ECLI:NL:TGDKG:2026:44 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/768843 / DW RK 25/156 KM/WdJ
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:44 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-04-2026 |
| Datum publicatie: | 29-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/768843 / DW RK 25/156 KM/WdJ |
| Onderwerp: | Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht (gedeeltelijk) gegrond, maatregel van berisping opgelegd en veroordeling in de proceskosten. De gerechtsdeurwaarder kan een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt voor het niet voortvarend handelen bij de geplande ontruiming en het niet professioneel corresponderen. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 29 april 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/768843 / DW RK 25/156 KM/WdJ ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klaagster,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
1. Ontstaan en loop van de procedure
Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 6 mei 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 6 augustus 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Klaagster heeft haar klacht aangevuld bij e-mail, ingekomen op
6 maart 2026. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025 alwaar klaagster en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 29 april 2026.
2. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- Op 11 april 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder in opdracht van klaagster een ontruimingsvonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 3 april 2025 betekend.
- Op 14 april 2025 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder verzocht de ontruiming van de woning aan het adres [ ] te [ ] te verzorgen.
- Bij exploot van 17 april 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder de ontruiming aan
[ ] aangezegd tegen 24 april 2025.
- Op 22 april 2025 heeft klaagster het verschuldigde voorschot aan de gerechtsdeurwaarder overgemaakt.
- Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster bij e-mail van 22 april 2025 (13:04 uur) geïnformeerd dat de ontruiming op 24 april 2025 te 8:00 uur stond ingepland.
- Bij e-mail van 22 april 2025 (16:55 uur) heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster laten weten dat geen hulpofficier van justitie beschikbaar was om bij de ontruiming te assisteren.
- Bij e-mail van 25 april 2025 heeft klaagster haar teleurstelling bij de gerechtsdeurwaarder geuit over het feit dat de ontruiming door nalatigheid van de gerechtsdeurwaarder geen doorgang heeft kunnen vinden en verzocht om schriftelijke erkenning daarvan, terugbetaling van de betaalde kosten en een schadevergoeding.
- Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van diezelfde dag onder meer als volgt gereageerd: “(…) Ik geloof dat u helemaal de weg kwijt bent (…). Als u nog eens wat heeft: ga alstublieft naar een ander. U geeft stank voor dank. (…).”.
- Bij e-mail van 6 mei 2025 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder een laatste gelegenheid geboden om met een concreet voorstelt tot compensatie te komen, alvorens zij een klacht zou indienen.
- Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van diezelfde dag onder meer als volgt gereageerd: “(…) Ik laat mij door niemand chanteren en dus ook niet door u. U heeft geen zaak. Mijn kantoor valt niets te verwijten. U gaat uw gang maar (…).”
3. De klacht
Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat:
a: de geplande ontruiming op 24 april 2025 niet door kon gaan omdat de gerechtsdeurwaarder had verzuimd de hulpofficier van justitie tijdig in te schakelen;
b: andere gerechtsdeurwaarders de ontruiming niet op korte termijn konden uitvoeren, omdat de gerechtsdeurwaarder geen afschrift van het ontruimingsexploot had gestuurd;
c: de communicatie van de gerechtsdeurwaarder onprofessioneel en denigrerend is;
d: de nalatigheid van de gerechtsdeurwaarder heeft geleid tot directe en indirecte schade;
e: zij extra juridische inspanning heeft moeten verrichten en de rechterlijke macht onnodig is belast door het uitblijven van de geplande ontruiming op 24 april 2025;
f: de e-mail van de gerechtsdeurwaarder van 6 mei 2025 intimiderend, onprofessioneel en onverenigbaar met de gedragsnormen van een gerechtsdeurwaarder is.
4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder
De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
5. De beoordeling van de klacht
5.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet (Gdw) aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet, de Wet Kwaliteit Incassodienstverlening of in strijd met wat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van artikel 34 Gdw oplevert.
5.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a wordt het volgende overwogen. Uit de overgelegde producties blijkt dat de gerechtsdeurwaarder op 11 april 2025 in opdracht van klaagster een ontruimingsvonnis van de kantonrechter heeft betekend. Vervolgens heeft klaagster op 14 april 2025 opdracht gegeven de woning te ontruimen. De gerechtsdeurwaarder heeft de ontruiming bij exploot van 17 april 2025 aangezegd tegen 24 april 2025 (de aan het gerechtsdeurwaarderskantoor toebedeelde dag voor ontruimingen). Gelet daarop had de gerechtsdeurwaarder in ieder geval op 17 april 2025 kunnen (en ook moeten) verzoeken om bijstand van de hulpofficier van justitie. Uit de e-mail van de gerechtsdeurwaarder aan klaagster van 22 april 2025 om 16:55 uur blijkt immers dat de hulpofficier van justitie het gerechtsdeurwaarderskantoor op 11 april 2025 per e-mail heeft geïnformeerd dat hij/zij er vanuit ging dat zijn/haar inzet niet nodig zou zijn als dat niet uiterlijk drie dagen voor 24 april 2025 was gemeld.Nu aan de hulpofficier van justitie niet uiterlijk drie dagen voor de ontruiming om bijstand is verzocht, heeft de gerechtsdeurwaarder onvoldoende voortvarend gehandeld en kon de ontruiming niet plaatsvinden. Dat de dag na 17 april 2025 goede vrijdag was en Pasen daarop volgde, maakt dit niet anders. De gerechtsdeurwaarder kan hiervan een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dit klachtonderdeel is terecht voorgesteld.
5.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de kamer dat deze niet nader door klaagster onderbouwde stelling onvoldoende is om tuchtrechtelijk laakbaar handelen vast te stellen.
5.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c en f wordt het volgende overwogen. De kameroverweegt dat van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij altijd correct en professioneel correspondeert. De uitlatingen van de gerechtsdeurwaarder in zijn e-mails van 25 april 2025 en 6 mei 2025 (zie de feiten hiervoor) getuigen daarvan bepaald niet en zijn niet van een niveau zoals een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Deze klachtonderdelen zijn dan ook terecht voorgesteld.
5.5 Ten aanzien van klachtonderdelen d en e dient klaagster zich tot de civiele rechter te wenden. Het tuchtrecht is voor verzoeken om schadevergoeding niet de geëigende weg. Deze klachtonderdelen worden als ongegrond afgewezen.
5.6 De kamer verklaart de klacht die ziet op het niet voortvarend handelen bij de geplande ontruiming (onderdeel a) en het niet professioneel corresponderen (onderdelen c en f) gegrond en acht de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden.
5.7 De kamer zal de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 43a lid 1 onder a en b van de Gerechtsdeurwaarderswet in combinatie met de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882) tevens veroordelen in de proceskosten. Deze bestaan uit de kosten van de klaagster en de kosten van behandeling van de klacht door de kamer. Voor klaagster worden die begroot op het forfaitaire bedrag van € 50. Voor de procedure worden de kosten begroot op het forfaitaire bedrag van € 1.500.
5.8 Op grond van artikel 37 lid 7 Gdw bepaalt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder tevens aan klaagster het betaalde griffierecht vergoedt.
5.9 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart klachtonderdelen a, c en f gegrond;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- legt de gerechtsdeurwaarder voor het gegronde deel van de klacht de maatregel van berisping op;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klaagster, begroot op
€ 50; - veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer, begroot op € 1.500, met aanzegging dat de van artikel 43
lid 6 van de Gerechtsdeurwaarderswet te bepalen termijn en de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder het bedrag van de kostenveroordeling moet voldoen, na het onherroepelijk worden van deze beslissing per brief aan de gerechtsdeurwaarder zal worden medegedeeld;
- bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klaagster het betaalde griffierecht
ad € 50 vergoedt, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden.
Aldus gegeven door mr. A.K. Mireku, plaatsvervangend-voorzitter, mr. B. Brokkaar en mr. A.W. Veth, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
29 april 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.