ECLI:NL:TGDKG:2026:65 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/765620 / DW RK 25/65 EdV/WdJ
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:65 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-06-2026 |
| Datum publicatie: | 30-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/765620 / DW RK 25/65 EdV/WdJ |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet. Klaagster beklaagt zich erover dat de gerechtsdeurwaarder te snel is overgegaan tot het leggen van loonbeslag. Haar betalingsvoorstel had met de schuldeiser moeten worden besproken en de reactie ervan had moeten worden afgewacht. Een termijn van twee dagen om haar betalingsverzoek te onderbouwen was te kort, aldus klaagster. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 29 juni 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 18 februari 2025 met zaaknummer C/13/760203 DW RK 24/406 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/765620 / DW RK 25/65 EdV/WdJ ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klaagster,
gemachtigde: [ ],
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 25 november 2024, heeft klaagster een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 18 december 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 18 februari 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van 20 februari 2025 aan klaagster toegezonden. Bij e-mail, ingekomen op 5 maart 2025, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Bij e-mail, ingekomen op 6 mei 2026, is het verzet van klaagster aangevuld. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 18 mei 2026 alwaar de gemachtigde van klaagster en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 29 juni 2026.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klaagster heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- Bij vonnis van 4 juli 2024 van de kantonrechter te Gouda is klaagster (hoofdelijk) veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag.
- Bij brief van 12 juli 2024 is klaagster verzocht de vordering binnen tien dagen te voldoen.
- Bij exploot van 30 juli 2024 is het vonnis van 4 juli 2024 aan klaagster betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
- Bij e-mail van 31 juli 2024 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder verzocht om een betalingsregeling.
- Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster bij e-mail van diezelfde verzocht om het inkomsten- en uitgaven formulier in te vullen en van bijlagen te voorzien en dit binnen twee dagen aan de gerechtsdeurwaarder te retourneren.
- Bij e-mail van 5 augustus 2024 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder geïnformeerd dat het haar niet is gelukt de gevraagde gegevens tijdig te regelen, omdat zij de afgelopen dagen ziek is geweest. Klaagster heeft hierbij aangegeven dat ze zal proberen het die dag te printen en in te vullen.
- Bij e-mail van 7 augustus 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder aangekondigd loonbeslag te leggen, aangezien er nog geen ingevuld en ondertekend formulier van klaagster is ontvangen.
- Hierop heeft klaagster bij e-mail van 9 augustus 2024 gereageerd en de nadere informatie aan de gerechtsdeurwaarder verstrekt en een betalingsvoorstel gedaan.
- Bij e-mail van 13 augustus 2024 stelt de gerechtsdeurwaarder dat klaagster niet de juiste gegevens heeft verstrekt met betrekking tot haar schulden en zal worden overgegaan tot het leggen van loonbeslag.
- Op 15 augustus 2024 is executoriaal derdenbeslag gelegd op het inkomen van klaagster.
4. De oorspronkelijke klacht
Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder onnodig kostenverhogend en niet in overeenstemming met de beroeps- en gedragsregels heeft gehandeld. Alles duidt erop dat klaagster bereidwillig was de vordering af te lossen middels een betalingsregeling. De gerechtsdeurwaarder is ten onrechte en te snel overgegaan tot het tot twee maal toe leggen van executoriaal derdenbeslag. Hierdoor zijn er onnodig kosten gemaakt die voor rekening van klaagster komen.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.2 Uit de overgelegde producties blijkt dat de gerechtsdeurwaarder (de advocaat van) klaagster bij brief van 12 juli 2024 heeft verzocht om de vordering te voldoen. Omdat betaling dan wel een reactie is uitgebleven is het vonnis van 4 juli 2024 op
30 juli 2024 aan klaagster betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen. De voorzitter overweegt dat het niet tuchtrechtelijk laakbaar is dat de gerechtsdeurwaarder klaagster bij deze stand van zaken vervolgens een termijn van twee dagen heeft gegund om haar verzoek om een betalingsregeling van 31 juli 2024 te onderbouwen.
4.3 Ingevolge artikel 475g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een schuldenaar verplicht aan een gerechtsdeurwaarder die gerechtigd is tegen hem beslag te leggen, desgevraagd zijn bronnen van inkomsten op te geven. De gerechtsdeurwaarder heeft in de e-mail van 31 juli 2024 aangegeven dat klaagster verplicht is de gegevens te verstrekken, voor zover deze van belang zijn voor de berekening van de beslagvrije voet. Nadat de gerechtsdeurwaarder had geconstateerd dat klaagster niet de juiste gegevens op het inkomsten- en uitgavenformulier heeft vermeld en er reeds door drie andere kantoren beslag op het inkomen van klaagster is gelegd, is aan klaagster bij e-mail van 13 augustus 2024 aangekondigd dat de gerechtsdeurwaarder eveneens tot het leggen van loonbeslag zal overgegaan, hetgeen op 15 augustus 2024 heeft plaatsgevonden. Er kan de gerechtsdeurwaarder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klaagster als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
6.1 In verzet heeft klaagster zich allereerst beklaagd over het feit dat de voorzitter zonder hoor- en wederhoor uitspraak heeft gedaan. De klacht ziet op ingrijpende executiemaatregelen met aanzienlijke financiële gevolgen, terwijl de beoordeling blijkens overwegingen 4.2 en 4.3 in belangrijke mate afhankelijk is van feitelijke omstandigheden, waaronder de communicatie over de betalingsregeling en de aan te leveren gegevens.
6.2 Klaagster heeft aangegeven een betalingsregeling overeen willen komen, teneinde bijkomende (executie)kosten te voorkomen. Klaagster stelt zich op het standpunt dat de gerechtsdeurwaarder het betalingsvoorstel van klaagster had moeten afwachten en dit voorstel met de schuldeiser had moeten bespreken, alvorens over te gaan tot het leggen van loonbeslag. Het beslag heeft in dit geval niet het karakter van een effectief executiemiddel, maar van een middel om druk uit te oefenen. Dit is in strijd met hetgeen van een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht.
6.3 Klaagster stelt zich verder op het standpunt dat de voorzitter ten onrechte heeft overwogen dat het niet tuchtrechtelijk laakbaar is dat aan klaagster een termijn van twee dagen is gegund om haar betalingsverzoek te onderbouwen. Klaagster had kenbaar gemaakt dat zij bezig was om de gevraagde gegevens te verzamelen, maar dat zij vanwege haar ziekteverzuim meer tijd nodig had. De gerechtsdeurwaarder heeft hiermee ten onrechte geen rekening gehouden.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 Op grond van artikel 39 van de Gerechtsdeurwaarderwet is het de voorzitter toegestaan om kennelijk niet-ontvankelijke of kennelijk ongegronde klachten en klachten die van onvoldoende gewicht zijn, zonder onderzoek - dus zonder mondelinge behandeling ter zitting - af te wijzen. Niet is gebleken dat de voorzitter in het geval van klager geen gebruik van deze wettelijk geboden mogelijkheid heeft mogen maken.
7.2 De kamer overweegt verder dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door de gemachtigde van klaagster ter zitting aangevoerde maken dit niet anders.
7.3 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
7.4 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. A.E. de Vos, plaatsvervangend-voorzitter, mr. A.K. Mireku en M.F.J. Pijnenburg, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.