ECLI:NL:TGDKG:2026:53 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/784633 / DW RK 26/155 MK/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:53 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-05-2026 |
| Datum publicatie: | 03-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/784633 / DW RK 26/155 MK/SM |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet. Klager beklaagd zich er onder meer over dat de ontruiming door de gerechtsdeurwaarder niet naar behoren is gegaan omdat er spullen zijn beschadigd en de woning niet helemaal is leeggehaald. De voorzitter heeft overwogen dat, voor zover daar sprake van is geweest, dit voor rekening en risico van klager komt, door niet zelf het pand leeg te (laten) halen. Er kan de gerechtsdeurwaarder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. Het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 29 mei 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 24 februari 2026 met zaaknummer C/13/776475 DW RK 25/380 RH/WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/784633 / DW RK 26/155 MK/SM ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klager,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 1 oktober 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen (een medewerker van het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 27 oktober 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 24 februari 2026 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klager toegezonden. Bij brief, ingekomen op 10 maart 2026, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 17 april 2026 alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 29 mei 2026.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- De gerechtsdeurwaarder is belast (geweest) met een ten laste van klager gewezen vonnis van de kantonrechter te Zutphen van 15 juni 2023.
- Bij exploot van 22 augustus 2023 is het vonnis van 15 juni 2023 aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
- Bij exploot van 5 september 2023 is de ontruiming van de woning van klager aangezegd tegen 22 september 2023.
- Bij exploot van 22 september 2023 is de geplande ontruiming van de woning van klager verzet naar 27 september 2023.
- Op 27 september 2023 is de woning van klager ontruimd.
- Bij e-mail van 1 februari 2024 heeft klager bezwaar gemaakt tegen de manier van ontruimen op 27 september 2023.
- Hierop heeft een medewerkster van het gerechtsdeurwaarderskantoor klager bij e-mail van 8 februari 2024 geïnformeerd dat een collega-gerechtsdeurwaarder de ontruiming heeft uitgevoerd en dat het bezwaar van klager is doorgestuurd voor een reactie.
- Bij e-mail van 13 februari 2024 is de reactie van de collega-gerechtsdeurwaarder op het bezwaar van klager aan klager doorgezonden.
4. De oorspronkelijke klacht
Klager beklaagt zich er samengevat over dat:
- hij op 22 september 2023 een envelop in de bus kreeg dat de geplande ontruiming van die dag zou worden uitgesteld naar 27 september 2023, terwijl klager thuis was en zonder opgave van reden;
- hij geen exploot van de ontruiming heeft ontvangen;
- de ontruiming op 27 september 2023 niet naar behoren is gegaan. Er zijn veel spullen beschadigd en niet de hele woning is leeggehaald. Ook zijn goederen in de containers meegegaan die in de woning achter hadden moeten blijven, aldus klager.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen (medewerkers van) een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
4.2.1 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de voorzitter dat het exploot van
22 september 2023 aan klager is betekend, op de in artikel 47 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalde wijze door achterlating van het exploot in een gesloten envelop op het adres van klager, omdat de betreffende gerechtsdeurwaarder niemand aantrof aan wie het exploot kon worden afgegeven. Een exploot van een gerechtsdeurwaarder is een authentieke akte in de zin van artikel 156 lid 2 Rv. Op grond van het bepaalde in artikel 157 lid 1 Rv levert een zodanige akte dwingend bewijs op van de daarin gerelateerde verrichtingen van de gerechtsdeurwaarder. Dat betekent dat de inhoud daarvan vast staat behoudens tegenbewijs. Dat heeft klager niet geleverd. De enkele stelling van klager dat hij gewoon thuis was en het exploot in ontvangst kon nemen is hiertoe onvoldoende.
4.2.2 In het exploot van 22 september 2023 staat vermeld dat de ontruiming om moverende redenen is verzet. In het verweerschrift heeft de gerechtsdeurwaarder toegelicht dat er op 22 september 2023 geen hulpofficier van justitie voorhanden was en de ontruiming op verzoek van de politie is verzet. Een tuchtrechtelijk verwijt kan de gerechtsdeurwaarder hier niet gemaakt worden.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat klager bij zijn klacht het exploot van 22 september 2023 heeft overgelegd, waarin de ontruiming van 27 september 2023 is aangezegd. Dit klachtonderdeel stuit hierop af.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de voorzitter dat de ontruiming van de woning van klager op 27 september 2023 is uitgevoerd door collega-gerechtsdeurwaarder [ x ] van [ ] Gerechtsdeurwaarders en niet door de beklaagde gerechtsdeurwaarder. De voorzitter overweegt verder dat klager (als eigenaar/beheerder van de inboedel) de eerst aangewezen persoon is om de inboedel tijdig uit het pand te verwijderen. Dit heeft hij niet gedaan. Uit de door klager overgelegde e-mail van gerechtsdeurwaarder [ x ] van 12 februari 2024 blijkt dat gerechtsdeurwaarder [ x ] betwist dat zaken van klager in de container zijn gegooid. Ook betwist gerechtsdeurwaarder [ x ] dat er zaken in de woning van klager zijn achtergebleven. De gerechtsdeurwaarder is met een makelaar door de woning gelopen. De makelaar was met de gerechtsdeurwaarder van mening dat de woning leeg was. Tevens stelt gerechtsdeurwaarder [ x ] dat de door klager genoemde jardinières in verband met de omvang en het gewicht niet zijn afgevoerd en in de tuin zijn achtergelaten. Voor zover er wel enige schade aan spullen is ontstaan komt dit voor rekening en risico van klager, door niet zelf het pand leeg te (laten) halen. Er kan de gerechtsdeurwaarder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Voor inhoudelijke klachten over de ontruiming dient klager zich te wenden tot gerechtsdeurwaarder [ x ].
4.5 Nu geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen door de beklaagde gerechtsdeurwaarder is gebleken, wordt op grond van het voorgaande beslist als volgt.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
In verzet heeft klager – samengevat – aangevoerd:
- dat de gerechtsdeurwaarder een zorgplicht heeft dat inhoud dat de gerechtsdeurwaarder ervoor moet zorgen dat de uitvoering van de opdracht correct verloopt en dat zijn medewerkers niet stelen, geen achtergebleven alcohol nuttigen en achtergebleven eigendommen juist vermelden. De nieuwe bewoners van het huis hebben een lijst (en videobeelden) van klager gekregen van wat er allemaal ontbreekt. De nieuwe bewoners ontkennen niet wat er op de lijst (en video) staat. De handelwijze bij de ontruiming is niet verlopen zoals dat zou moeten. Alles is gewoon in de container gegooid;
- dat hij op 22 september 2023 wel gewoon thuis was;
- dat hij een factuur voor het exploot van 22 september 2023 heeft gekregen, terwijl het niet zijn schuld is dat er geen hulpofficier voorhanden was;
- bezwaar te maken tegen de kosten van de nota van 15 december 2025.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 Voor zover klager nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kan hij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klager kan niet worden ontvangen in zijn klachten als vermeld onder het c. en d. in verzet aangevoerde.
7.2 Voor het overige overweegt de kamer dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door klager ter zitting aangevoerde maakt dit niet anders.
7.3 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
7.4 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, mr. S.N. Schipper en
mr. S.J.W. van der Putten, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
29 mei 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.