ECLI:NL:TGDKG:2026:8 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/773354 / DW RK 25/262 BB/WdJ

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:8
Datum uitspraak: 19-01-2026
Datum publicatie: 19-01-2026
Zaaknummer(s): C/13/773354 / DW RK 25/262 BB/WdJ
Onderwerp:
  • Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
  • Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet gegrond verklaard en maatregel van berisping opgelegd. Er is executoriaal beslag gelegd op de koopsom van een onroerende zaak die de notaris onder zich hield, voor alimentatietermijnen die op dat moment nog niet opeisbaar waren. Verder is ten onrechte aan de notaris verzocht om het gehele door het beslag getroffen beslag aan de gerechtsdeurwaarders af te dragen.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 19 januari 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 15 juli 2025 met zaaknummer C/13/767027 DW RK 25/108 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/773354 / DW RK 25/262 BB/WdJ ingesteld door:

[  ],

wonende te [  ],

klager,

gemachtigde: [  ],

tegen:

1. [  ],

gerechtsdeurwaarder te [  ],

2. [  ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagden.

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 31 maart 2025, heeft de gemachtigde van klager een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 13 mei 2025, hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 15 juli 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van 16 juli 2025 aan klager toegezonden. Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 29 juli 2025, heeft de gemachtigde van klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 11 november 2025, hebben de gerechtsdeurwaarders op het verzet gereageerd. De gemachtigde van klager heeft het verzet aangevuld bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 13 november 2025. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 24 november 2025 alwaar de gemachtigde van klager is verschenen. De gerechtsdeurwaarders zijn, met kennisgeving, niet verschenen. De uitspraak is bepaald op 19 januari 2026.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           Bij beschikking van het gerechtshof Den Bosch van 5 oktober 2023 is klager veroordeeld een maandelijkse bijdrage in het levensonderhoud aan zijn

ex-vrouw te betalen.

-           Op 6 maart 2025 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 ten laste van klager  executoriaal beslag gelegd onder [  ] (hierna: de notaris) op de koopsom van een onroerende zaak ten behoeve van (aan de ex-vrouw van klager toekomende) toekomstige termijnen van levensonderhoud vanaf april 2025.

-           Bij brief van 21 maart 2025 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 de notaris verzocht (het restant van) de koopsom ten bedrage van € 313.019,944 aan hem af te dragen.

-           Bij brief van 26 maart 2025 heeft de gemachtigde van klager de gerechtsdeurwaarders verzocht dit bedrag over te maken op de derdengeldrekening van zijn kantoor.

-           De gerechtsdeurwaarders hebben dat niet gedaan.

4. De oorspronkelijke klacht

4.1 Klager beklaagt zich er samengevat over dat gerechtsdeurwaarder sub 2 in strijd met artikel 441 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) executoriaal beslag heeft gelegd voor alimentatietermijnen die nog niet verschenen en dus niet opeisbaar zijn. Dat is tuchtrechtelijk laakbaar, net zoals het feit dat gerechtsdeurwaarder sub 1 van de notaris heeft gevorderd dat het gehele bedrag dat hij onder zich hield aan de gerechtsdeurwaarders werd afgedragen. De gerechtsdeurwaarders houden het bedrag daarom zonder recht of titel onder zich.

4.2 De gerechtsdeurwaarders hebben, ondanks een aanmaning daartoe, geweigerd het ontvangen geld aan klager af te dragen/door te storten, zodat zij het geld onder zich houden zonder recht en/of geldige titel. Zij handelen onzorgvuldig en onrechtmatig jegens klager.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.2 De voorzitter stelt vast dat met de beschikking van het gerechtshof Den Bosch van

5 oktober 2023 sprake is van een executoriale titel. De rechtbank begrijpt uit de stukken verder dat het gerechtshof Den Bosch in deze beschikking concreet heeft benoemd welk bedrag klager aan zijn ex-vrouw aan levensonderhoud moet voldoen. Klager heeft deze bijdrage aan levensonderhoud niet vrijwillig betaald waarna de gerechtsdeurwaarder de opdracht heeft gekregen om beslag te leggen. Het leggen van beslag door de gerechtsdeurwaarder is niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm nu klager op grond van artikel 3:276 van het Burgerlijk Wetboek met zijn hele vermogen instaat voor de vordering. Indien klager het hier niet mee eens is dan wel de rechtmatigheid van het beslag betwist, zal hij zich hiervoor moeten wenden tot de bevoegde (executie)rechter. Het tuchtrecht is daarvoor niet de geëigende weg. Om die reden is de klacht ongegrond.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

6.1 In verzet heeft klager zijn klachten gehandhaafd.

7. Het verweer in verzet

In verzet hebben de gerechtsdeurwaarders de door klager aangevoerde gronden gemotiveerd betwist. Voor zover nodig wordt hierna op dat verweer ingegaan.

8. De beoordeling van de gronden van het verzet

8.1 Aan de orde is de vraag of de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. Met klager moet worden vastgesteld dat de voorzitter niet (volledig) op alle klachtonderdelen van klager is ingegaan.

8.2 Uit het exploot van 6 maart 2025 blijkt dat gerechtsdeurwaarder sub 2 voor toekomstige termijnen van levensonderhoud “telkens bij vooruitbetaling te voldoen vanaf april 2025” executoriaal derdenbeslag heeft gelegd op de koopsom van een onroerende zaak die de notaris voor klager onder zich hield. Hieruit volgt dat beslag is gelegd voor alimentatievorderingen die op dat moment nog niet opeisbaar waren. Het leggen van executoriaal beslag is, zo blijkt onder meer uit de toelichting bij artikel 441 Rv, evenwel niet mogelijk vóórdat een vordering opeisbaar is geworden, ook niet als de executoriale titel een veroordeling inhoudt tot periodieke betaling van (bijvoorbeeld) een bijdrage in het levensonderhoud. Op grond van artikel 479b Rv is het overigens wel mogelijk om voor toekomstige alimentatietermijnen executoriaal derdenbeslag te leggen op loon of andere periodieke uitkeringen, maar van een dergelijke periodieke uitkering (aan klager) is hier geen sprake. Door op deze manier executoriaal beslag te leggen, heeft de gerechtsdeurwaarder in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt en daarmee tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld.

8.3 Uit het voorgaande volgt eveneens dat gerechtsdeurwaarder sub 1 de notaris bij brief van 21 maart 2025 ten onrechte heeft verzocht om het gehele door het beslag getroffen bedrag ad € 313.019,94 aan de gerechtsdeurwaarder af te dragen en de gerechtsdeurwaarders dit bedrag op deze grond niet onder zich mochten houden.  Ook dit is tuchtrechtelijk laakbaar. Deze klachtonderdelen zijn dus eveneens terecht voorgesteld.

8.4 Op grond van het voorgaande dienen het verzet en de klachten tegen de gerechtsdeurwaarders (zoals weergegeven onder 4.1) gegrond te worden verklaard. De kamer acht de maatregel van berisping voor beide gerechtsdeurwaarders passend en geboden, nu gerechtsdeurwaarder sub 2 ten onrechte executoriaal beslag heeft gelegd en gerechtsdeurwaarders sub 1 op die (onjuiste) grond de gelden bij de notaris heeft opgeëist.

8.5 De kamer zal gerechtsdeurwaarders op grond van artikel 43a lid 1 onder a en b van de Gerechtsdeurwaarderswet jo de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling

kamer voor gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882) tevens veroordelen in de proceskosten. Voor klager wordt die begroot op totaal € 350,- (een forfaitair bedrag van € 50,- en kosten van verleende rechtsbijstand van € 300,-:

1 punt voor het verzetschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 150,-). Voor de procedure worden de kosten begroot op het forfaitaire bedrag van

€ 1.500,-.

8.6 Op grond van artikel 37 lid 7 van de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt de kamer dat gerechtsdeurwaarder sub 1 aan klager het betaalde griffierecht vergoedt.

8.7 Op grond van voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart de gronden van het verzet  gegrond;
  • legt de gerechtsdeurwaarders de maatregel van berisping op;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarders in de proceskosten van

klager, te begroten op € 350,-, te voldoen nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;

  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarders in de kosten van de

behandeling van de klacht door de kamer, te begroten op € 1.500,-, met

aanzegging dat de ex artikel 43 lid 6 van de Gerechtsdeurwaarder te bepalen termijn en de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder het bedrag van de

kostenveroordeling moet voldoen, na het onherroepelijk worden van deze

beslissing per brief aan de gerechtsdeurwaarder zal worden medegedeeld;

  • veroordeelt gerechtsdeurwaarder sub 1 tot betaling aan klager van het

griffiegeld van € 50,-, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. A.E. de Vos en M.F.J. Pijnenburg, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

19 januari 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.