ECLI:NL:TGDKG:2026:52 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/769648  DW RK 25/170 HE/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:52
Datum uitspraak: 08-05-2026
Datum publicatie: 03-06-2026
Zaaknummer(s): C/13/769648  DW RK 25/170 HE/SM
Onderwerp: Incassotraject
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht (gedeeltelijk) gegrond. Maatregel: waarschuwing. Het uitgangspunt naar vaste rechtspraak is dat van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat correspondentie met betrekking tot een bij hem in behandeling zijnde incasso of executie binnen een redelijke termijn wordt beantwoordt. Met de tijdige reactie van de gerechtsdeurwaarder is overschrijding van die norm weliswaar niet aan de orde, maar omsloten in deze norm speelt ook de kwaliteit van een reactie een rol. Nergens uit blijkt dat de gerechtsdeurwaarder klagers vragen omtrent de (overdracht van de) simkaart heeft beantwoord.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 8 mei 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/769648  DW RK 25/170 HE/SM ingesteld door:

[   ],

wonende te [   ],

klager,

tegen:

[   ],

gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde.

gemachtigde: [   ].

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 20 mei 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op

26 juni 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 27 maart 2026 alwaar de gerechtsdeurwaarder en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder is verschenen. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De uitspraak is bepaald op 8 mei 2026.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

  • bij beschikking van 21 februari 2025 (gecorrigeerd op 7 maart 2025) heeft de kantonrechter van de rechtbank Gelderland klager onder meer veroordeeld ‘een verzoek in te dienen om een telefoonnummer over te dragen aan [   ] B.V’.;
  • bij exploot van 1 april 2025 is dit vonnis aan klager betekend door gerechtsdeurwaarder [   ];
  • bij e-mail van 13 april 2025 heeft klager aan de gerechtsdeurwaarder voorgesteld de openstaande vordering te voldoen in vier termijnen van € 6.031,98. Daarnaast heeft klager het onder meer over handelingen die de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder zou moeten uitvoeren, zodat klager kan voldoen aan het overzetten van het telefoonnummer;
  • bij e-mail van 17 april 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder meegedeeld dat de opdrachtgever nadrukkelijk geen betalingsregeling meer wil;
  • hierna heeft de gerechtsdeurwaarder beslag gelegd op de bankrekening van klager en derdenbeslag gelegd onder klagers holding en zijn aandelen in de holding;
  • op 29 april 2025 heeft klager een voorstel gedaan om tot contractovername van de simkaart te komen;
  • op 7 mei 2025 heeft klager verzocht om een specificatie van de bedragen die hij moet voldoen.        

2. De klacht

 Klager beklaagt zich samengevat erover dat de gerechtsdeurwaarder:

  1. niet heeft gereageerd op de e-mails van klager over de overdracht van de simkaart;
  2. ingrijpende executiemaatregelen heeft genomen die niet in verhouding staan met het beoogde doel, namelijk rekening houden met de belangen van zowel de opdrachtgever als van de schuldenaar. Het voldoen van de vordering is vertraagd aangezien de door klager voorgestelde redelijke betalingsregeling zonder nadere onderbouwing is afgewezen. In plaats daarvan is er beslag gelegd op de bankrekening en het loon van klager.  

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Klager heeft zijn klacht gericht tegen [   ] en het gerechtsdeurwaarderskantoor [   ] Gerechtsdeurwaarders en Incasso. [   ], die niet werkzaam is bij het kantoor van de gerechtsdeurwaarder, heeft slechts het vonnis aan klager betekend, maar heeft verder geen bemoeienis gehad met de inhoud van de zaak. Evenmin is gebleken dat de klacht is gericht tegen de wijze van betekenen. Aangezien een klacht niet gericht kan worden tegen een kantoor én de in de aanhef genoemde gerechtsdeurwaarder van voornoemd kantoor zich heeft opgeworpen als beklaagde, zal de klacht worden behandeld als zijnde gericht tegen deze gerechtsdeurwaarder.

4.2 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van voornoemd artikel.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel a wordt het volgende overwogen. Uit de door klager overgelegde stukken blijkt klager op 13 en 29 april 2025 gecorrespondeerd heeft met de gerechtsdeurwaarder over de simkaart en de overdracht daarvan. In de e-mail van 13 april 2025 is daarnaast een betalingsvoorstel gedaan door klager. De gerechtsdeurwaarder is in zijn e-mail van 17 april 2025 echter alleen ingegaan op de betalingsregeling, die nadrukkelijk is afgewezen. Er is niet gereageerd op het deel dat ziet op de overdracht van de simkaart.

4.4 Op vragen van de kamer heeft de gerechtsdeurwaarder aangevoerd dat klager en zijn adviseur telefonisch met een collega hebben gesproken over de beschikking van de kantonrechter. De gerechtsdeurwaarder gaat ervan uit, (de rechtbank citeert) “de collega kennende” dat zij klager heeft verwezen naar de (opdracht gevende) advocaat voor het deel dat ziet op de verdere inhoud van de beschikking, waaronder de overdracht van de simkaart. De betreffende collega heeft klager vervolgens verzocht een en ander op de mail te zetten. De e-mail die daarop volgde is voornoemde e-mail van 13 april 2025.

4.5 Bij e-mail van 29 april 2025 gaat klager door en verder over de overdracht van de simkaart. De e-mail is niet (direct) gericht tot de opdrachtgever, zoals hem zou zijn geïnstrueerd, maar tot de gerechtsdeurwaarder met de opdrachtgever in kopie. Ook op dit bericht heeft de gerechtsdeurwaarder niet gereageerd.

4.6 De gerechtsdeurwaarder heeft in haar verweerschrift aangevoerd dat de beweerdelijke non-reactie onjuist is. Er zou diverse malen contact zijn geweest over het overzetten van de simkaart. Zij verwijst daartoe naar het e-mailverkeer tussen de advocaat van klager en de opdrachtgever. Desgevraagd heeft de gerechtsdeurwaarder erkend dat er geen schriftelijke reactie is geweest op dit onderdeel vanuit haar kantoor, maar zij voegt daaraan toe dat dit tussen (de advocaat van) klager en de opdrachtgever besproken had moeten worden. Voorts heeft de gerechtsdeurwaarder aangevoerd zich te hebben willen focussen op haar primaire taak, en naar de kamer begrijpt was dat het innen van de geldvordering.

4.7 De kamer onderkent het belang van de taak die de gerechtsdeurwaarder heeft willen uitvoeren. Met die taak komt echter ook de rol van het zijn van een aanspreekpunt aangaande de inhoud van het exploot. Vragen daartoe zullen zich in beginsel dan ook logischerwijs richten tot de gerechtsdeurwaarder, vooral als de gerechtsdeurwaarder bevel heeft gedaan voor dat onderdeel op straffe van dwangsommen. Het uitgangspunt naar vaste rechtspraak is dat van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat correspondentie met betrekking tot een bij hem in behandeling zijnde incasso of executie binnen een redelijke termijn wordt beantwoordt. Met de reactie van de gerechtsdeurwaarder op 17 april 2025 is overschrijding van die termijn weliswaar niet aan de orde, maar omsloten in deze norm speelt ook de kwaliteit van een reactie een rol. Nergens uit blijkt dat de gerechtsdeurwaarder klagers vragen omtrent de (overdracht van de) simkaart heeft beantwoord. Het door de gerechtsdeurwaarder ter zitting aangevoerde laat een hoge mate van onzekerheid bestaan of  klager daadwerkelijk naar de opdrachtgever is verwezen. Het had op de weg van de gerechtsdeurwaarder gelegen om in haar bericht van 17 april 2026 ook aandacht te schenken aan het onderdeel over de simkaart, aangezien er wel is gereageerd op de betalingsregeling. Terugverwijzen naar het telefoongesprek had er mogelijkerwijs toe kunnen leiden dat klager niet de indruk kreeg genegeerd te worden op dat punt. Verwijzen naar de correspondentie van de advocaten als grondslag dat klager (herhaaldelijk) is verwezen naar de opdrachtgever kan de gerechtsdeurwaarder niet baten. Deze stukken zien namelijk op  correspondentie tussen de advocaat van klager en de opdrachtgever een maand ervoor. Daarnaast overweegt de kamer dat de enkele omstandigheid dat procespartijen met elkaar in contact zijn of zijn geweest, de gerechtsdeurwaarder er niet van vrijwaart in elk geval één keer schriftelijk helder te maken wat haar rol is, dan wel tot wie klager zich het best kan richten. De klacht is dan ook terecht voorgesteld.

4.8 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de kamer dat een schuldenaar op grond van artikel 3:276 van het Burgerlijk Wetboek met zijn hele vermogen in staat voor betaling van de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 435 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) dan ook vrij beslag te leggen op alle voor beslag vatbare goederen. Hieruit volgt dat het een gerechtsdeurwaarder in beginsel is toegestaan ten laste van een schuldenaar meerdere beslagen (tegelijkertijd) te leggen. Indien de gerechtsdeurwaarder door de opdrachtgever wordt verzocht een vonnis ten uitvoer te leggen, bestaat op grond van artikel 11 Gdw een wettelijke verplichting om aan dat verzoek te voldoen. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de titel te executeren. Als klager het hier niet mee eens is, biedt artikel 438 Rv de mogelijkheid zijn bezwaren voor te leggen aan de bevoegde (executie)rechter. Het tuchtrecht is daarvoor niet de geëigende weg. Bovendien laat de stelling van klager zich niet toetsen, aangezien er geen beslagstukken zijn overlegd.

4.9 Voorts wordt klager voorgehouden dat het aangaan van een betalingsregeling een gunst is van de opdrachtgever en geen verplichting. Dat het betalingsvoorstel zonder nadere onderbouwing wordt afgewezen, kan de gerechtsdeurwaarder om die reden niet worden tegengeworpen. Dit klachtonderdeel stuit hierop af.

maatregel

4.10 De kamer verklaart de klacht, gelet op het voorgaande, gedeeltelijk gegrond en acht de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden. Gelet hierop ziet de kamer geen aanleiding om de gerechtsdeurwaarder, naast de opgelegde maatregel, te veroordelen in de kosten van de procedure. Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is, dient de gerechtsdeurwaarder wel aan klager het betaalde griffierecht van € 50 te vergoeden.

4.11 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart klachtonderdeel a gegrond;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
  • legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van een waarschuwing op;
  • bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klager het betaalde griffierecht ad € 50 zal vergoeden, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. J.H.J. Evers, plaatsvervangend-voorzitter, en mr. M.C.M. Hamer en R. Elshof, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.