ECLI:NL:TGDKG:2026:64 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/754583 / DW RK 24/270 EdV/WdJ
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:64 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-06-2026 |
| Datum publicatie: | 30-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/754583 / DW RK 24/270 EdV/WdJ |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster beklaagt zich erover dat de gerechtsdeurwaarder zonder toestemming van de r-c haar woning is binngengedrongen en veel schade heeft aangebracht. Verder stelt klaagster dat de gerechtsdeurwaarder het arrest van 2 april 2024 niet dan wel niet juist heeft betekend. Klacht ongegrond. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 29 juni 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/754583 / DW RK 24/270 EdV/WdJ ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klaagster,
gemachtigde: [ ],
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
1. Ontstaan en loop van de procedure
Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 24 juli 2024, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 2 september 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 7 mei 2026, heeft de gemachtigde van klaagster aanvullende stukken gestuurd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 18 mei 2026 alwaar de gemachtigde van klaagster en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 29 juni 2026.
2. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- De gerechtsdeurwaarder is sinds 2018/2019 belast met de uitvoering van meerdere bewijsbeslagen en de executie van vele vonnissen en arresten ten laste van klaagster.
3. De klacht
Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat:
a: de gerechtsdeurwaarder op 27 juni 2024 zonder toestemming van de rechter-commissaris de woning van klaagster is binnengedrongen en daarbij veel onnodige en buitenproportionele schade heeft aangericht;
b: de gerechtsdeurwaarder het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van
2 april 2024 niet dan wel niet juist heeft betekend.
4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder
De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
5. De beoordeling van de klacht
5.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet (Gdw) aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet, de Wet Kwaliteit Incassodienstverlening of in strijd met wat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van artikel 34 Gdw oplevert.
5.2.1 Ten aanzien van klachtonderdeel a stelt de kamer voorop dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door het ten laste van klaagster gewezen arrest van 2 april 2024
te executeren. Klaagster staat op grond van artikel 3:276 van het Burgerlijk Wetboek met haar hele vermogen in voor de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 435 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vrij om beslag te leggen op alle vermogensobjecten van klaagster, dus ook op haar inboedel. Indien klaagster het met de tenuitvoerlegging van de titel niet eens is dient zij een executiegeschil aan te spannen tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. Het tuchtrecht biedt daarvoor niet de geëigende weg. Voor zover klaagster stelt dat de gerechtsdeurwaarder de woning van klaagster niet had mogen betreden vanwege de schriftelijke vrijwaring van [ ] van 2 januari 2019, overweegt de kamer dat deze vrijwaring pas bij binnenkomst in de woning door de gerechtsdeurwaarder is gezien. Bovendien betreft dit een onderlinge afspraak tussen klaagster en [ ]. De gerechtsdeurwaarder hoeft met een dergelijke vrijwaring, wat daar ook van zij, geen rekening te houden.
5.2.2 De gerechtsdeurwaarder is op grond van artikel 444 Rv gerechtigd om een woning te betreden - in het bijzijn van de hulpofficier van justitie - zonder toestemming van klaagster of goedkeuring van de rechter-commissaris. In dat geval is echter wel een schriftelijk verslag van het binnentreden vereist in de zin van
artikel 10 van de Algemene wet op binnentreden. Uit de door klaagster overgelegde producties blijkt dat de gerechtsdeurwaarder dit verslag heeft opgesteld. De gerechtsdeurwaarder stelt zich op het standpunt dat aan de buitenkant van de woning niet was te zien of sprake was van feitelijke bewoning en evenmin kon worden vastgesteld of de woning was gemeubileerd. Nadat de slotenmaker had vastgesteld dat alle sloten waren voorzien van zwaar slotenwerk, zag de gerechtsdeurwaarder geen andere mogelijkheid dan binnen te komen via het openbreken van de zijdeur. Ook alle binnendeuren waren voorzien van zwaar sluitwerk. De gerechtsdeurwaarder erkent dat sloten kapot zijn gemaakt om in de woning en de afzonderlijke kamers van de woning van klaagster te kunnen komen. De gerechtsdeurwaarder ontkent uitdrukkelijk dat nodeloze schade is aangericht en draden zijn doorgeknipt. De aanwezige beveiligingsapparatuur is uitgezet of losgekoppeld, maar heel gelaten, aldus de gerechtsdeurwaarder. De kamer overweegt dat de door klaagster overgelegde rapportage van recherchebureau [ ] van 21 juli 2024 geen uitsluitsel geeft wanneer en door wie de betreffende schade is aangebracht. Nu niet kan worden vastgesteld dat de schade aan en in de woning van klaagster is veroorzaakt door de gerechtsdeurwaarder, wordt dit klachtonderdeel als ongegrond afgewezen.
5.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de kamer dat uit de overgelegde producties blijkt dat de gerechtsdeurwaarder het arrest van 2 april 2024 heeft betekend op de in artikel 54, lid 2, Rv genoemde wijze, nu betekening via het Amtsgericht in Duitsland niet mogelijk bleek en het SNG-portaal geen (ander) buitenlands adres heeft opgeleverd. Daarbij heeft de gerechtsdeurwaarder kopieën overgelegd van een brief van de gemeente [ ] van 17 juni 2024, waaruit volgt dat klaagster niet bekend is op het door haar opgegeven adres en een e-mail van, naar de kamer begrijpt, de beheerder van het adres waarop klaagster woonachtig zou zijn in
[ ] van 12 juni 2024, waaruit volgt dat zij daar niet bekend is. Bij deze stand van zaken handelt de gerechtsdeurwaarder op dit klachtonderdeel niet tuchtrechtelijk laakbaar door ervoor te kiezen het arrest te betekenen op grond van artikel 54, lid 2, Rv (openbaar) met daarnaast toezending van de arresten per e-mail.
5.4 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus gegeven door mr. A.E. de Vos, plaatsvervangend-voorzitter, mr. A.K. Mireku en M.F.J. Pijnenburg, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
29 juni 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.