitment Therapy (ACT) en om klaagster hiervoor te verwijzen naar FACT persoonlijksheidsstoornissen.
3.3 De huisarts verwees klaagster vervolgens op 29 september 2020 naar het FACT team van de D.-groep te B. (hierna: het FACT-team) met als reden van verwijzing een ‘ernstig invaliderende obsessieve-compulsieve stoornis (OCS), leidend tot sociaal isolement, alcoholmisbruik, fysieke verwaarlozing en grote wanhoop’.
3.4 De psychiater is zelfstandig gevestigd. In de periode van 26 april 2021 tot en met 29 september 2021 was de psychiater ad interim voor gemiddeld 2,5 dag per week werkzaam bij het FACT-team.
3.5 Op 7 april 2021 vond de intake van klaagster plaats bij het FACT-team. Zij werd gezien door psychiater K. tegen wie ook een klacht is ingediend met kenmerk A2024/6946. Klaagster nam op dat moment geen medicatie. Zij kreeg een casemanager toegewezen, een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige.
3.6 De psychiater werd vanaf 26 april 2021 de regiebehandelaar van klaagster. Er werd gestart met het opbouwen van een behandelrelatie waarbij werd ingezet op het maken van een (crisis)signaleringsplan. Kort na het begin van de behandeling gaf klaagster aan geen vertrouwen te hebben in het FACT-team omdat zij de expertise zouden missen om haar klachten te kunnen behandelen. Op 3 mei 2021 en op 30 juni 2021 heeft de psychiater met klaagster hierover gesproken. Hij heeft op 30 juni 2021 het volgende in het medisch dossier genoteerd:
“ (…) Komt aanvankelijk verdrietig binnen maar het gesprek komt al snel op het spoor
van haar ontevredenheid met de behandeling; ‘er is nog steeds niets gebeurd’. Geeft
aan al van het begin af aan geen vertrouwen te hebben in onze aanpak en behandeling.
Bespreek de onmacht van onze kant dat we blijkbaar niets goed kunnen doen en waardoor
er geen enkele basis is voor een behandelovereenkomst; we kunnen immers niet voldoen
aan haar hulpvraag;
1. het voorschrijven van benzodiazepinen en/of andere medicatie (zo ver zijn we
nog niet, geen indicatie op dit moment), 2. een verwijzing naar een andere instantie
(idem 1; we zijn nog niet aan goede diagnostiek/indicatiestelling toegekomen ivm het
gebrek aan vertrouwen in de behandelrelatie. Een belangrijk breekpunt in het vertrouwen
is onze wens om tot een signaleringsplan te komen om een basale grip te krijgen, en
haar te geven, op de snel uitslaande angst/paniek die regelmatig de kop op steekt.
Conclusie; Er is niet genoeg vertrouwen bij mw en het team dat er tot een werkbare
Behandelovereenkomst kan worden gekomen. Afsluiten na 1 wk tenzij mw alsnog met ons
in gesprek wil”
3.7 Op 9 juli 2021 heeft een andere psychiater van het FACT-team – naar aanleiding
van een telefoongesprek met de huisarts van klaagster – met klaagster gebeld. Klaagster
heeft toen aangegeven dat zij verwezen wilde worden voor een behandeling elders en
verzocht om een opname op een PAAZ-afdeling. Klaagster wilde op dat moment geen verder
contact met het FACT-team. Op 14 juli 2021 belde de zus van klaagster met de psychiater
omdat zij zich ernstige zorgen maakte om klaagster, zij dacht dat klaagster suïcidaal
was. De psychiater heeft toen nogmaals aangeboden om een afspraak te maken om de behandeling
verder op te pakken, maar de zus van klaagster wees dit aanbod af, omdat de situatie
volgens haar op dat moment (al) onhoudbaar was. De psychiater regelde vervolgens een
beoordeling door de crisisdienst. De crisisdienst concludeerde dat de door klaagster
geuite suïcidaliteit instrumenteel werd ingezet en zag geen aanleiding om klaagster
op te nemen. Klaagster werd geadviseerd om contact te leggen met het FACT-team.
3.8 Uiteindelijk werd de behandeling na het gesprek op 30 juni 2021 met instemming van klaagster ambulant voortgezet door de casemanager. Er werd onder andere gewerkt aan een (crisis)signaleringsplan. Ook werden gesprekken opgestart met een gz-psycholoog van het FACT team. Verder werd afgesproken dat er een second opinion zou worden verricht.
3.9 Op 21 juli 2021 vond er een gesprek plaats met klaagster naar aanleiding van
een klacht die klaagster indiende tegen het FACT-team. De psychiater was hierbij aanwezig,
alsmede de zus van klaagster en een klachtenfunctionaris. Hierover is het volgende
genoteerd voor zover relevant voor de klacht:
“(…) Mw. licht haar klacht toe die er op neer komt dat zij zeer verbolgen is dat er
in de contacten met FACT tot nu in haar perceptie niets is gebeurd. (…) Uitgelegd
wat wij kunnen bieden (algemene FACT zorg en dit is niet gespecialiseerde zorg voor
PS, dwang of trauma) en haar aangeboden een keer contact te hebben met psycholoog
of collega psychiater. Hiervoor was zij op dit moment niet in. Cf afspraak gebeld
met huisarts (vervangster). Uit HA dossier blijkt dat zij over de afgelopen jaren
de volgende psychotrope medicatie heeft gebruikt:clomipramine, citalopram en mirtazepinearipiprazol
en quetiapine en risperdal Diverse benzodiazepinen Plan: Mw gaat uiteindelijk akkoord
met een kennismakingsgesprek met L., een ervaren collega. Dit ter overbrugging van
een afspraak waarbij ook M. en zus aanw zullen zijn om te komen tot een CSPafspraak
met huisarts: zn promethazin om te dempen 25mg zn max 2. Geen benzo’s. als we tot
een BO komen kan er op indicatie alsnog medicatie worden verstrekt door ons.”
3.10 In de loop van augustus 2021 werd via de geconsulteerde psycholoog contact gezocht voor een second opinion bij N. van GGZ Centraal (een centrum gespecialiseerd in angst- en dwangstoornissen). Die instelling verklaarde zich bereid tot het verrichten van een second opinion.
3.11 Op 10 augustus 2021 is in het dossier genoteerd door een verpleegkundige dat klaagster erg weinig at. Op 15 september 2021 staat in het dossier dat klaagster door de dwang niet kon eten of douchen. In september 2021 werd klaagster in het O.-ziekenhuis opgenomen in verband met somatische klachten (afwijkende bloedwaardes) door ondervoeding, waarna interne doorplaatsing naar de PAAZ plaatsvond. De psychiater overlegde met de PAAZ en er werd besloten dat klaagster naar huis kon. De behandeling door het FACT-team zou worden voortgezet.
3.12 Op 21 september 2021 had klaagster een intake voor een second opinion bij N..
3.13 Eind september 2021 eindigden de werkzaamheden van de psychiater bij het FACT-team en was hij dus niet meer betrokken bij de behandeling van klaagster.
3.14 Op 31 oktober 2021 werd klaagster na een suïcidepoging opgenomen. De opname duurde voort tot in 2022.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klaagster verwijt de psychiater dat:
a) hij ondanks dat er voortdurend een visieverschil was, klaagster niet heeft
verwezen naar het F. of een andere instelling;
b) hij geen specifieke expertise heeft op het gebied van persoonlijkheidsproblematiek,
OCD en trauma;
c) hij niet naar een passend alternatief heeft gezocht, en;
d) er vertraging is ontstaan in de behandeling van klaagster.
4.2 De psychiater is het niet eens met het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over klachtonderdeel d en met de opgelegde maatregel van berisping. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de beslissing in zoverre te vernietigen en klachtonderdeel d alsnog ongegrond te verklaren.
4.3 Klaagster heeft in het beroep van de psychiater gemotiveerd verweer gevoerd en daarbij incidenteel beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege, voor zover daarbij de klachtonderdelen a, b en c ongegrond zijn verklaard. Klaagster verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van de psychiater te verwerpen en de klachtonderdelen a, b en c alsnog gegrond te verklaren.
4.4 Dit betekent dat de oorspronkelijke klacht in volle omvang ter beoordeling van het Centraal Tuchtcollege voorligt.
Toetsingskader
4.5 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Het Centraal Tuchtcollege kan uitsluitend oordelen
over klachtonderdelen die een klager zelf in de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege
aan de orde heeft gesteld.
Inhoudelijke beoordeling
klachtonderdelen a, b en c
4.6 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de
klachtonderdelen a, b en c (over het niet verwijzen naar een andere instelling, het
gestelde gebrek aan expertise en het niet (tijdig) zoeken naar een passend behandelalternatief)
terecht ongegrond heeft verklaard. Dit wordt hierna uitgelegd.
4.7 Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat klaagster en de psychiater het erover eens zijn dat tussen hen geen effectieve behandelrelatie tot stand is gekomen en dat klaagster (mede) hierdoor geen vertrouwen had in de begeleiding door het FACT-team. De vraag die het Centraal Tuchtcollege moet beantwoorden, is of dit betekent dat de psychiater voor wat betreft de klachtonderdelen a, b en c tuchtrechtelijk verwijtbaar tekort is geschoten. Het staat voor het Centraal Tuchtcollege vast dat klaagster behoefte had aan een goede ondersteuning en dat het voor haar verdrietig en belastend is geweest dat deze begeleiding in haar ogen te kort schoot.
4.8 Klaagster had al vele jaren te kampen met complexe psychiatrische problematiek, met enerzijds een obsessief-compulsieve stoornis (OCS) en anderzijds persoonlijkheidsproblematiek, bij een traumatische voorgeschiedenis. Klaagster was in verband hiermee meermalen opgenomen geweest en had verschillende gespecialiseerde behandelingen gehad, waaronder cognitieve gedragstherapie en medicatie, maar zonder blijvend resultaat. Uiteindelijk is zij in 2019 door het F., een expertisecentrum voor dwangstoornissen, terugverwezen naar de huisarts, met het advies om klaagster toch weer voor gedragstherapie, waaronder exposuretherapie, naar een FACT-team te verwijzen.
4.9 In verband met een wachttijd kwam klaagster pas in april 2021 bij het FACT-team in zorg. Duidelijk is dat tussen klaagster enerzijds en de psychiater met het FACT-team anderzijds vanaf het begin sprake was van een verschil van inzicht over de wijze waarop de behandeling en begeleiding vormgegeven moest worden. Klaagster wilde graag medicatie (met name benzodiazepinen) of een klinische opname of een verwijzing terug naar het F.. Zij was van mening dat de psychiater en het FACT-team niet beschikten over voldoende specifieke expertise op het gebied van persoonlijkheidsproblematiek, OCS en trauma en had daarom weinig vertrouwen in behandeling en begeleiding door de psychiater. Volgens klaagster had de psychiater als regiebehandelaar, gelet op dit voortdurende verschil van inzicht, haar moeten verwijzen naar een andere instelling en haar een passend behandelalternatief moeten bieden.
4.10 De psychiater streefde naar behandeling van klaagster in de thuissituatie op basis van een in overleg met klaagster op te stellen (crisis)signaleringsplan. Een dergelijk plan moet onder meer duidelijk maken welke signalen en symptomen duiden op een terugval en geeft inzicht in wat iemand kan ondernemen om de stabiliteit te bewaren, het evenwicht te herstellen en een terugval te voorkomen. De psychiater was, gelet op de verslavingsgevoeligheid van klaagster en de stofwisselingsstoornis, zeer terughoudend met het voorschrijven van medicatie, met name benzodiazepinen. Volledige overdracht van de behandeling aan een andere instelling zag de psychiater aanvankelijk niet als een optie.
4.11 Het enkele gegeven dat er een verschil van inzicht bestond over de juiste behandeling en begeleiding, betekent niet dat de psychiater klaagster direct aan een andere instelling had moeten overdragen. Gelet op de lange voorgeschiedenis van klaagster in de ggz met vele behandelingen zonder blijvend resultaat, en gelet op het feit dat het F. als derdelijns expertisecentrum had geadviseerd om klaagster binnen een FACT team te behandelen, kan het Centraal Tuchtcollege de lijn van de psychiater om eerst een werkbare behandelrelatie met klaagster op te bouwen alvorens overdracht aan een andere instelling te overwegen, goed volgen. Dat de psychiater daarvoor enige tijd heeft genomen, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het feit dat – zoals de psychiater heeft erkend – de psychiater en het FACT team geen specifieke expertise hebben op het gebied van OCD, persoonlijkheidsproblematiek en trauma maakt dit niet anders. Zoals de psychiater heeft toegelicht, kijkt het FACT-team als generalistisch team breder en kan het daarom omgaan met mensen met complexe problemen en meerdere diagnoses, waar soms het accent op de ene en dan weer op de andere klacht ligt. Het FACT-team is toegerust op mensen met ernstige psychiatrische problematiek die hierdoor ook moeilijkheden ervaren op andere levensgebieden. Het is juist vanwege deze generalistische aanpak dat het F. een verwijzing naar een FACT-team had geadviseerd. Uit het medisch dossier van klaagster blijkt dat dit ook zo aan klaagster is uitgelegd. Dat de psychiater niet voldoende bekwaam was om klaagster te begeleiden is niet gebleken.
4.12 De psychiater heeft verder over eventuele behandelalternatieven toegelicht dat, als er meer gespecialiseerde kennis nodig is, kan worden gekeken naar de mogelijkheden van een second opinion of gespecialiseerde (mede)behandeling elders. Dit in aanvulling op de FACT-zorg, maar niet als alternatief voor deze zorg. Met klaagster is in dit kader gekeken naar P., een topreferent traumacentrum, en naar N., gespecialiseerd in angst- en dwangstoornissen. Dit heeft ertoe geleid dat in augustus 2021 N. is benaderd voor een second opinion. Gelet ook op de lange voorgeschiedenis van klaagster in de ggz en de gerechtvaardigde wens van de psychiater om eerst een effectieve behandelrelatie met klaagster op te bouwen, is dit naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege tijdig gebeurd. Eind juni 2021 bestond er nog geen concrete indicatie voor doorverwijzing naar een andere instelling, voor een second opinion of voor overname van de behandeling. Overigens adviseerde N. tot ambulante behandeling met exposure en met medicatie. Dus geen opname of overname van de behandeling, maar voorgezette FACT-zorg.
4.13 Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klachtonderdelen a, b en c terecht ongegrond heeft verklaard.
Klachtonderdeel d
4.14 Klaagster verwijt de psychiater met klachtonderdeel d dat door zijn nalatigheid
onnodig vertraging is ontstaan in haar behandeling, terwijl het steeds slechter met
haar ging, en dat er eerder naar een passend alternatief had moeten worden gezocht.
Het Regionaal Tuchtcollege heeft dit klachtonderdeel gegrond geoordeeld. Dat college
heeft daartoe overwogen dat de psychiater op twee specifieke momenten in de zorgverlening
tekort is geschoten. In de eerste plaats op
30 juni 2021 door de behandelovereenkomst op dat moment eenzijdig (voorwaardelijk)
te beëindigen, en ten tweede door bij zijn vertrek per 28 september 2021 geen zorg
te dragen voor de overdracht en opvolging van de behandeling.
4.15 Het Centraal Tuchtcollege is het niet eens met dit oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over klachtonderdeel d. Het Centraal Tuchtcollege kan zich voorstellen dat klaagster geschrokken is van de mededeling van de psychiater op 30 juni 2021 dat de behandelrelatie zou worden afgesloten tenzij klaagster alsnog met het FACT-team in gesprek wilde. De volgens het Regionaal Tuchtcollege onterechte beëindiging van de behandelrelatie en de wijze waarop dat zou zijn gebeurd was echter geen deel van de klacht die klaagster bij het Regionaal Tuchtcollege tegen de psychiater heeft ingediend. Dit geldt ook voor het verwijt dat de psychiater bij zijn vertrek geen zorg heeft gedragen voor de overdracht en de opvolging van de behandeling. Klaagster is in haar klaagschrift op dit punt niet ingegaan. Het Centraal Tuchtcollege leest klachtonderdeel d zo dat dit (uitsluitend) is gebaseerd op de in de klachtonderdelen a, b en c gemaakte verwijten betreffende het voortdurende verschil van inzicht over een verwijzing naar een andere instelling, de expertise van het FACT-team en het zoeken naar een behandelalternatief. Gelet hierop, oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat het Regionaal Tuchtcollege met zijn beoordeling buiten de omvang van de klacht is getreden.
4.16 De psychiater is in de periode van mei 2021 tot en met september 2021 de (regie)
behandelaar van klaagster geweest. Dat is een periode van vijf maanden waarin het
niet is gelukt om overeenstemming te bereiken over de behandeling en de behandeldoelen.
Dit is een relatief lange periode en het staat vast dat klaagster in die periode meermalen
aan de orde heeft gesteld dat zij (verder) achteruitging en geen vertrouwen had in
de psychiater en het FACT team.
In september 2021 was de situatie van klaagster zelfs zo verslechterd dat zij vanwege
ernstige ondervoeding werd opgenomen in het ziekenhuis. Dit betekent echter niet dat
er sprake is van een vertraging in de behandeling die de psychiater verweten kan worden.
Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de psychiater voldoende stappen heeft
gezet om, toen het verschil van inzicht onoverbrugbaar (b)leek te zijn, naar alternatieven
te zoeken. Nadat in het gesprek op 30 juni 2021 de conclusie werd gesteld dat er bij
klaagster te weinig vertrouwen was om tot een werkbare behandelovereenkomst te komen,
is de psychiater zich samen met het FACT team blijven inspannen om klaagster te begeleiden.
Zo heeft de psychiater op 14 juli 2021 een beoordeling door de crisisdienst geregeld
en is hij op 21 juli 2021 aanwezig geweest bij het klachtgesprek met klaagster waarin
afspraken zijn gemaakt over de verdere begeleiding en over een second opinion. Klaagster
heeft na de verwijzing door de huisarts in 2020 ruim zes maanden op de wachtlijst
gestaan voor de intake bij het FACT team terwijl het advies van het F. voor verwijzing
naar het FACT team al van 2019 dateerde. Onder die omstandigheden vindt het Centraal
Tuchtcollege het niet verwijtbaar dat er niet meteen naar alternatieven is gezocht
toen bleek dat klaagster geen vertrouwen had in het FACT team en de psychiater.
4.17 Alles bij elkaar is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het voor klaagster verdrietig is dat haar gezondheid ondanks de begeleiding door de psychiater (en het FACT team) in de periode dat de psychiater haar (regie)behandelaar was verder verslechterde en dat het niet is gelukt om de verschillen van inzicht te overbruggen, maar dat deze situatie de psychiater niet tuchtrechtelijk verweten kan worden.
Conclusie
4.18 De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege de klachtonderdelen a, b
en c terecht ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat het beroep van klaagster
moet worden verworpen. Klachtonderdeel d is ten onrechte gegrond verklaard, zodat
het incidenteel beroep van de psychiater slaagt. Het Centraal Tuchtcollege zal de
beslissing van het Regionaal Tuchtcollege, voor zover daarbij klachtonderdeel d gegrond
is verklaard en aan de psychiater een berisping is opgelegd, vernietigen en klachtonderdeel
d alsnog ongegrond verklaren.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover daarbij klachtonderdeel d gegrond is verklaard; en doet voor dat deel opnieuw recht: verklaart klachtonderdeel d ongegrond; verstaat dat de maatregel van berisping komt te vervallen; verwerpt het incidenteel beroep van klaagster.
Deze beslissing is genomen door mr. Z.J. Oosting, voorzitter, mr. A.R.O. Mooy en mr.
H.K.N. Vos, leden-juristen, en drs. E.J. Stevelmans en dr. M.C. ten Doesschate, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door mr. E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 11 februari 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.