ECLI:NL:TGDKG:2026:6 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/764564 / DW RK 25/48 BB/WdJ
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:6 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 19-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/764564 / DW RK 25/48 BB/WdJ |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht betreft het executeren van dwangsommen omdat klager zich niet aan de overeengekomen omgangsregeling zou hebben gehouden. Er kan de gerechtsdeurwaarder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Klacht ongegrond. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 19 januari 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/764564 / DW RK 25/48 BB/WdJ ingesteld door:
[ ] ,
wonende te [ ],
klager,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
1. Ontstaan en loop van de procedure
Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 17 februari 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 3 april 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Klager heeft zijn klacht aangevuld bij e-mails met bijlagen, ingekomen op 21, 22, 24, 27, 29 en 30 oktober 2025 en
4 november 2025. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van
24 november 2025 alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 19 januari 2026.
2. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- Bij proces-verbaal van de rechtbank te Rotterdam van 31 augustus 2023 is tussen klager en zijn ex-partner de omgangsregeling overeengekomen voor hun minderjarige zoon. Hierin is ook opgenomen dat telkens wanneer in strijd met de overeenkomst wordt gehandeld de overtreder zonder nadere ingebrekestelling € 100,- schuldig is aan de andere ouder met een maximum van € 25.000,- per ouder.
- Bij exploot van 21 januari 2025 is het proces-verbaal van 31 augustus 2023 (nogmaals) aan klager betekend en is de verbeurte van dwangsommen van
€ 1.000,- aangezegd.
- Bij e-mail van 29 januari 2025 heeft klager bezwaar gemaakt tegen de gestelde verbeurde dwangsommen. De gerechtsdeurwaarder heeft bij e-mail van 30 januari 2025 op deze bezwaren gereageerd.
- Bij e-mail van 30 januari 2025 heeft klager de gerechtsdeurwaarder geïnformeerd dat hij een verzoekschrift bij de rechtbank heeft ingediend in verband met de verschillende onwaarheden van zijn ex-partner en dat zijn advocaat het verdere contact met de gerechtsdeurwaarder zal overnemen.
- Bij exploot van 6 februari 2025 is € 1.500,- aan verbeurde dwangsommen aan klager aangezegd.
- Bij e-mail van 7 februari 2025 heeft klager opnieuw bezwaar gemaakt tegen de gestelde verbeurde dwangsommen.
- Op 17 februari 2025 is executoriaal derdenbeslag onder de werkgever van klager gelegd.
- Bij beschikking van 10 juni 2025 is de zorgregeling gewijzigd.
3. De klacht
Klager beklaagt zich er samengevat over dat:
a: de gerechtsdeurwaarder blijft doorgaan met het executeren van dwangsommen, terwijl zijn ex-partner misbruik maakt van de omgangsregeling;
b: de gerechtsdeurwaarder geen gehoor geeft aan de bezwaren van klager;
c: hij financiële schade lijdt en de situatie rondom de omgang met zijn kind onnodig verslechtert.
4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder
De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
5. De beoordeling van de klacht
5.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
5.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de kamer dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. De gerechtsdeurwaarder mag bij het innen van een vordering uitgaan van de juistheid van de informatie die hij van de opdrachtgever ontvangt. De gerechtsdeurwaarder heeft zich op het standpunt gesteld dat de opdrachtgever met diverse bewijsmiddelen heeft aangetoond dat klager zich niet aan de overeengekomen omgangsregeling heeft gehouden. De kamer ziet zonder bewijs van het tegendeel geen reden om aan het standpunt van de gerechtsdeurwaarder te twijfelen. Nu klager niet aannemelijk heeft gemaakt dan wel met stukken heeft onderbouwd dat hij zich wel degelijk aan de omgangsregeling heeft gehouden, dient dit klachtonderdeel als ongegrond te worden afgewezen. De door klager overgelegde sms-berichten en e-mailberichten maken dit niet anders. Anders dan klager heeft aangevoerd is verder evenmin gebleken dat de gerechtsdeurwaarder de beschikkingen van 31 augustus 2023 en van 10 juni 2025 door elkaar gebruikt, en ten onrechte blijft executeren op basis van eerst genoemde beschikking of in strijd met tussen partijen (nader) gemaakte afspraken. Indien klager het met executiemaatregelen niet eens is, dient hij een executiegeschil te starten tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. Het tuchtrecht biedt daarvoor niet de geëigende weg.
5.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b heeft de gerechtsdeurwaarder niet betwist dat niet is gereageerd op de e-mail van klager van 7 februari 2025. Uit de inhoud van de e-mail van klager heeft de gerechtsdeurwaarder echter ook niet hoeven begrijpen dat hij hierop zou moeten reageren. Klager heeft slechts meegedeeld dat hij het niet eens is met de opgelegde dwangsom en dat zijn advocaat het verdere contact met de gerechtsdeurwaarder zal overnemen. Gelet daarop is niet onlogisch dat de gerechtsdeurwaarder het aangekondigde contact met de advocaat van klager heeft afgewacht. De gerechtsdeurwaarder heeft echter niets van de advocaat van klager vernomen. Er kan de gerechtsdeurwaarder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt op dit klachtonderdeel.
5.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de kamer dat het niet aan de gerechtsdeurwaarder kan worden verweten dat klager financiële schade lijdt, nu dit het gevolg is van het niet nakomen van de overeengekomen omgangsregeling. Dat de situatie omtrent de omgang met het kind van klager is verslechterd, kan evenmin aan
de gerechtsdeurwaarder worden verweten.
5.5 Voor zover klager zijn klacht van 17 februari 2025 in nadere (na de ontvangst van het verweerschrift van de gerechtsdeurwaarder ontvangen) e-mailberichten heeft willen aanvullen met nieuwe klachtonderdelen overweegt de kamer dat de nieuwe klachtonderdelen niet in deze klacht kunnen worden betrokken.
5.6 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. A.E. de Vos en M.F.J. Pijnenburg, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 januari 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.