ECLI:NL:TGDKG:2026:9 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/764969 / DW RK 25/51 BB/WdJ

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:9
Datum uitspraak: 19-01-2026
Datum publicatie: 19-01-2026
Zaaknummer(s): C/13/764969 / DW RK 25/51 BB/WdJ
Onderwerp: Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. Klager betwist dat hij huurachterstand heeft. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 19 januari 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 18 februari 2025 met zaaknummer C/13/759625 DW RK 24/397 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/764969 / DW RK 25/51 BB/WdJ ingesteld door:

[  ],

wonende te [  ],

klager,

tegen:

[  ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagde,

gemachtigde: [  ].

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 14 november 2024, heeft klager een klacht ingediend tegen (een medewerkster van het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op

17 december 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 18 februari 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van

20 februari 2025 aan klager toegezonden. Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op

20 februari 2025, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 26 september 2025, heeft klager zijn klacht aangevuld. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van

24 november 2025 alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 19 januari 2026.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           Bij brief van 23 september 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klager verzocht de huurachterstand over de maanden augustus en september 2024 te voldoen.

-           Bij e-mail van 30 september 2024 heeft klager aangegeven geen huurachterstand te hebben.

-           Bij e-mail van 11 oktober 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder aangegeven dat klager met zijn betalingen nog niet de volledige vordering heeft betaald en is hem verzocht het restant verschuldigde alsnog te voldoen.

-           Bij e-mail van 13 oktober 2024 heeft klager bezwaar gemaakt tegen de vordering.

-           Bij e-mail van 17 oktober 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klager medegedeeld dat de opdrachtgever van mening is dat de vordering terecht is overgedragen en heeft hij benadrukt dat klager de huur bij vooruitbetaling dient te voldoen.

-           Bij e-mail van 21 oktober 2024 heeft klager een klacht bij de gerechtsdeurwaarder ingediend.

-           Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder klager (nogmaals) uitgebreid toegelicht waar de vordering op ziet en is aan klager een betalingsvoorstel gedaan, waarbij is aangeboden dat bij tijdige betaling de incassokosten en rente niet door klager voldaan hoeven te worden.

-           Bij e-mail van 5 november 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder de ontvangst van de betaling van klager bevestigd en aangegeven dat het dossier wordt gesloten.

4. De oorspronkelijke klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder een vordering wil incasseren betreffende een vermeende huurschuld, terwijl klager geen achterstallige betalingen heeft.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.2 De voorzitter overweegt dat een gerechtsdeurwaarder in beginsel gehouden is een opdracht marginaal te toetsen. De gerechtsdeurwaarder mag bij het innen van een vordering uitgaan van de juistheid van de informatie die hij van de opdrachtgever ontvangt. Het is niet aan de gerechtsdeurwaarder of aan de voorzitter van de kamer om inhoudelijk in te gaan op de vordering. Uit de overgelegde producties blijkt dat de gerechtsdeurwaarder de bezwaren van klager tegen de vordering met zijn opdrachtgever heeft besproken en de reactie van de opdrachtgever heeft teruggekoppeld aan klager. Indien klager het met de hoogte van de vordering niet eens is, dient hij een executiegeschil op te starten tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. Het tuchtrecht biedt daarvoor niet de geƫigende weg.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager aangevoerd dat de afwijzing van zijn klacht geheel gebaseerd is op een verhaal van de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder. Klager beschuldigt de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder van valsheid in geschrifte, meineed en directe betrokkenheid bij inmiddels twee berovingen van de opdrachtgever.

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Voor zover klager nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kan hij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klager kan alleen al daarom niet worden ontvangen in zijn klacht dat sprake is van oplichting door de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder, zodat de juistheid hiervan verder in het midden kan worden gelaten.

7.2 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast, zij het dat de fase van een executiegeschil in deze zaak niet aan de orde was. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door klager ter zitting aangevoerde maakt dit niet anders. Indien klager van mening is dat hij geen achterstand in huurbetalingen heeft, had hij betaling achterwege kunnen laten waarna de gerechtsdeurwaarder een civiele procedure tegen klager had kunnen opstarten om de kantonrechter de vordering te laten beoordelen.

7.3 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

7.4 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. A.E. de Vos en M.F.J. Pijnenburg, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

19 januari 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.