ECLI:NL:TGZCTG:2026:18 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3041 VZ
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:18 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 19-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/3041 VZ |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | . |
D E V O O R Z I T T E R V A N H E T C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/3041 van:
A., wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C., psychiater, werkzaam in D.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de psychiater,
gemachtigden: mr. drs. A. Dekker, werkzaam in Utrecht.
1. Verloop van de procedure
Klaagster heeft op 26 juni 2025 bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle een klacht ingediend tegen de psychiater. Bij voorzittersbeslissing van
21 oktober 2025, met nummer Z2025/8677, heeft de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege
geoordeeld dat de klacht kennelijk ongegrond is. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege
verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het beroep.
2. Ontvankelijkheid van het beroep
2.1 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep beoordeeld op
basis van het dossier in eerste aanleg, het beroepschrift en de brief van 20 november
2025 van de secretaris van het Centraal Tuchtcollege gericht aan klaagster, met het
verzoek om het verschuldigde griffierecht te voldoen. De voorzitter heeft verder kennis
genomen van de inhoud van de telefoongesprek van 9 december 2025 van klaagster met
een medewerker van de administratie van het Centraal Tuchtcollege. In dit gesprek
heeft klaagster medegedeeld dat zij het griffierecht niet zou betalen en niet zou
reageren op post van het Centraal Tuchtcollege omdat zij de procedure niet wilde voortzetten.
Desgevraagd was zij niet bereid om het beroep in te trekken.
2.2 Artikel 73, eerste lid, juncto artikel 65a, eerste lid, van de Wet op de beroepen
in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) bepaalt dat de secretaris van het tuchtcollege
€ 50,00 griffierecht heft van de indiener van het beroepschrift. Artikel 73, derde
lid, juncto artikel 65a, derde lid, Wet BIG bepaalt dat als het verschuldigde bedrag
niet binnen vier weken na de dag van verzending van het betalingsverzoek is bijgeschreven
op het daarvoor bestemde bankrekeningnummer de voorzitter appellant niet-ontvankelijk
verklaart in het beroep.
2.3 Bij brief van 20 november 2025 heeft de secretaris van het Centraal Tuchtcollege klaagster erop gewezen dat zij voor de behandeling van het beroep griffierecht verschuldigd is, ten bedrage van € 50,00, en dat dit bedrag vóór 18 december 2025 op het aangegeven bankrekeningnummer moet zijn bijgeschreven. Uit de telefonische mededelingen van klaagster blijkt dat zij ervan op de hoogte is dat zij griffierecht is verschuldigd en dat zij dit niet wil betalen. Het Centraal Tuchtcollege heeft van haar ook geen betaling ontvangen.
2.4. Nu klaagster het griffierecht niet heeft betaald, zal de voorzitter haar
niet-ontvankelijk verklaren in het beroep. Dat betekent dat het Centraal Tuchtcollege
het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen en dat de beslissing van het Regionaal
Tuchtcollege volledig in stand blijft.
3. Beslissing
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het beroep.
Aldus gewezen op 31 december 2025 en ondertekend door mr. Z.J. Oosting, voorzitter,
bijgestaan door mr. K.M. ten Pas, secretaris.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.
Tegen deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na de dag van verzending van het
afschrift ervan schriftelijk verzet doen bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.