ECLI:NL:TGDKG:2026:49 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/775298 / DW RK 25/339 HE/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:49 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-05-2026 |
| Datum publicatie: | 03-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/775298 / DW RK 25/339 HE/SM |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet. Klacht ongegrond.Klager heeft zich er onder meer over beklaagd dat hij een bericht van de gerechtsdeurwaarder heeft ontvangen, zonder dat er een compleet vonnis was bijgevoegd. De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 8 mei 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 2 september 2025 met zaaknummer C/13/771356 DW RK 25/212 BB/WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/775298 / DW RK 25/339 HE/SM ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klager,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
gemachtigde: [ ].
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 19 juni 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 29 juli 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 2 september 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klager toegezonden. Bij brief, ingekomen op 9 september 2025, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 27 maart 2026 alwaar klager ter zitting is verschenen. De gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder is verschenen via een videoverbinding. De uitspraak is bepaald op 8 mei 2026.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- De gerechtsdeurwaarder is belast met een ten laste van klager gewezen verstekvonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 29 augustus 2017.
- Bij exploot van 8 januari 2025 is de akte van cessie, waaruit blijkt dat de vordering is overgedragen aan Hoist Finance AB, aan klager betekend.
- Bij brief van 10 juni 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klager een opgave van alle openstaande schulden aan klager verstrekt.
4. De oorspronkelijke klacht
Klager beklaagt zich er samengevat over dat:
- hij door de gerechtsdeurwaarder is mishandeld;
- hij op 8 januari 2025 bericht van de gerechtsdeurwaarder heeft ontvangen, zonder dat er een compleet vonnis was bijgevoegd;
- hij op 10 juni 2025 bericht van de gerechtsdeurwaarder heeft ontvangen betreffende twee dossiers, waarvan één dossier bij de rechtbank te Utrecht ligt;
- zijn leven in gevaar is, omdat hij zijn vakantiegeld nodig heeft voor zijn medicijnen.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de voorzitter dat deze enkele niet nader onderbouwde stelling onvoldoende is om tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtsdeurwaarder vast te stellen.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat uit de door klager overgelegde producties blijkt dat klager wel over het volledige vonnis van
29 augustus 2017 beschikt. Verder is klager meermalen een kopie van het betreffende vonnis verstrekt. De stelling van klager dat niet het volledige vonnis bij het exploot van 8 januari 2025 was gevoegd is niet aannemelijk gemaakt. Tuchtrechtelijk laakbaar handelen kan op dit klachtonderdeel niet worden vastgesteld.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de voorzitter dat voor zover klager een zaak aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank te Utrecht, dit geen invloed heeft op de tenuitvoerlegging van het vonnis van 29 augustus 2017, welk vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel d stelt de voorzitter voorop dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door het vonnis van 29 augustus 2017 te executeren. Klager staat op grond van artikel 3:276 van het Burgerlijk Wetboek met zijn hele vermogen in voor de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 435 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vrij om beslag te leggen op alle vermogensobjecten van klager, dus ook op zijn inkomen. Niet gebleken dan wel met stukken onderbouwd is dat klager de vordering in het geheel heeft voldaan. Tegen de tenuitvoerlegging van het vonnis kan klager slechts opkomen door een executiegeschil aan te spannen tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is op dit klachtonderdeel niet gebleken.
4.6 Voor zover klager zich beklaagd over het handelen van de gemeente Heerenveen en [ ], dient klager zich tot hen te richten.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
In verzet heeft klager exact hetzelfde aangevoerd als in de klacht.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door klager ter zitting aangevoerde maken dit niet anders.
7.2 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
7.3 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J.H.J. Evers, plaatsvervangend-voorzitter, en mr. M.C.M. Hamer en R. Elshof, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.