ECLI:NL:TGDKG:2026:59 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/779997 / DW RK 25/520 HE/WdJ
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:59 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-06-2026 |
| Datum publicatie: | 03-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/779997 / DW RK 25/520 HE/WdJ |
| Onderwerp: | Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 3 juni 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 11 november 2025 met zaaknummer C/13/772021 / DW RK 25/233 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/779997 / DW RK 25/520 HE/WdJ ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klaagster,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij klachtenformulier, ingekomen op 7 juli 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 9 oktober 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 11 november 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klaagster toegezonden. Bij e-mail, ingekomen op 25 november 2025, heeft klaagster pro forma verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Klaagster heeft haar verzet aangevuld bij e-mail, ingekomen op
7 december 2025. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van
22 april 2026 alwaar de gerechtsdeurwaarder is verschenen. Klaagster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De uitspraak is bepaald op 3 juni 2026.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klaagster heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- De gerechtsdeurwaarder is belast met een vordering van [ ] te [ ] op klaagster.
- Op 10 maart 2017 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ten laste van klaagster.
4. De oorspronkelijke klacht
Klaagster beklaagt zich er over dat zij meerdere keren om inzage in het dossier heeft gevraagd, wat keer op keer wordt geweigerd.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.2 De voorzitter overweegt dat de enkele niet nader door klaagster onderbouwde stelling onvoldoende is om tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtsdeurwaarder vast te stellen.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klaagster als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
6.1 In verzet heeft klaagster aangevoerd dat zij in de zaak van [ ] nooit is gedagvaard en dus ook niet de kans heeft gehad om zich in deze bij de kantonrechter te verdedigen.
6.2 Klaagster heeft verder aangevoerd dat het gerechtsdeurwaarderskantoor zich niet houdt aan de wettelijke beslagvrije voet en klaagster niet de kans heeft gegeven om gegevens aan te dragen teneinde de juiste beslagvrije voet de kunnen berekenen.
6.3 Klaagster heeft in verzet voorts aangegeven dat de gerechtsdeurwaarder stelt dat de procedure bij de kamer niet tegen het kantoor, maar tegen hem moet worden gevoerd, terwijl klaagster juist een klacht specifiek tegen het kantoor heeft ingediend, wat betreft de inzage in het dossier.
6.4 Klaagster heeft tevens aangevoerd dat in een procedure als deze geen beslissing kan worden genomen zonder alle partijen mondeling tijdens een zitting van de kamer te horen, om er zeker van te zijn dat alle argumenten uitgesproken worden en er een gedegen beslissing op basis van deze feiten en argumenten genomen wordt.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 Voor zover klaagster nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kan zij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klaagster kan daarom niet worden ontvangen in haar klachten als vermeld onder 6.1 en 6.2.
7.2 Ten aanzien van klachtonderdeel 6.3 overweegt de kamer dat een klacht op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet niet kan worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. Dit is ook door de voorzitter opgenomen onder 4.1 van de beslissing van 11 november 2025. Klachten kunnen alleen gericht worden tegen gerechtsdeurwaarders, waarnemend gerechtsdeurwaarders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders.
7.3.1 Ten aanzien van klachtonderdeel 6.4 verwijst de kamer naar artikel 5 van het Reglement omtrent de werkwijze van de kamer voor gerechtsdeurwaarders. Hierin is onder meer opgenomen dat een klacht een duidelijke omschrijving van de klacht en de gronden waarop de klacht berust dient te bevatten. In artikel 39, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet is bepaald dat de voorzitter zonder nader onderzoek door de kamer voor gerechtsdeurwaarders kennelijk niet-ontvankelijke en kennelijk ongegronde klachten alsmede klachten die naar zijn oordeel van onvoldoende gewicht zijn, bij met redenen omklede beslissing kan afwijzen.
7.3.2 Klaagster heeft in haar oorspronkelijke klacht slechts volstaan met de omschrijving: “Meerdere keren inzage in het dossier. Dit wordt keer op keer geweigerd.”. De klacht is niet nader toegelicht dan wel met stukken onderbouwd. Dit is de reden dat de voorzitter de klacht zonder zitting ongegrond heeft verklaard.
7.4 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van die klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
7.5 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J.H.J. Evers, plaatsvervangend-voorzitter,
mr. M.C.M. Hamer en mr. H.A. Roos, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.