ECLI:NL:TGDKG:2026:60 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/779383 / DW RK 25/505 BB/WdJ
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:60 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-06-2026 |
| Datum publicatie: | 03-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/779383 / DW RK 25/505 BB/WdJ |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 3 juni 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 18 november 2025 met zaaknummer C/13/772677 / DW RK 25/252 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/779383 / DW RK 25/505 BB/WdJ ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klager,
tegen:
[ ],
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde,
gemachtigde: [ ].
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 18 juli 2025, heeft klager namens zijn echtgenote [ ] een klacht ingediend tegen (een medewerker van het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Klager heeft zijn klacht aangevulde bij e-mail met bijlage, ingekomen op 22 juli 2025. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 14 oktober 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 18 november 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van 20 november 2025 aan klager toegezonden. Bij e-mails met bijlagen, ingekomen op 26 november 2025, heeft de echtgenote van klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Klager heeft het verzet aangevuld bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 21 en 22 april 2026. De aanvullende stukken worden buiten beschouwing gelaten, omdat ze niet tijdig zijn ingediend. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 22 april 2026 alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 3 juni 2026.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
De echtgenote van klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- Op 9 augustus 2022 is de echtgenote van klager gedagvaard te verschijnen ter zitting van de kantonrechter te Dordrecht tegen 25 augustus 2022.
- Bij vonnis van 8 september 2022 is de echtgenote van klager bij verstek veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag aan OHRA Zorgverzekeringen N.V. (hierna: OHRA).
- Bij exploot van 28 september 2022 is het vonnis van 8 september 2022 aan de echtgenote van klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
- Bij brief van 1 april 2025 is de echtgenote van klager verzocht tot betaling van de openstaande vordering over te gaan.
- Op 29 april 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal derdenbeslag gelegd onder de werkgever van de echtgenote van klager.
4. De oorspronkelijke klacht
Klager beklaagt zich er samengevat over dat:
a: er getracht is beslag te leggen op de transitievergoeding van de echtgenote van klager, zonder dat er een gerechtelijke uitspraak is waarin expliciet staat dat deze vergoeding onder het beslag valt;
b: er op 7 mei 2025 beslag op het inkomen van de echtgenote van klager is gelegd, terwijl er sinds 13 februari 2023 niet meer met haar is gecorrespondeerd en er geen dagvaarding en vonnis aan de echtgenote van klager is betekend;
c: de timing van de beslaglegging precies rond de uitbetaling van vakantiegeld de indruk wekt van strategisch misbruik;
d: er sprake is van structurele schending van de rechten van de echtgenote van klager als erkende gedupeerde in het toeslagenhersteltraject;
e: de vordering ad € 295 is opgelopen tot meer dan € 1.100, ondanks dat klager en zijn echtgenote vanaf het begin geprobeerd hebben volledige medewerking te verlenen en meerdere keren bezwaar hebben aangetekend bij OHRA;
f: er beslag is gelegd, zonder rekening te houden met het lopende bezwaar bij OHRA.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.2 Ten aanzien van klachtonderdelen a en f stelt de voorzitter voorop dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door het vonnis van 8 september 2022 op uitdrukkelijk verzoek van OHRA te executeren. Uit de overgelegde producties blijkt dat de werkgever van de echtgenote van klager de arbeidsovereenkomst met toestemming van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen met ingang van 1 augustus 2025 heeft opgezegd. De transitievergoeding valt in dat geval onder het loonbeslag. Indien (de echtgenote van) klager het met de executie niet eens is dient hij een executiegeschil aan te spannen tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder.
4.3.1 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde producties blijkt verder dat de dagvaarding bij exploot van 9 augustus 2022 aan de echtgenote van klager is betekend, op de in artikel 47 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalde wijze door achterlating van het exploot in een gesloten envelop op het adres (van de echtgenote) van klager. Verder blijkt uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde producties dat het vonnis van 8 september 2022 op 28 september 2022 aan de echtgenote van klager is betekend door overhandiging van het exploot aan klager. Een exploot van een gerechtsdeurwaarder is een authentieke akte in de zin van artikel 156 lid 2 Rv. Op grond van het bepaalde in artikel 157 lid 1 Rv levert een zodanige akte dwingend bewijs op van de daarin gerelateerde verrichtingen van de gerechtsdeurwaarder. Dat betekent dat de inhoud daarvan vast staat behoudens tegenbewijs. Dat heeft klager niet geleverd. De enkele stelling van klager dat hij de exploten niet heeft ontvangen is hiertoe onvoldoende. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de dagvaarding op 9 augustus 2022 en het vonnis van 8 september 2022 op 28 september 2022 aan de echtgenote van klager zijn betekend.
4.3.2 Uit de overgelegde producties blijkt verder dat in de periode van 15 februari 2023 tot eind maart 2025 op verzoek van OHRA een betalingspauze is ingelast. Na het hervattingsverzoek van OHRA is de echtgenote van klager vervolgens bij brief van 1 april 2025 verzocht tot betaling van de openstaande vordering over te gaan. Hierop is niet gereageerd. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen op dit klachtonderdeel.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de voorzitter dat niet gebleken dan wel met stukken is onderbouw dat de gerechtsdeurwaarder bewust rond de uitbetaling van het vakantiegeld beslag op het inkomen van de echtgenote van klager heeft gelegd. De stelling dat sprake zou zijn van strategisch misbruik, voor zover hier al sprake van kan zijn, stuit hierop af. Dit klachtonderdeel wordt als kennelijk ongegrond afgewezen.
4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt de voorzitter dat klager niet met stukken heeft onderbouwd dat zijn echtgenote is erkend als gedupeerde in het kader van de toeslagenaffaire. Ook uit de voor de gerechtsdeurwaarder beschikbare informatie van de Belastingdienst, Sociale Banken Nederland en Stichting Netwerk Gerechtsdeurwaarders blijkt dit niet. Er was voor de gerechtsdeurwaarder dan ook geen aanleiding om de executiemaatregelen op te schorten.
4.6 Ten aanzien van klachtonderdeel e overweegt de voorzitter dat de door de gerechtsdeurwaarder in rekening gebrachte kosten berusten op de door de overheid vastgestelde en in het Besluit tarieven ambtshandeling gerechtsdeurwaarders (Btag) neergelegde tarieven. Niet gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder andere of hogere kosten in rekening heeft gebracht. Dat de kosten zijn opgelopen kan niet aan de gerechtsdeurwaarder worden verweten. Een tuchtrechtelijk verwijt kan de gerechtsdeurwaarder op dit klachtonderdeel niet gemaakt worden.
4.7 Voor zover klager zich beklaagt over het handelen van OHRA, dient klager zich tot OHRA te wenden.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
In verzet heeft klager - kort samengevat - het volgende aangevoerd.
6.1 De echtgenote van klager heeft nooit een dagvaarding ontvangen en hoorde pas na betekening van het vonnis op 8 september 2022 dat er een rechtszaak had plaatsgevonden op 9 augustus 2022. Het vonnis is niet rechtsgeldig betekend en had niet geëxecuteerd mogen worden.
6.2 De gerechtsdeurwaarder heeft niet gereageerd op haar uitgebreide e-mail van
13 februari 2023.
6.3 Vanaf februari 2023 tot 30 april 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder niets meer laten horen. In april 2025 kwam er plots een betekening, direct gevolgd door loonbeslag.
6.4 Bij de beslaglegging is geen juiste beslagvrije voet toegepast. Er is beslag gelegd op het gehele inkomen inclusief vakantiegeld.
6.5 De gerechtsdeurwaarder heeft zich niet gehouden aan de zorgplicht nadat hij ervan op de hoogte raakte dat het gezin van klager op 2 april 2025 betrokken raakte bij een ernstig verkeersongeval. Het gezin heeft daarbij letsel opgelopen en de echtgenote van klager kreeg op 3 juli 2025 een miskraam na twintig weken zwangerschap.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 Voor zover klager nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kan hij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klager kan niet worden ontvangen in zijn klachten als vermeld onder 6.4 en 6.5.
7.2 De kamer overweegt dat, hoewel het in dit geval (waarin op verzoek van de opdrachtgever gedurende een betalingspauze van ongeveer twee jaar was ingelast) netter had geweest als er na de brief van 1 april 2025 nog een brief aan de echtgenote van klaagster was verzonden voordat op 29 april 2025 werd overgegaan tot beslaglegging, de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door klager ter zitting aangevoerde maken dit niet anders.
7.3 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
7.4 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. J.H.H. Evers en mr. H.A. Roos, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.