ECLI:NL:TGDKG:2026:7 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/773666 / DW RK 25/278 BB/WdJ

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:7
Datum uitspraak: 19-01-2026
Datum publicatie: 19-01-2026
Zaaknummer(s): C/13/773666 / DW RK 25/278 BB/WdJ
Onderwerp: Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klager beklaagt zich over de hoogte van de beslagvrije voet, het niet nader toelichten van verbeurde dwangsommen en het ontvangen van nieuwe exploten. Klacht ongegrond.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 19 januari 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/773666 / DW RK 25/278 BB/WdJ ingesteld door:

[  ],

wonende te [  ],

klager,

tegen:

[  ],

gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagde.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 2 augustus 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Klager heeft zijn klacht aangevuld bij e-mails met bijlage(n), ingekomen op

6 augustus 2025. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 7 oktober 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Klager heeft zijn klacht vervolgens nog aangevuld bij e-mails met bijlagen, ingekomen op 24, 29 en

30 oktober 2025 en 4 november 2025. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 24 november 2025 alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 19 januari 2026.

2. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           Bij proces-verbaal van de rechtbank te Rotterdam van 31 augustus 2023 is tussen klager en zijn ex-partner de omgangsregeling overeengekomen voor hun minderjarige zoon. Hierin is ook opgenomen dat telkens wanneer in strijd met de overeenkomst wordt gehandeld de overtreder zonder nadere ingebrekestelling € 100,- schuldig is aan de andere ouder met een maximum van € 25.000,- per ouder.

-           Bij exploten van 21 januari 2025, 6 februari 2025 en 25 april 2025 is het proces-verbaal van 31 augustus 2023 (nogmaals) aan klager betekend en is de verbeurte van dwangsommen aangezegd.

-           Op 17 februari 2025 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder de werkgever van klager.

-           Bij e-mail van 30 april 2025 heeft klager bezwaar gemaakt tegen de gestelde verbeurde dwangsommen en heeft klager onder meer verzocht om een schriftelijke onderbouwing van het gewijzigde aantal overtredingen en de betreffende data.

-           Bij e-mail van 1 mei 2025 heeft klager de door hem ingevulde verklaring van zijn inkomsten en uitgaven alsmede een overzicht van zijn schulden aan de gerechtsdeurwaarder verstrekt. Hierbij heeft klager de gerechtsdeurwaarder verzocht de inhoudingen per direct stop te zetten.

-           Bij e-mail van 13 mei 2025 is op de e-mails van klager van 30 april 2025 en

1 mei 2025 gereageerd.

-           Bij e-mail van 14 mei 2025 heeft klager nogmaals verzocht de inhoudingen op zijn inkomen per direct op te schorten en zijn huidige draagkracht formeel vast te stellen op € 0 per maand. Tevens heeft klager de gerechtsdeurwaarder verzocht om de verhoging van de dwangsom toe te lichten.

-           Bij e-mail van 15 mei 2025 heeft klager de gerechtsdeurwaarder verzocht om bewijs van de vermeende overtredingen.

-           Bij e-mail van 20 mei 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder klager geadviseerd een kort geding op te starten.

3. De klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat:

a: er geen enkele inhoudelijke reactie van de gerechtsdeurwaarder is gekomen nadat klager het formulier inzake zijn financiële situatie, onderbouwd met stukken, heeft overgelegd;

b: zijn inkomen wordt ingehouden, terwijl klager heeft aangetoond dat zijn maandelijkse vaste lasten en schulden hoger zijn dan zijn inkomsten;

c: hij ondanks herhaalde verzoeken geen concrete onderbouwing van verbeurde dwangsommen heeft gekregen;

d: hij zonder waarschuwing, heldere toelichting of voorafgaand overleg opnieuw exploten ontvangt.

4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

5. De beoordeling van de klacht

5.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

5.2 Ten aanzien van klachtonderdelen a en b overweegt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 13 mei 2025 heeft gereageerd op de door klager overgelegde stukken met betrekking tot zijn financiële situatie. De kamer overweegt verder dat deze (tuchtrechtelijke) procedure zich niet leent voor het vaststellen van een beslagvrije voet. Een oordeel daarover is voorbehouden aan de civiele rechter. Wel is in deze procedure aan de orde of de gerechtsdeurwaarder rondom het vaststellen van een beslagvrije voet en de communicatie daarover gehandeld heeft zoals je van een gerechtsdeurwaarder mag verwachten. Uit de door de gerechtsdeurwaarder overlegde producties blijkt dat hier sprake van is. De gerechtsdeurwaarder heeft de beslagvrije voet op basis van de bij hem bekende gegevens (her)berekend. Indien klager het niet eens is met de beslagvrije voet, dient hij zich te wenden tot de gewone civiele rechter.

5.3 Ten aanzien van klachtonderdelen c en d overweegt de kamer dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. De gerechtsdeurwaarder mag bij het innen van een vordering uitgaan van de juistheid van de informatie die hij van de opdrachtgever ontvangt. Er rust op een gerechtsdeurwaarder geen wettelijke verplichting om verbeurde dwangsommen met onderbouwing toe te lichten, dan wel klager voorafgaand aan het aanzeggen van dwangsommen te waarschuwen. Anders dan klager heeft aangevoerd is verder niet gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder de beschikkingen van

31 augustus 2023 en van 10 juni 2025 door elkaar gebruikt, en ten onrechte blijft executeren op basis van eerst genoemde beschikking of in strijd met tussen partijen (nader) gemaakte afspraken. Indien klager het met executiemaatregelen niet eens is, dient hij een executiegeschil te starten tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. Het tuchtrecht biedt daarvoor niet de geëigende weg.

5.4 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. A.E de Vos en M.F.J. Pijnenburg, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

19 januari 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.