ECLI:NL:TGZCTG:2026:146 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3141 VZ
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:146 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-07-2026 |
| Datum publicatie: | 14-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2026/3141 VZ |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht tegen een huisarts. De huisarts is één van de twee praktijkhouders van een grote huisartsenpraktijk. Klaagster heeft een klacht ingediend tegen vier huisartsen van deze praktijk. De huisarts is niet persoonlijk betrokken geweest bij de zorg aan klaagster. De voorzitter van Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht omdat het klaagschrift van klaagster niet voldoet aan de wettelijk vereisten. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege en wijst het beroep af. |
D E V O O R Z I T T E R V A N H E T C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2026/3141 van:
A.,
wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C.,
huisarts,
werkzaam in B.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de huisarts.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De huisarts is één van de twee praktijkhouders van een grote huisartsenpraktijk.
Klaagster heeft een klacht ingediend tegen vier huisartsen van deze praktijk. De huisarts
is niet persoonlijk betrokken geweest bij de zorg aan klaagster.
1.2 De voorzitter van Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht omdat het klaagschrift van klaagster niet voldoet aan de wettelijk vereisten. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege en zal het beroep afwijzen.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter van
het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 13 januari 2026
met nummer A2025/8998. De beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege
is als bijlage aan deze beslissing gehecht.
2.2 De voorzitter heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg, het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift en het verweerschrift.
3. De feiten
3.1 Bij de beoordeling van het beroep gaat de voorzitter uit van de volgende
feiten.
3.2 Klaagster en haar dochter zijn sinds 2020 patiënt bij Huisartsenpraktijk B. De huisarts is één van de twee praktijkhouders van deze huisartsenpraktijk.
3.3 Klaagster is van 15 december 2020 tot juli 2023 in behandeling geweest bij D. Bij brief van 20 november 2023 heeft D. de medicamenteuze behandeling overgedragen aan de huisarts.
3.3 Klaagster heeft in vanaf maart 2024 herhaaldelijk contact gezocht met de huisartsenpraktijk over onder andere medicatie.
3.4 Op 22 maart 2024 heeft een collega van de huisarts klaagster na contact met de crisisdienst aangemeld bij het FACT-team.
3.5 In november 2025 heeft klaagster haar dochter en zichzelf uitgeschreven bij de praktijk.
4. De klacht
4.1 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege begrijpt uit het klaagschrift
dat klaagster de huisarts het volgende verwijt:
a) het niet honoreren van een hulpvraag;
b) geen verantwoordelijkheid dragen voor de zorg (veiligheid) van de gezondheid
en het welzijn van klaagster als alleenstaande moeder en dat van haar minderjarige
dochter;
c) de rol als moeder van een minderjarige dochter onderscheppen/ondermijnen.
5. De beoordeling
5.1 De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klaagster
niet-ontvankelijk verklaard.
5.2 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de klacht van klaagster voldoende duidelijk is.
5.3 Op grond van artikel 47 Wet BIG kan alleen het eigen handelen van een zorgverlener worden beoordeeld. Dit betekent dat om inhoudelijk naar een klacht te kunnen kijken, de zorgverlener zelf betrokken moet zijn geweest bij het handelen waarover wordt geklaagd.
5.4 Klaagster heeft een klacht ingediend tegen vier huisartsen van Huisartsenpraktijk B. Huisartsenpraktijk B. is een grote huisartsenpraktijk. Drie andere huisartsen uit de praktijk waren betrokken bij de zorgverlener aan klaagster en haar dochter. De huisarts stelt dat hij geen contact heeft gehad met klaagster en/of haar dochter en ook geen bemoeienis heeft gehad met de zorg aan klaagster en haar dochter.
5.5 Bij het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster een groot aantal stukken overgelegd. In één van deze stukken heeft klaagster de contactmomenten opgesomd die zij met de huisartsenpraktijk heeft gehad. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft in deze stukken geen aanknopingspunten gevonden voor enige betrokkenheid van de huisarts bij de zorg aan klaagster en haar dochter. Klaagster heeft in het klaagschrift of beroepschrift ook niet toegelicht op basis waarvan zij meent dat de huisarts (mede)verantwoordelijk is voor de gedragingen waar zij over klaagt. Dit betekent dat de klacht van klaagster niet-ontvankelijk is.
5.6 Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt daarom afgewezen.
6. Beslissing
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
wijst het beroep af.
Aldus gewezen op 8 juli 2026 en ondertekend door Z.J. Oosting, voorzitter, bijgestaan
door K.M. ten Pas, secretaris.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.
Tegen deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk verzet doen bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.