ECLI:NL:TGZCTG:2026:2 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2763 Herstelbeslissing
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:2 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-01-2026 |
| Datum publicatie: | 06-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2763 Herstelbeslissing |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | reg |
| Inhoudsindicatie: | De psychotherapeut was de regiebehandelaar van klager bij een GGZ-praktijk. Klagers eigen behandelaar kreeg een andere functie en stopte haar werkzaamheden bij de praktijk. Klager bleef contact met haar zoeken, ook nadat de voormalig behandelaar zei dat ze dat niet wilde en ook de psychotherapeut hem daarop had gewezen. Om die reden ging de praktijk over tot beëindiging van de behandelingsovereenkomst en verwees klager terug naar de huisarts. Klager is van mening dat de psychotherapeut geen dringende reden had voor de opzegging en dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de voortgang van de behandeling. Verder klaagt hij over schending van de geheimhoudingsplicht doordat de psychotherapeut zonder goede grond informatie over klager met collega’s en met de office-manager heeft gedeeld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met dit oordeel. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Herstelbeslissing van de beslissing van 1 december 2025 in de zaak onder nummer
C2025/2763 van:
A., wonende te B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., psychotherapeut,
(destijds) werkzaam te B.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de psychotherapeut,
gemachtigde: mr. K.M. Bonke-Iwanczyk, werkzaam te Amsterdam.
1. Procesgang
Het Centraal Tuchtcollege heeft op 1 december 2025 uitspraak gedaan in de zaak met
nummer C2025/2763. Het Centraal Tuchtcollege heeft vastgesteld dat deze beslissing
een verbetering behoeft. Het Centraal Tuchtcollege licht dat hierna toe.
De herstelde tekst is als bijlage aan deze herstelbeslissing gehecht.
2. Beoordeling
In de uitspraak staat onder 3.20 in de laatste zin vermeld:
“Klager gaf geen toestemming aan de psychotherapeut om in de brief informatie op te
nemen over de precieze reden van de beëindiging van de behandelrelatie. ”
En onder 4.9 staat in de laatste alinea vermeld:
“Klager heeft in dit kader nog gewezen op een uitspraak van het College van Beroep
van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). Deze verwijzing leidt niet tot
een ander oordeel, alleen al omdat die uitspraak betrekking heeft op een klacht over
het handelen van de vm. behandelaar over het delen van informatie met de politie in
het kader van een aangifte en ziet daarom op een andere situatie.”
Na de uitspraak is gebleken dat de genoemde passages een kennelijke fout bevatten die zich lenen voor eenvoudig herstel. Voor overweging 3.20 geldt dat niet aan de psychotherapeut maar aan de psychiater geen toestemming is gegeven om in de brief informatie op te nemen over de precieze reden van de beëindiging van de behandelrelatie. Voor overweging 4.9 geldt dat het kenmerk van de uitspraak van het College van Beroep van het Nederlands Instituut van Psychologen abusievelijk niet is vermeld.
Het gaat om kennelijke verschrijvingen die niet dragend zijn voor de inhoudelijke beoordeling van het beroep en die voor het Centraal Tuchtcollege eenvoudig te herstellen zijn.
Het Centraal Tuchtcollege zal de beslissing van 1 december 2025 aanpassen zoals hierna
onder het kopje ‘3 de beslissing’ staat vermeld.
3. Herstelbeslissing
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- verstaat dat de vermelding in rechtsoverweging 3.20 van:
“Klager gaf geen toestemming aan de psychotherapeut om in de brief informatie op te nemen over de precieze reden van de beëindiging van de behandelrelatie. ”
wordt gewijzigd in:
“Klager gaf geen toestemming aan de psychiater om in de brief informatie op te nemen over de precieze reden van de beëindiging van de behandelrelatie. ”
- verstaat dat de vermelding in rechtsoverweging 4.9 van:
“Klager heeft in dit kader nog gewezen op een uitspraak van het College van Beroep
van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). Deze verwijzing leidt niet tot
een ander oordeel, alleen al omdat die uitspraak betrekking heeft op een klacht over
het handelen van de vm. behandelaar over het delen van informatie met de politie in
het kader van een aangifte en ziet daarom op een andere situatie. ”
wordt gewijzigd in:
“Klager heeft in dit kader nog gewezen op een uitspraak van het College van Beroep
van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) met kenmerk 24/03. Deze verwijzing
leidt niet tot een ander oordeel, alleen al omdat die uitspraak betrekking heeft op
een klacht over het handelen van de vm. behandelaar over het delen van informatie
met de politie in het kader van een aangifte en ziet daarom op een andere situatie.
”
- handhaaft voor het overige de beslissing van 1 december 2025.
Deze beslissing is gewezen op 18 december 2025 en ondertekend door E.J. Daalder,
voorzitter.
Voorzitter w.g.
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2763 van:
A., wonende te B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., psychotherapeut, (destijds) werkzaam te B.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de psychotherapeut,
gemachtigde: mr. K.M. Bonke-Iwanczyk, werkzaam te Amsterdam.
1. De kern van de zaak
1.1 De psychotherapeut was de regiebehandelaar van klager bij een F-praktijk.
Klagers eigen behandelaar kreeg een andere functie en stopte haar werkzaamheden bij
de praktijk. Klager bleef contact met haar zoeken, ook nadat de voormalig behandelaar
kenbaar had gemaakt dat ze dat niet wilde en ook de psychotherapeut hem daarop had
gewezen. Om die reden ging de praktijk over tot beëindiging van de behandelingsovereenkomst
en verwees klager terug naar de huisarts. Klager is van mening dat de psychotherapeut
geen dringende reden had voor de opzegging en dat hij geen verantwoordelijkheid heeft
genomen voor de voortgang van de behandeling. Verder klaagt hij over schending van
de geheimhoudingsplicht doordat de psychotherapeut zonder goede grond informatie over
klager met collega’s en met de office-manager heeft gedeeld.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met dit oordeel.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle van 11 februari 2025 met nummer Z2024/7478 (ECLI:NL:TGZRZWO:2025:17). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van het dossier
bij het Regionaal Tuchtcollege, het beroepschrift, het verweerschrift in beroep, de
nagekomen stukken van klager van 2 juli 2025 en 4 september 2025, en van de reactie
van de psychotherapeut van
15 oktober 2025.
2.3 De zaak is op de zitting van het Centraal Tuchtcollege van 27 oktober 2025 behandeld. Klager en de psychotherapeut waren op de zitting aanwezig. De psychotherapeut werd bijgestaan door mr. Bonke-Iwanczyk. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen die klager en mr. Bonke-Iwanczyk daarbij hebben gebruikt zijn aan het dossier toegevoegd.
3. De feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege heeft op basis van het beroepschrift en het debat tijdens de zitting de feiten die door het Regionaal Tuchtcollege zijn vastgesteld op een aantal punten aangevuld en aangepast. Bij de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.
3.2 Klager is bij brief van 26 september 2022 door de huisarts verwezen naar G. (een praktijk voor gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg) in verband met diagnostiek en behandeling van somberheidsklachten en sociale angstproblematiek. Klager werd eerder bij een andere F-praktijk. gediagnosticeerd met een pervasieve ontwikkelingsstoornis waarbij de volgende DSM-classificaties werden vastgesteld: autismespectrumstoornis, sociale angststoornis en depressieve stoornis, recidiverende episode.
3.3 De behandeling van klager startte op 14 oktober 2022 met de psychotherapeut als regiebehandelaar en bestond uit een combinatie van cognitief-gedragstherapeutische behandelingen. De psychotherapeut had driemaandelijks een evaluatiemoment met klager.
3.4 Op 23 juni 2023 liet de toenmalig behandelend psycholoog, hierna: de voormalig (vm.) behandelaar, aan klager weten dat zij in verband met een andere baan haar werkzaamheden voor G. zou beëindigen. Zij e-mailde op 23 juni 2023 (alle citaten letterlijk weergegeven en voor zover relevant):
“Mail rb Hoi, Gezien mijn vertrek lijkt het me goed dat er voor [naam klager] sowieso
een nieuwe psycholoog komt voor de cgt. Dit zal ik doorgeven aan de Zorgadministratie
en zodra er iemand beschikbaar is zal hij kunnen starten. Verder lijkt het me voor
zijn behandeling ook wel heel belangrijk (haast noodzakelijk) dat er iemand voor egt
komt. Zelf denk ik aan D., omdat zij denk ik op een voor pt te volgen manier een gevoelsstukje
aan kan snijden. (…)
Laat maar even weten hoe jij hier tegenaan kijkt. Je ziet pt 6 juli, misschien dat
jullie het dan kunnen bespreken. Als zowel jij als A. akkoord gaan kan hij dan op
de wachtlijst voor D.”
3.5 Op 30 juni 2023 werd door de vm. behandelaar in het dossier genoteerd:
“Gewandeld met pt, geeft aan boos te zijn dat ik stop, hierover gehad. Ook gehad over overname E. en mogelijk egt bij D., hij weet nog niet wat hij hiervan vindt, is bang geen klik te hebben, afgesproken dat hij dit gewoon maar moet ervaren, en daarna oordelen.”
3.6 Op 24 augustus 2023 en 7 september 2023 had de psychotherapeut twee overbruggingsgesprekken met klager. Over dit eerste gesprek noteerde hij, voor zover van belang:
“Over twee weken gaan we een rollenspel doen zodat hij kan oefenen hoe het is om een
gesprek aan te knopen met iemand die hij nog niet kent. Hij vindt dit erg fijn aangezien
dit mogelijk nog meer informatie zal opleveren.
tijdens dit gesprek valt wel op dat zijn autisme continu er doorgeen loopt. De beperkte
mate van prikkels die hij kan handelen: het afstemmen op de ander, het gebrek aan
flexibiliteit en informatieverwerking in de groep.”
3.7 Ongeveer een maand na het vertrek van de vm. behandelaar stuurde klager haar een connectieverzoek op Facebook. Deze weigerde ze. Klager stuurde haar vervolgens een e-mail:
“Beste [voornaam vm. behandelaar], Waarom blokkeren naar aanleiding van een contactverzoek.
Heb ik iets misdaan? Weigeren kan ook gewoon. Dat je mijn psycholoog niet meer bent
is mij duidelijk. Mijn intentie is vriendschappelijk contact. Je wil nooit meer weten
hoe het met me gaat? Ook over een jaar niet? Of komt dit voort uit een strikte interpretering
van je beroepscode? Zou je dan ook geen hoi meer zeggen als ik je toevallig een keer
tegen kom? Ik snap er niets van. Ik zal je verder niet meer contacten, want blijkbaar
is dat niet gewenst.”
3.8 De vm. behandelaar reageerde vervolgens op 18 augustus 2023:
“Beste [naam klager], Zowel vanuit mijn beroepscode maar zeker ook vanuit mijzelf
wil ik werk en privé volledig gescheiden houden. Vandaar dat ik mijn social media
afscherm en niet inga op vriendschapsverzoeken o.i.d. van (oud) cliënten. Is niet
persoonlijk bedoeld maar ik heb hier voor mijzelf een duidelijke grens in getrokken
en dit geld voor al mij (oud) cliënten.
Hoop dat het hiermee duidelijk is, ik zou het inderdaad waarderen om niet meer benaderd
te worden, tevens niet op mijn privé email.”
3.9 Klager reageerde op 18 augustus 2023 op deze e-mail en schreef:
“Hoi […], Bedankt voor je antwoord en fijn dat het niet persoonlijk is! Dat maakt
het inderdaad duidelijk voor mij. Ik begrijp je keuze wel en dat respecteer ik ook.
Ik wil dat je weet dat je in korte tijd al heel waardevol voor mij geweest bent. Ik
ben in het dagelijks leven meer open en praat sneller over bijv. mijn gevoel of wat
mij bezig houdt, zonder me direct hiervoor te schamen of het gevoel te hebben dat
ik er niet over hoor te praten. Mijn gedachten zijn ook positiever en ik zie meer
kansen. Ben daar heel dankbaar voor.
Verder nog een tip: als ik je naam zoek kom ik op je bedrijfje uit en daar hangen
al je gegevens aan, waaronder je e-mail. Als ik jou was zou ik je bedrijfsnaam wijzigen
in iets wat niet op je naam lijkt. Dat kan gewoon online. En een verzoek indienen
om je adres af te schermen, dat wordt vanwege je beroep waarschijnlijk wel gehonoreerd.
Een werk e-mail en telefoon zou daarnaast ook handiger zijn om daarvoor te gebruiken.
Het ga je goed! En andersom als je ooit een keer van gedachten veranderd stuur mij
een bericht ik wil altijd bijpraten ook al is het ver in de toekomst. Ik zal je niet
meer benaderen!
Groeten, [naam klager]”
3.10 Op 18 augustus 2023 reageerde de vm. behandelaar en e-mailde klager: “Bedankt, het ga jou ook goed!”
3.11 Op 9 september 2023 e-mailde klager wederom naar de vm. behandelaar en schreef:
“Heb nagedacht waarom ik respect zou moeten hebben voor jouw verzoek. Ik zei dat ik
het had, maar ik zou eigenlijk niet weten waarom. Als je mij en andere cliënten als
een stuk stront behandeld door binnen een maand te vertrekken dan verdien je hier
van mij geen respect voor.
Zelfs ik met mijn (ogenschijnlijke) beperkte empathische vermogen weet dat je in
de gespecialiseerde ggz niet zo met cliënten om gaat.
Pas begin oktober, 2,5 maand na jouw vertrek zal ik een vervanger hebben. Ben jij
wel een hulpverlener of doe je alsof. Heb je dit ook verteld tijdens je sollicitatie?
Hou ze maar lekker voor de gek daar.”
3.12 Vervolgens e-mailde klager de vm. behandelaar nog verschillende keren, onder andere op 9 september 2023, 12 september 2023, 16 september 2023 (tweemaal) en 17 september 2023.
3.13 Op 17 september 2023 e-mailde de vm. behandelaar klager en schreef, onder meer, het volgende:
“Ik mail je nu nog een laatste keer om het (nogmaals) duidelijk te maken, hierna zal
ik nergens meer op reageren ik wil ik ook geen pogingen tot contact meer van jou ontvangen
(tevens niet op deze mail). Er zal dus op geen enkele manier meer contact tussen ons
plaatsvinden. Ik vind het namelijk al te gek voor woorden dat ik me hier op mijn vrije
zondag mee bezig moet houden.
(…)
Morgen neem ik contact op met F. om hen hier ook van op de hoogte te stellen. Nog
even voor de duidelijkheid, ik wil dus geen contact met je, niet nu en niet in de
toekomst. Niet via mail, niet via social media, op geen enkele manier. Ik wil dus
ook niet dat je nog reageert op deze mail. Mocht dit niet respecteren ben ik genoodzaakt
vervolgstappen te ondernemen. Sowieso zal ik voortaal alle vormen van communicatie
niet meer openen en direct doorsturen richting F., dan kunnen ze het daar verder oppakken.”
3.14 Klager reageerde per e-mail op 17 september 2023.
3.15 De psychotherapeut werd op 18 september 2023 op de hoogte gebracht van de e-mails die klager stuurde naar zijn vm. behandelaar. Op 23 september 2023 e-mailde klager weer naar de vm. behandelaar en kondigde aan een formele klacht in te dienen. Klager sloot de mail af met: “Kortom schending van artikel 16, 19, 21, 35, 82. Liever ga ik nog steeds gewoon in gesprek. Als jij een moment weet te plannen om het hier over te hebben, dan ben ik present. Voor het indienen van de klacht wacht ik 2 weken vanaf vandaag (23 september). Als ik niets hoor voor 7 oktober dan ben je op de hoogte”. Op 27 september 2023 verzocht klager de vm. behandelaar om contact met hem op te nemen. De psychotherapeut had op 28 september 2023 een gesprek met klager, besprak de situatie, en vroeg naar het verhaal van klager. De psychotherapeut noteerde een aantal afspraken die tijdens dit gesprek gemaakt werden:
“1) hij stopt met het benaderen van L. als we nog een bericht krijgen dat hij haar
heeft benadert dan heeft dit consequenties;
2) gevraagd naar of hij behoefte heeft om de boosheid door te werken met mij. Dat
hoeft niet;
3) ik ga in overleg met BB en KL of er op basis hiervan draagvlak gecreerd kan worden
voor wel overname. Als hier nog iets meer voor nodig is. Of er is geen draagvlak dan
hoort hij dit in het volgende gesprek wat ik heb laten plannen via secr.”
3.16 Op 2 oktober 2023 nam klager opnieuw contact op met de vm. behandelaar en
verzocht haar onder andere om weer contact met hem op te nemen. Eveneens op deze datum
nam klager contact op met de praktijk, nu de praktijk de afspraak met de beoogde opvolger
geannuleerd had.
3.17 Op 3 oktober 2023 vond er een psychologenoverleg plaats. De psychotherapeut was hierbij niet aanwezig. Tijdens dit overleg werd de situatie van klager en de vm. behandelaar besproken, en kwam aan bod dat de beoogd opvolger hierover niet geïnformeerd was en de afspraak met klager zonder voorbespreking in haar agenda was gezet. De beoogd opvolger deed op 6 december 2023 een MIC-melding (Veilig Incident Melden). Zij schreef:
“Patiënt die grensoverschrijdend gedrag vertoont (op dat moment) naar vrouwelijk oud behandelaar die daartegen aangifte wil doen, staat op wachtlijst bij mij als nieuwe behandelaar zonder dat dit met mij is overlegd of melding van is gedaan.”
3.18 De psychotherapeut had op 5 oktober contact met de psychiater/ praktijkeigenaar. Hij maakte de volgende aantekening:
“(…) Hij heeft dus opnieuw contact opgenomen met [vm. behandelaar] 3 dgn geleden. Dit tegen de afspraken in. In mijn laatste gesprek heb ik duidelijk gezegd dat er geen contact meer moet zijn met […]. Als we het wel zouden horen dat zou dit gevolgen hebben voor zijn behandeling. Verder lijkt er dus geen draagvlak te zijn bij het psychologen team om hem over te nemen, Ik zou hem idd zelf kunnen zien. Maar door opnieuw contact op te nemen met […], ondanks de afspraken die ik met hem gemaakt heb, ga ik dit ook niet meer aan. Hij gaat hiermee uit de samenwerking in deze ingewikkelde situatie waar veel van afhing. Denk dat het goed is dat hij voelt dat dit consequenties heeft en dat we hem terugverwijzen naar de huisarts zodat hij zich tot een andere praktijk kan richten.”
3.19 De psychotherapeut sprak op 5 oktober 2023 voor het laatst met klager en noteerde hierover onder andere:
“(..)aangegeven dat ik opnieuw heb gehoord dat hij contact had opgenomen met de oud collega hij geeft wat hakkelend aan dan hij dit heeft gedaan. Aangegeven dat hij hiermee een afspraak niet is nagekomen. Ik was bezig met draagvlak creëren. Mogelijkheden waren om samen met de opvolger een driegesprek te voeren om te kijken naar mogelijkheden en verder dat ik hem alleen zou zien met als doen hem voor te bereiden voor de opvolger. Maar door deze afspraak niet nagekomen te zijn, is er geen draagvlak meer voor. Ook bij mij niet. Hij geeft aan dat hij deze grens niet zo duidelijk heeft gevoeld in het laatste gesprek. Is het er niet mee eens. Hij geeft dan aan dat een andere mogelijkheid was om hem nog een kans te geven en hem daarna dit te zeggen. Aangegeven dat hier veel vanaf hing en dat er nu geen draagvlak was. Hiermee heeft hij laten zien dat hij uit de samenwerking ging. ‘Als hij zich nu fatsoenlijker had gedragen, dan was er niets aan de hand geweest’. Hij externaliseert en legt de schuld volledig bij haar neer. Aangeven dat er bij hem ook pijn werd geraakt en dat van hier uit ook de grenzen van de ander niet heeft gerespecteerd. Daar heb ik voldoende oog voor gehad in het vorige gesprek. Nu ging het om zich te beheersen en dat heeft hij nu niet gedaan. En daarmee stopt het hier. Hij accepteert het, bedankt me en het gesprek is afgelopen. Gesproken over de afsluitbrief. Hij wil niet dat er een brief naar de huisarts gaat. Er moet een oppervlakkige brief naar de huisarts dat de behandeling is gestart. Gevraagd of deze situatie, de reden van afsluiting, erbij mag. Heeft namelijk met oude pijn te maken en moeite met grenzen aangeven. Dat wil hij niet. Afspraak is korte brief naar de huisarts met daar alleen in dat de behandeling wordt afgesloten. Met die brief kan hij naar de huisarts om een doorverwijzing te vragen naar een andere praktijk. ”
3.20 Op 18 oktober 2023 vond een gesprek plaats tussen klager en een psychiater die tevens de praktijkeigenaar is. Hierin is gereflecteerd op het verloop van de behandeling en de situatie van klager met de vm. behandelaar. Op 19 oktober 2023 werd klager door de psychiater/praktijkeigenaar terugverwezen naar de huisarts. In deze brief, een formele terugverwijzing, werd opgenomen dat klager de “klik” met F. was kwijtgeraakt na het vertrek van zijn vm. behandelaar, die elders een baan had aangenomen. Een verdere behandeling binnen F. was van beide kanten niet meer mogelijk. Klager gaf geen toestemming aan de psychotherapeut om in de brief informatie op te nemen over de precieze reden van de beëindiging van de behandelrelatie.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Het beroep heeft primair tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard. Subsidiair
verzoekt klager het Centraal Tuchtcollege om de zaak terug te wijzen naar het Regionaal
Tuchtcollege.
4.2 De psychotherapeut heeft verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klager te verwerpen.
Inhoudelijke beoordeling
4.3 Ook in beroep ligt de vraag voor of de psychotherapeut de zorg heeft verleend
die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk
handelende psychotherapeut. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor
de psychotherapeut geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor
een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a): beëindiging van de behandelingsovereenkomst en continuïteit van
zorg
4.4 Net als het Regionaal Tuchtcollege overweegt het Centraal Tuchtcollege dat
de volgende normen van toepassing zijn:
Uit artikel 7:460 van het Burgerlijk Wetboek (Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst, WGBO) volgt dat de hulpverlener een behandelingsovereenkomst alleen kan opzeggen als daar een gewichtige reden voor is.
In de beroepscode voor Psychotherapeuten (2018) staat het volgende:
“II.3.1 Beëindiging van behandeling door de psychotherapeut
De psychotherapeut heeft niet het recht de behandeling te verbreken tenzij sprake
is
van gewichtige redenen. Gewichtige redenen kunnen zijn:
a. de psychotherapeut heeft goede redenen om te verwachten dat voortzetting van
de behandeling niet zal leiden tot een verdere verbetering of stabilisering van
het
functioneren van de cliënt;
b. de cliënt eist vervanging van het oorspronkelijk overeengekomen doel door een
ander;
c. de psychotherapeut vreest dat voortzetting van de behandeling redelijkerwijs
niet
meer te verenigen is met zijn eigen lichamelijke of geestelijke gezondheid dan wel
met zijn eigen veiligheid of de veiligheid van derden;
d. de cliënt wil niet meewerken aan bepaalde methoden die de psychotherapeut
in het kader van de behandeling toepast, als gevolg waarvan de psychotherapeut
voortzetting ervan niet langer verantwoord acht;
e. een ernstig verstoorde relatie die maakt dat een onwerkbare situatie is ontstaan;
f. praktische omstandigheden (zoals gezondheidsklachten, verhuizing) die maken
dat voortzetting van de behandeling in redelijkheid niet van de psychotherapeut
kan worden gevergd.
II.3.2
Als de psychotherapeut besluit de behandeling te verbreken, dan dient hij:
a. zijn beslissing tijdig aan de cliënt kenbaar te maken en in voor de cliënt
begrijpelijke termen te motiveren, en
b. aan te bieden hem zo goed mogelijk te adviseren omtrent de vraag wat in het
gegeven geval het beste gedaan kan worden, en c.q. of
c. aan te bieden voor een adequate verwijzing zorg te dragen”.
4.5 Het Centraal Tuchtcollege dient allereerst te beoordelen of er een gewichtige
reden was om de behandelingsovereenkomst te beëindigen. Uit het feitenoverzicht blijkt
dat klager, tegen de uitdrukkelijk door de vm. behandelaar uitgesproken wens in, toch
contact met haar bleef zoeken. Ook nadat de vm. behandelaar klager op 17 september
2023 had gewaarschuwd dat zij F. zou inlichten over zijn gedrag, is klager daarmee
doorgegaan. Nadat de psychotherapeut op
18 september 2023 op de hoogte was geraakt van het gedrag van klager heeft hij hem
op
28 september 2023 gesproken. In dat gesprek heeft de psychotherapeut met klager
afspraken gemaakt, waaronder de afspraak dat klager zou stoppen met het benaderen
van de vm. behandelaar. Tegen die afspraak in nam klager op 2 oktober 2023 toch weer
contact op met de vm. behandelaar. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het
handelen van klager een voldoende gewichtige reden opleverde om de behandelingsovereenkomst
te beëindigen. Gelet op het doorgaan met contact zoeken ondanks herhaalde en duidelijke
verzoeken van de vm. behandelaar en de psychotherapeut om daarmee te stoppen, en gelet
op de inhoud van de e-mails acht het college de vrees bij F. voor (een verdere neiging
tot) ongewenst en niet aanvaardbaar gedrag en daarmee voor een onwerkbare situatie
bij voortzetting van de behandeling voldoende objectief en invoelbaar.
4.6 Over de wijze waarop de behandelovereenkomst is beëindigd overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt.
Uit het dossier en de behandeling op zitting blijkt dat de psychotherapeut, nadat
was gebleken dat onder de psychologen bij F. geen bereidheid bestond om de behandeling
van klager over te nemen, eerst de mogelijkheid heeft onderzocht om dat zelf te doen.
Vervolgens heeft klager op
2 oktober 2023 toch weer contact met de vm. behandelaar opgenomen. Klager is de
pas enkele dagen daarvoor (op 28 september 2023) met de psychotherapeut gemaakte afspraken
dus meteen al niet nagekomen. De psychotherapeut kon naar het oordeel van het Centraal
Tuchtcollege op grond daarvan dan ook concluderen dat er onvoldoende basis was voor
een vertrouwensrelatie om de behandeling zelf over te nemen. Wel is het Centraal Tuchtcollege
net als het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat het achteraf beter was geweest
als de psychotherapeut de conclusies van het gesprek van 28 september 2023 nog eens
per brief aan klager had bevestigd. Dat neemt niet weg dat klager ook zonder schriftelijke
bevestiging kon weten dat hij door tegen de afspraken in de vm. behandelaar toch weer
te benaderen, het risico liep dat de behandeling door de praktijk niet zou worden
voortgezet.
4.7 De psychotherapeut heeft er vervolgens voor gekozen om klager terug te verwijzen naar de huisarts. Deze keuze stuit bij het Centraal Tuchtcollege niet op bezwaren. Zoals hiervoor vastgesteld heeft de psychotherapeut eerst onderzocht of binnen de praktijk in opvolging kon worden voorzien. Nadat was gebleken dat dat niet lukte, was terugverwijzing naar de huisarts de meest voor de hand liggende optie. Het Centraal Tuchtcollege betrekt bij dit oordeel dat bij klager geen sprake was van een acute crisis waarvoor behandeling noodzakelijk was en dat binnen de praktijk geen ruimte was om klager over te nemen. Klager was in die situatie het meeste gebaat bij een snelle terugverwijzing naar de huisarts. Wel is het college van oordeel dat het achteraf gezien beter zou zijn geweest als de psychotherapeut de mogelijkheden van overname door een andere F. en in samenspraak met klager had onderzocht. De psychotherapeut heeft hierover op de zitting verklaard dat hij hier niet aan heeft gedacht, maar dat een dergelijk onderzoek ook niet mogelijk was geweest omdat klager geen toestemming zou hebben gegeven voor het delen van de reden van de beëindiging met andere F. Klager had immers ook niet ingestemd met vermelding daarvan in de terugverwijsbrief aan de huisarts. Het Centraal Tuchtcollege volgt de psychotherapeut in zijn stelling dat bij een overdracht de reden waarom de behandeling niet wordt voortgezet, wel dient te worden vermeld. Dit alles neemt niet weg, dat de psychotherapeut er beter aan had gedaan om ook deze optie uitdrukkelijk met klager te bespreken. Het nalaten daarvan levert, gegeven de terugverwijzing naar de huisarts, echter geen tuchtrechtelijk verwijt op.
Klachtonderdeel b): schending geheimhoudingsplicht
4.8 Klager verwijt de psychotherapeut met dit klachtonderdeel dat hij zijn beroepsgeheim
heeft geschonden. Volgens klager heeft de psychotherapeut zijn dossierplicht geschonden
en is hij niet integer geweest door te rapporteren over een sessiegesprek aan de vm.
behandelaar, te rapporteren over de inhoud van een vertrouwelijk gesprek aan meerdere
collega’s die niet betrokken waren bij de behandeling en vertrouwelijke informatie
te delen en inhoudelijk overleg te voeren met een officemanager.
4.9 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de psychotherapeut geen verwijt
kan worden gemaakt van schending van zijn geheimhoudingsplicht. Bij dit oordeelt betrekt
het Centraal Tuchtcollege dat sprake was van een complexe situatie waarbij een behandelaar
vertrok en een patiënt ongewenst gedrag ten aanzien van die behandelaar liet zien.
Vanuit zijn rol als regiebehandelaar was het van belang informatie te delen met de
vm. behandelaar, omdat die informatie relevant was voor de definitieve beëindiging
van de behandelrelatie die zij met klager had. Maar ook met de beoogd opvolgers, die
immers ieder voor zich de afweging zouden moeten kunnen maken of het vertoonde gedrag
wel of niet aan het aangaan van een behandelrelatie in de weg zou staan. Met het oog
op passende opvolging is het voor een regiebehandelaar noodzakelijk om relevante informatie
over de casus met beoogde opvolgers te delen. Hetzelfde geldt voor de officemanager
die over het rooster gaat. De psychotherapeut heeft in beroep de rol van de officemanager
- die binnen de praktijk ook de rol van kwaliteitsmedewerker vervult - nader toegelicht
aan de hand van functieprofielen. Daaruit volgt dat de officemanager, naast planning
en agendabeheer, ook op inhoudelijk niveau betrokken is bij de zorg die de praktijk
levert. Met andere woorden: zij krijgt beroepsmatig kennis van en heeft toegang tot
patiëntinformatie. Dit betekent dat zij een afgeleid beroepsgeheim heeft. Anders dan
klager stelt was er gelet hierop geen verplichting voor de psychotherapeut om klager
op de hoogte te brengen van het verstrekken van de informatie aan de officemanager.
Voor wat betreft de vm. behandelaar is het Centraal Tuchtcollege het met het Regionaal
Tuchtcollege eens dat de (voormalig) werkgever een verantwoordelijkheid heeft om deze
te steunen en zo nodig te beschermen en begeleiden, en om in het kader van nazorg
te informeren over het verloop van het proces.
Klager heeft in dit kader nog gewezen op een uitspraak van het College van Beroep
van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). Deze verwijzing leidt niet tot
een ander oordeel, alleen al omdat die uitspraak betrekking heeft op een klacht over
het handelen van de vm. behandelaar over het delen van informatie met de politie in
het kader van een aangifte en ziet daarom op een andere situatie.
Conclusie
4.10 Het voorgaande betekent dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht van klager
terecht ongegrond heeft verklaard en dat het beroep van klager zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door E.J. Daalder, voorzitter,
A.S. Gratama en E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen, en A. de Keijser en F.D.F.
Steenbakkers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E. van der Linde, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.
Bijlage:
De bij deze uitspraak herstelde tekst van de beslissing van 1 december 2025 in de
zaak C2025/2763.