ECLI:NL:TGDKG:2026:40 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/774851 / DW RK 25/320 BB/WdJ

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:40
Datum uitspraak: 01-04-2026
Datum publicatie: 07-04-2026
Zaaknummer(s): C/13/774851 / DW RK 25/320 BB/WdJ
Onderwerp: Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. Termijnoverschrijding verzet is verschoonbaar. Klager beklaagt zich over de hoogte van de beslagvrije voet. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 1 april 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 5 augustus 2025 met zaaknummer C/13/767920  DW RK 25/136 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/774851 / DW RK 25/320 BB/WdJ ingesteld door:

[  ],

wonende te [  ],

klager,

tegen:

[  ],

waarnemend gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagde,

gemachtigde: [  ].

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 17 april 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen gerechtsdeurwaarder [a] en gerechtsdeurwaarderskantoor [b]. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 4 juni 2025, is namens [b] gereageerd. Bij beslissing van 5 augustus 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klager toegezonden. Op 19 augustus 2025 is de brief retour gekomen met de mededeling dat klager verhuisd is. Bij e-mail van 19 augustus 2025 is de beslissing van de voorzitter opnieuw aan klager verzonden. Bij e-mail, ingekomen op 28 augustus 2025, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 20 januari 2026, zijn namens [b] nadere stukken verzonden. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 18 februari 2026 alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 1 april 2026.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

2.1 Volgens klager heeft hij niet alle brieven van de kamer van ontvangen, omdat hij tussentijds een nieuw adres heeft gekregen. Dat hij kennelijk te laat verzet heeft ingesteld, kan hem dan ook niet worden verweten, aldus klager.

2.2 Het verzet dient op grond van de wet te worden ingediend binnen veertien dagen na verzending van de brief met de beslissing van de voorzitter. De beslissing is verzonden op 5 augustus 2025 naar het bij de kamer bekende adres van klager. De termijn startte daarmee op 6 augustus 2025 en eindigde op 19 augustus 2025. Nadat de beslissing op 19 augustus 2025 retour is gekomen met de mededeling dat klager is verhuisd, is de beslissing van de voorzitter bij e-mail van 19 augustus 2025 opnieuw aan klager verzonden. Het verzet is ingekomen op 28 augustus 2025, dus buiten de oorspronkelijke termijn van veertien dagen, zodat klager om die reden in het verzet niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden.

2.2 De kamer overweegt echter dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. In de brief van de kamer van 18 april 2025, waarin de ontvangst van de klacht aan klager wordt bevestigd, staat vetgedrukt dat klager wordt verzocht de kamer direct te berichten bij een adreswijziging of wijziging van een (eventueel) e-mailadres. Het had dan ook de weg van klager gelegen om zijn adreswijziging aan de kamer door te geven. Klager ontkent echter uitdrukkelijk dat hij de brief van 18 april 2025 heeft ontvangen. Hoewel het alsnog voor de hand had gelegen om een adreswijziging aan de kamer door te geven, kan de ontvangst van de brief van 18 april 2025 met daarin het verzoek om een adreswijziging door te geven, niet worden vastgesteld. Gelet hierop en de omstandigheid dat het verzet wel binnen twee weken is ingediend nadat het verzet nogmaals aan klager is verzonden op

19 augustus 2025, zal klager in het verzet worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           Op 13 februari 2025 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Sociale Verzekeringsbank ten laste van klager.

-           Bij exploot van 18 februari 2025 heeft [a], gerechtsdeurwaarder bij [c] te [  ] het gelegde beslag aan klager betekend.

-           Bij e-mails van 5 en 6 maart 2025 heeft klager bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de beslagvrije voet.

-           Bij e-mail van 31 maart 2025 heeft klager nogmaals verzocht om een herberekening van de beslagvrije voet en het te veel ingehouden bedrag aan hem terug te storten.      

-           Op 13 mei 2025 is de beslagvrije voet herberekend.

-           Bij e-mail van 26 mei 2025 zijn excuses gemaakt voor de late beantwoording van het verzoek van klager en is onder meer verzocht om een specificatie van de hypotheek.

4. De oorspronkelijke klacht

Klager beklaagt zich samengevat over het volgende.

Door de gerechtsdeurwaarder is beslag gelegd op klagers AOW-uitkering. Bij de vaststelling van de hoogte van de beslagvrije voet is geen rekening gehouden met de maandelijks hypotheekrente en de huur van de ligplaats van het schip waarop klager woont.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn (waarnemend) gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor of een medewerker van dat kantoor. Klager heeft zijn klacht ingediend tegen [b] en tegen gerechtsdeurwaarder [a]. Deze gerechtsdeurwaarder heeft slechts het gelegde beslag aan klager betekend en is niet betrokken bij de vaststelling van de beslagvrije voet.

Het verweerschrift is opgesteld door [b]. Noch uit het klachtschrift, noch uit het verweerschrift kan worden opgemaakt welke individuele gerechtsdeurwaarder voor de beklaagde handelingen verantwoordelijk is. Om die reden worden alle aan het kantoor verbonden gerechtsdeurwaarders aangemerkt als beklaagden. De enige werkzame gerechtsdeurwaarder bij [b] is waarnemend gerechtsdeurwaarder [d]. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.2 Deze (tuchtrecht) procedure leent zich niet voor het vaststellen van het bedrag van de beslagvrije voet. De gerechtsdeurwaarder heeft toegelicht dat hij de beslagvrije voet conform de wettelijke regeling heeft berekend en toegepast. De gerechtsdeurwaarder heeft de beslagvrije voet gehalveerd omdat klager een briefadres heeft. Dit is conform het bepaalde in artikel 475 da lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). De gerechtsdeurwaarder heeft gegevens van klager nodig zodat deze inzicht kan geven in zijn leefsituatie en bron van inkomen. Naar aanleiding daarvan kan klager aanspraak maken op een reguliere beslagvrije voet. De gerechtsdeurwaarder heeft op 26 mei 2025 gegevens aan klager gevraagd. Niet gebleken is dat klager daarop heeft gereageerd. Hierdoor heeft de gerechtsdeurwaarder geen duidelijk inzicht gekregen in klagers woonlasten. De gerechtsdeurwaarder kon daarom de beslagvrije voet niet aanpassen. Tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen kan dan ook ten aanzien van de klacht niet worden vastgesteld.

4.3 Ten overvloede wordt overwogen dat het feit dat niet is gereageerd op klagers e-mails van 5 en 6 maart 2025 klachtwaardig is en niet heeft bijgedragen aan een goede communicatie met klager. Klager heeft echter hierover geen klacht ingediend bij de kamer, zodat hieraan geen conclusie kan worden verbonden. 

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager aangevoerd dat hij een aanvulling aan de kamer heeft verzonden nadat hij zijn klacht had ingediend. De informatie kon niet meer worden meegenomen, vanwege de door de kamer gehanteerde procedure waarmee klager niet bekend was. De gerechtsdeurwaarder heeft op de toegestuurde informatie gereageerd waaruit kan worden opgemaakt dat de gerechtsdeurwaarder ervan op de hoogte was dat klager ook een woonadres had waarop een hypotheek rustte. De gerechtsdeurwaarder is ten onrechte uitsluitend afgegaan op het gegeven dat klager een briefadres had. Klager stelt dat de voorzitter ten onrechte geen aandacht heeft geschonken aan alle informatie die voorhanden was om tot een andere beslissing te komen.

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 De kamer overweegt allereerst dat in artikel 8 van het Reglement omtrent de werkwijze van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders is opgenomen dat de Gerechtsdeurwaarderswet niet de mogelijkheid kent voor het indienen van een nadere schriftelijke reactie (repliek en dupliek). De voorzitter kan daartoe weliswaar de mogelijkheid toe bieden, maar heeft daar in dit geval geen reden voor gezien.

7.2 De kamer overweegt verder dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door klager ter zitting aangevoerde maakt dit niet anders. Klager beklaagt zich in het verzet nog steeds over de hoogte van de beslagvrije voet. Dit staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Wel aan de orde in de tuchtprocedure is of de gerechtsdeurwaarder rondom het vaststellen van een beslagvrije voet en de communicatie daarover gehandeld heeft zoals men van een gerechtsdeurwaarder mag verwachten. Niet gebleken is dat hier geen sprake van is.

7.3 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

7.4 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. A.K. Mireku en mr. H.A. Roos, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.