ECLI:NL:TGDKG:2026:58 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/777096 / DW RK 25/391 HE/WdJ

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:58
Datum uitspraak: 03-06-2026
Datum publicatie: 03-06-2026
Zaaknummer(s): C/13/777096 / DW RK 25/391 HE/WdJ
Onderwerp:
  • Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
  • Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. Aan toegevoegd gerechtsdeurwaarders [b] en [c] wordt de maatregel van berisping opgelegd, omdat ze exploten hebben achtergelaten zonder vooraf aan te bellen dan wel kloppen. De toegevoegd gerechtsdeurwaarders worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van klaagster, de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer en het betalen van het griffiegeld aan klaagster. Het verzet wordt voor het overige ongegrond, dan wel niet-ontvankelijk verklaard.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 3 juni 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 7 oktober 2025 met zaaknummer C/13/773655 / DW RK 25/276 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/777096 / DW RK 25/391 HE/WdJ ingesteld door:

[  ],

wonende te [  ],

klaagster,

tegen:

1. [a],

gerechtsdeurwaarder te [  ],

2. [b],

3. [c],

toegevoegd gerechtsdeurwaarders te [  ],

beklaagden,

gemachtigde: [b].

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 1 augustus 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen [  ]. Klaagster heeft haar klacht aangevuld bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 13 augustus 2025. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op

9 september 2025, heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 7 oktober 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klaagster toegezonden. Bij e-mail, ingekomen op 9 oktober 2025, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Klaagster heeft haar verzet aangevuld bij e-mail, ingekomen op 31 maart 2026. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 22 april 2026 alwaar [b] is verschenen als gemachtigde van gerechtsdeurwaarder [a], vergezeld door toegevoegd gerechtsdeurwaarder [c]. Klaagster is, met kennisgeving, niet verschenen. De uitspraak is bepaald op 3 juni 2026.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klaagster heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           De gerechtsdeurwaarders hebben meerdere dossiers van klaagster in behandeling afkomstig van het Centraal Justitieel Incassobureau.

4. De oorspronkelijke klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat:

a: exploten niet rechtsgeldig zijn betekend, nu geen enkel contact is geweest en de geadresseerde niet is geïdentificeerd;

b: bij het gelegde bankbeslag niet de juiste beslagvrije voet is gehanteerd en zij niet is benaderd voor het verstrekken van de gegevens om de beslagvrije voet te bepalen;

c: zonder toestemming en zonder aankondiging of legitimatie het terrein van klaagster is betreden.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a stelt de voorzitter voorop dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de ten laste van klaagster uitgevaardigde dwangbevelen  - die klaagster verder niet concreet heeft benoemd - te executeren. De gerechtsdeurwaarder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat zij meerdere exploten aan klaagster heeft betekend, op de in artikel 47 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalde wijze door achterlating van de exploten in een gesloten envelop op het adres waar klaagster volgens het register van de Basisregistratie Personen woonachtig is, nadat na aanbellen de deur niet werd geopend. Dit is niet tuchtrechtelijk laakbaar. De voorzitter ziet geen reden om aan het standpunt van de gerechtsdeurwaarder in het verweerschrift te twijfelen. Verder heeft klaagster in haar klacht niet onderbouwd welke exploten niet op rechtsgeldige wijze betekend zouden zijn.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat deze (tuchtrechtelijke) procedure zich niet leent voor het vaststellen van een beslagvrije voet. Een oordeel daarover is voorbehouden aan de civiele rechter. Overigens blijkt uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde producties dat het gelegde bankbeslag geen doel heeft getroffen, zodat een beslagvrije voet hier niet aan de orde is. Verder overweegt de voorzitter dat de gerechtsdeurwaarder de beslagvrije voet met behulp van de geautomatiseerde rekenmodule berekent. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van gegevens uit de UWV Polisadministratie, de Basisregistratie Personen en van de Belastingdienst. Dit voorkomt dat een beslagvrije voet ten onrechte te laag wordt bepaald in het geval een betrokkene de benodigde gegevens niet verstrekt. De gerechtsdeurwaarder is dus niet afhankelijk van informatieverstrekking door klaagster. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen op dit klachtonderdeel.

4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de voorzitter dat de gerechtsdeurwaarder naar de voordeur van de woning van klaagster is gelopen, heeft aangebeld en vervolgens exploten in de brievenbus van klaagster heeft gedeponeerd. Dit is niet tuchtrechtelijk laakbaar. Dat klaagster borden met de tekst “verboden toegang” bij haar woning heeft geplaatst maakt niet dat het wettelijk verboden is om naar de voordeur van klaagster te lopen.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klaagster als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

6.1 In verzet heeft klaagster aangevoerd dat de voorzitter stelt dat klaagster niet concreet heeft benoemd welke exploten onjuist zouden zijn betekend. Klaagster stelt dat zij dit niet kan doen, omdat er geen enkele betekening op rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden. De gerechtsdeurwaarder heeft niet aangebeld of contact gezocht en geen legitimatie getoond. De gerechtsdeurwaarder heeft enveloppen in de brievenbus gedeponeerd en is direct weggelopen. Klaagster heeft dit met videobeelden en foto’s aangetoond.

6.2 Klaagster heeft verder aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder stelt te hebben betekend volgens artikel 47 Rv, door “na aanbellen en geen gehoor te krijgen” de stukken in een gesloten envelop achter te laten. Uit de door klaagster overgelegde videobeelden blijkt echter dat de betreffende gerechtsdeurwaarder niet heeft aangebeld dan wel een poging tot contact heeft ondernomen.

6.3 Klaagster voert tevens aan dat de gerechtsdeurwaarder zonder toestemming van klaagster haar afgesloten privéterrein heeft betreden. Het argument van de voorzitter dat een gerechtsdeurwaarder “naar de voordeur mag lopen” gaat in dit geval niet op, omdat sprake was van een afgesloten terrein en een expliciete toegangsweigering.

6.4 Klaagster voert ook aan dat de gerechtsdeurwaarder bankbeslagen heeft gelegd zonder klaagster daarover te informeren, terwijl dat op grond van artikel 475i Rv verplicht is.

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Voor zover klaagster nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd, kan zij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klaagster kan daarom niet worden ontvangen in haar klacht als vermeld onder 6.4.

7.2 Ten aanzien van klachtonderdelen 6.1 en 6.2 overweegt de kamer dat uit de door klaagster in verzet overgelegde videobeelden blijkt dat toegevoegd gerechtsdeurwaarder [b] (hierna: [b]) op 7 juli 2025 een envelop op het adres van klaagster heeft achtergelaten. [b] heeft ter zitting aangegeven dat dit een exploot betrof voor de huisgenoot van klaagster. Verder blijkt uit de videobeelden dat toegevoegd gerechtsdeurwaarder [c] (hierna: [c]) op 29 juli 2025 een envelop op het adres van klaagster heeft achtergelaten. [c] heeft ter zitting aangegeven dat zij op die datum twee exploten ten behoeve van klaagster heeft betekend.

7.3 Gelet op de data van de videobeelden en de handelingen die daarop te zien zijn door [b] en [c], begrijpt de kamer dat de oorspronkelijke klacht van  klaagster gericht was tegen [b] en [c] en niet tegen [a]. Om die reden hadden ook zij als beklaagde gerechtsdeurwaarders in de beslissing meegenomen moeten worden. De kamer heeft daarom naar aanleiding van het verzetschrift, de bijgevoegde videobeelden en de verklaringen van [b] en [c] tijdens de zitting, ook [b] en [c] in de aanhef van deze beslissing vermeld als beklaagden.

7.4 De kamer stelt vast dat op de videobeelden duidelijk te zien is dat [b] en [c] de exploten in de brievenbus op het adres van klaagster hebben achtergelaten, zonder dat daaraan voorafgaand is aangebeld dan wel is geklopt op de deur. Aangezien het betekenen van exploten een kerntaak en een ambtshandeling is van de gerechtsdeurwaarder, vindt de kamer het achterlaten van een exploot zonder vooraf aan te bellen tuchtrechtelijk laakbaar. [b] heeft tijdens de zitting verklaard dat het in zijn geval ging om een exploot dat niet gericht was aan klaagster, maar aan een ander. Ook sluit hij de mogelijkheid niet uit dat hij wel heeft aangebeld en vervolgens terug is gegaan naar de auto om het exploot op te halen. Dit is allemaal echter niet nader onderbouwd.

7.5 Op grond van de verstrekte videobeelden blijkt dat de stelling onder punt 5 van het verweerschrift dat in dit geval [b] dan wel [c] steeds heeft aangebeld en - nadat de deur niet werd geopend - het exploot in een gesloten envelop heeft achtergelaten in de brievenbus van klaagster, niet klopt. Uit de overgelegde videobeelden blijkt immers dat dit tweemaal niet is gebeurd.

7.6 Ten aanzien van klachtonderdeel 6.3 overweegt de kamer dat de voorzitter onder overweging 4.4, onderdeel c, van de beslissing van 7 oktober 2025 de juiste maatstaf heeft toegepast. Uit de door klaagster overgelegde videobeelden blijkt dat de woning van klaagster een rijtjeshuis is met een tuin die omheind is en grenst aan de straatzijde en een pad vanaf de straatzijde dat loopt naar de voordeur. Van een expliciete toegangsweigering om de tuin en het pad te betreden om een exploot te betekenen is, wat daar verder van zij, niet gebleken. De stelling van klaagster dat sprake is van een afgesloten terrein kan hierom niet slagen.

7.7 Op grond van het voorgaande dienen het verzet en de klacht tegen [b] en [c]  gegrond te worden verklaard. De beslissing van de voorzitter kan niet in stand blijven en dient te worden vernietigd. Voor zover het verzet betrekking heeft op [a] kan dit verzet niet slagen nu niet is gebleken van tuchtrechtelijk laakbaar handelen van [a].

7.8 De kamer acht ten aanzien van [b] en [c] de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden. De kamer betrekt hierbij dat het betekenen van een exploot een ambtshandeling is wat met de nodige zorgvuldigheid moet worden gedaan. Ook weegt de kamer mee dat zowel [b] en [c] hebben volgehouden te hebben aangebeld totdat zij geconfronteerd werden met de videobeelden. Dit schaadt het vertrouwen in gerechtsdeurwaarders dat hen toekomt op grond van hun hoedanigheid.

7.9 De kamer zal [b] en [c] op grond van artikel 43a lid 1 onder a en b van de Gerechtsdeurwaarderswet jo de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882) tevens veroordelen in de proceskosten. Voor klaagster wordt die begroot op een forfaitair bedrag van

€ 50,-. Voor de procedure worden de kosten begroot op het forfaitaire bedrag van

€ 1.500,-.

7.10 Op grond van artikel 37 lid 7 van de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt de kamer dat [b] en [c] aan klaagster het betaalde griffierecht vergoeden.

7.11 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet niet-ontvankelijk ten aanzien van verzetsgrond 6.4;
  • verklaart het verzet ongegrond ten aanzien van verzetsgrond 6.3;
  • verklaart het verzet gegrond ten aanzien van de verzetsgronden 6.1 en 6.2 en vernietigt de bestreden beslissing van de voorzitter voor wat betreft overweging 4.2;
  • verklaart klachtonderdeel a van de oorspronkelijke klacht gegrond en voor het overige ongegrond;
  • legt de [b] en [c] voor het gegronde deel van de klacht de maatregel van berisping op;
  • veroordeelt [b] en [c] hoofdelijk in de proceskosten van klaagster, te begroten op € 50,-, te voldoen nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
  • veroordeelt [b] en [c] hoofdelijk in de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer, te begroten op € 1.500,-, met aanzegging dat de ex artikel 43 lid 6 van de Gerechtsdeurwaarderswet te bepalen termijn en de wijze waarop zij het bedrag van de kostenveroordeling moeten voldoen, na het onherroepelijk worden van deze beslissing per brief aan [b] en [c] zal worden medegedeeld;
  • veroordeelt [b] en [c] hoofdelijk tot betaling aan klaagster van het griffiegeld van € 50,-, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. J.H.J. Evers, plaatsvervangend-voorzitter,

mr. M.C.M. Hamer en mr. H.A. Roos, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen het deel waarbij het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ongegrond is verklaard, staat geen rechtsmiddel open.

Tegen het deel waarbij de beslissing van de voorzitter is vernietigd en alsnog op de klacht is beslist, kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.