ECLI:NL:TGZCTG:2026:121 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3131
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:121 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-06-2026 |
| Datum publicatie: | 16-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2026/3131 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | . |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2026/3131 van:
A., appellant, klager in eerste aanleg,
wonende in B.,
hierna: klager,
gemachtigde: C., zoon van klager,
tegen
Q., specialist ouderengeneeskunde,
(destijds) werkzaam in B.,
verweerster in beide instanties,
hierna: de specialist ouderengeneeskunde,
gemachtigde: mr. L. Bartelsman.
1. De zaak in het kort
1.1 De zoon van klager heeft op 18 februari 2025 namens klager een tuchtklacht ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam. Klager verwijt de specialist ouderengeneeskunde en de andere drie medewerkers dat zij herhaaldelijk de Wet verplichte ggz, de Wet zorg en dwang, beroepscodes en patiëntenrechten hebben geschonden. Er worden meerdere voorbeelden hiervan benoemd: zo zou er sprake zijn van onvoldoende zorg en onzorgvuldige diagnostiek, machtsmisbruik doordat klager en zijn zoon niet worden betrokken bij de besluitvorming omtrent de zorg en er worden onterecht vrijheidsbeperkende maatregelen genomen. De klacht gaat dus over de zorg aan klager en een aantal zaken die daarop betrekking hebben.
1.2 De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld dat klager ten tijde van het indienen van de klacht wilsonbekwaam was en heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht. Het Centraal Tuchtcollege is het hiermee eens zodat het beroep niet kan slagen.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter van
het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 6 november 2025
met nummer A2025/8178.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier van het Regionaal Tuchtcollege, het beroepschrift en de overige stukken in het dossier waaronder het e-mailbericht van de mentor van klager, de heer E. van 6 mei 2026.
2.3 De zaak is op de zitting van 11 mei 2026 behandeld. Klager was samen met zijn voormalige echtgenote mevrouw F. en zijn zoon, die als gemachtigde optrad, bij de zitting aanwezig. De gemachtigde van de specialist ouderengeneeskunde was ook bij de zitting aanwezig.
3. Feiten
3.1 Bij beschikking van de kantonrechter van 30 april 2014 is klager onder bewind gesteld op grond van problematische schulden. De grondslag is bij beschikking van de kantonrechter van
17 augustus 2023 gewijzigd naar lichamelijk/geestelijk. Naar aanleiding van een verzoek tot ondercuratelestelling van de bewindvoerder is het bewind op 29 juli 2024 omgezet naar provisioneel bewind. Bij beschikkingen van 24 april 2025 heeft de kantonrechter de provisioneel bewindvoerder benoemd tot mentor en bewindvoerder.
3.2 Klager is gediagnosticeerd met een psychogeriatrische aandoening, te weten uitgebreide neurocognitieve stoornissen op vasculaire basis, mogelijk ook in combinatie met schade ten gevolge van een langdurige schizo-affectieve stoornis van het bipolaire type. Daarnaast heeft klager een licht verstandelijke beperking.
3.3 Klager is vanaf 21 juni 2024 opgenomen op een gesloten afdeling van een kliniek. Vanaf 20 september 2024 tot en met 31 maart 2026 heeft hij in de kliniek verbleven op basis van een rechterlijke machtiging en aansluitend op basis van de WLZ.
3.4 De provisioneel bewindvoerder/mentor heeft niet ingestemd met het indienen van de klacht.
4 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.1 Volgens artikel 65, lid 1, sub a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) kan een klacht worden ingediend door een rechtstreeks belanghebbende. In de eerste plaats dient daarbij te worden gedacht aan de patiënt zelf. Uitgangpunt is dat de patiënt die daartoe behoorlijk in staat is, zelf degene is die beslist over het indienen van een klacht over zijn of haar behandeling.
4.2 Als een patiënt een provisioneel bewindvoerder heeft aan wie de kantonrechter de bevoegdheden van een curator heeft toegekend, is deze de wettelijk vertegenwoordiger van die patiënt op het gebied van – onder meer – verzorging en behandeling. Een patiënt kan ook zonder toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger een klacht indienen of iemand machtigen dat namens hem te doen, tenzij aannemelijk is dat de patiënt ter zake van het indienen van de klacht wilsonbekwaam is. Als een patiënt ter zake van het indienen van een klacht wilsonbekwaam is, kan een klacht over de behandeling van de patiënt alleen worden ingediend door de provisioneel bewindvoerder zelf, als wettelijk vertegenwoordiger van de patiënt, of door een ander met instemming van de provisioneel bewindvoerder.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat uit de processtukken blijkt dat de zoon en de voormalige echtgenote van klager zeer betrokken zijn bij het welzijn van klager en dat duidelijk is dat zij een andere visie hebben op de diagnose en de verzorging en behandeling die klager nodig heeft dan de betrokken zorgprofessionals en de mentor.
4.4 (De gemachtigde van) klager heeft naar voren gebracht dat de heer E. als provisioneel bewindvoerder weliswaar bevoegdheden heeft “vergelijkbaar aan curator” maar dat dit niet betekent dat de provisioneel bewindvoerder dezelfde bevoegdheden heeft als een curator. Het Centraal Tuchtcollege deelt die visie niet. Alle taken die een curator heeft, kunnen ook aan de provisioneel bewindvoerder worden gegeven en in de beschikking van de kantonrechter staat expliciet opgenomen dat de kantonrechter aan de provisionele bewindvoerder alle bevoegdheden toekent die een curator volgens de wet heeft.
4.5 Het staat vast dat de provisioneel bewindvoerder niet heeft ingestemd met het indienen van de klacht en dat hij ook nu (in zijn rol als mentor) nog steeds niet achter de klacht staat. Volgens de mentor is klager tevreden over zijn verblijf en zijn verzorging en heeft hij hier geen klachten over.
4.6 Nu de provisioneel bewindvoerder niet instemt met de klacht, moet het Centraal Tuchtcollege de vraag beantwoorden of klager zelf in staat is om te beslissen een klacht in te dienen, met andere woorden: of hij voldoende wilsbekwaam is om zijn zoon te machtigen namens hem te klagen.
4.7 Het Centraal Tuchtcollege stelt in dit verband vast dat de zoon en de voormalige echtgenote van klager de gestelde diagnoses betwisten en menen dat er bij klager geen sprake is van dementie. Het Centraal Tuchtcollege leidt uit de overgelegde medische gegevens, waaronder de second opinion cognitie van het G. af dat er geen aanleiding is om aan de diagnoses te twijfelen. In de brief van 2 april 2025 van klinisch geriater H. van het G. staat dat klager is gezien en onderzocht op de geheugenpoli van geriatrie en dat (het resultaat van het onderzoek over) klager is besproken in het MDO geheugenteam op 31 maart 2025 in aanwezigheid van neuropsychologen, een neuroloog, een psychiater en geriaters. Zij bevestigen de eerder gestelde diagnoses en stellen dat klager bij cognitieve screeningstesten slecht scoort op alle domeinen en geen ziekte- inzicht heeft. Eerder, in 2024, heeft onderzoek in het I. ook al uitgewezen dat er sprake is van vasculaire dementie.
4.8 Daarbij komt dat klager tijdens de zitting op 11 mei 2026 niet in staat bleek te zijn om vragen over zijn situatie en de klachten beantwoorden. Desgevraagd verklaarde klager dat hij geen klachten had en dat het goed met hem ging. Uit de wijze waarop klager zich tijdens de zitting uitte, kreeg het Centraal Tuchtcollege de indruk dat klager niet goed in staat was om te bevatten dat hij bij de zitting aanwezig was vanwege klachten tegen zorgprofessionals die namens hem waren ingediend.
4.9 Alles bij elkaar is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege terecht heeft geoordeeld dat klager ten aanzien van het indienen van een klacht wilsonbekwaam is.
4.10 Met een verwijzing naar het addendum van de beschikkingen van de kantonrechter van
24 april 2025 merkt het Centraal Tuchtcollege tot slot nog op dat het zich aansluit bij de oproep aan de zoon en ex-echtgenote van klager om het verzet tegen de diagnose dementie te staken. Het Centraal Tuchtcollege is het met de kantonrechter eens dat de gemachtigde miskent hoe ziek zijn vader is en welke vorm van verzorging en verpleging hij nodig heeft.
Conclusie
4.11 Het Centraal Tuchtcollege komt tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat het beroep van klager niet kan slagen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, A.S. Gratema en B.J.M. Frederiks, leden-juristen en R.H.H. Bemelmans en I.K. van Groeningen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
E. van der Linde, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 15 juni 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.