ECLI:NL:TGDKG:2026:4 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/764447 / DW RK 25/45 EdV/WdJ
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:4 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-01-2026 |
| Datum publicatie: | 12-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/764447 / DW RK 25/45 EdV/WdJ |
| Onderwerp: | Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet ongegrond. Niet gebleken is dat sprake is van belangenverstrengeling. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 12 januari 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 4 februari 2025 met zaaknummer C/13/757442 / DW RK 24/348 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/764447 / DW RK 25/45 EdV/WdJ ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klaagster,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde,
gemachtigde: [ ].
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij brief met bijlagen, ingekomen op 2 oktober 2024, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Klaagster heeft haar klacht aangevuld bij e-mails, ingekomen op 3 oktober 2024 en 11 november 2024. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 5 december 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 4 februari 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van 6 februari 2025 aan klaagster toegezonden. Bij brief met bijlagen, ingekomen op 13 februari 2025, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Bij brief met bijlagen, ingekomen op 24 oktober 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op het verzet gereageerd. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van
3 november 2025 alwaar de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder is verschenen. Klaagster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De uitspraak is bepaald op 12 januari 2026.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klaagster heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- Bij vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Tilburg, van 31 januari 2018 is klaagster veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag aan [a].
- Bij brief van 15 februari 2018 heeft [b] klaagster verzocht de vordering te voldoen.
- Bij brief van 16 april 2024 is aan klaagster medegedeeld dat de vordering is overgedragen aan [c] en is klaagster verzocht de vordering te voldoen.
- Bij brief van 29 augustus 2024 is klaagster nogmaals verzocht de openstaande vordering te voldoen.
- Bij exploot van 25 september 2024 is het vonnis van 31 januari 2018 aan klaagster betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
- Bij e-mail van 26 september 2024 heeft klaagster op het exploot van
25 september 2024 gereageerd en verzocht om akkoord te gaan met een betalingsregeling.
- Bij e-mail van 26 september 2024 is de vordering aan klaagster toegelicht en is klaagster in de gelegenheid gesteld een betalingsregeling voor te stellen.
- Bij brief van 21 november 2024 is de met klaagster overeengekomen betalingsregeling bevestigd.
4. De oorspronkelijke klacht
Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat:
a: er op 31 januari 2018 vonnis is gewezen en zij verder niets heeft vernomen tot het exploot van 25 september 2024, met het bevel om het volledige bedrag binnen twee dagen te voldoen om beslaglegging te voorkomen;
b: zowel [a], [d], [b] en [c] op hetzelfde adres in [ ] zijn gevestigd. Klaagster stelt dat sprake is van een pervers verdienmodel van de gerechtsdeurwaarder waarbij heen en weer geschoven wordt met schulden die zijn opgekocht door de gerechtsdeurwaarder;
c: de gerechtsdeurwaarder beslag op het inkomen van klaagster heeft gelegd, terwijl zij had aangegeven een betalingsregeling te willen treffen.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de voorzitter dat uit de overgelegde producties blijkt dat klaagster bij brieven van 16 april 2024 en 29 augustus 2024 in de gelegenheid is gesteld de openstaande vordering te voldoen. De stelling van klaagster dat het vonnis rauwelijks is betekend met bevel de vordering binnen twee dagen te voldoen stuit hierop af.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat uit de overgelegde producties blijkt dat de oorspronkelijke vordering een vordering van [ ] betreft. Bij akte van cessie van 19 november 2015 is de vordering verkocht aan [a]. Vervolgens is de vordering, na een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam waarin is bepaald dat het een gerechtsdeurwaarder niet is toegestaan om zelf vorderingen in bezit te hebben (ECLI:NL:GHAMS:2018:763), bij acte van cessie van 5 april 2018 overgedragen aan [d]. Uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel blijkt dat het niet de gerechtsdeurwaarder is die bestuurder is van [d]. De stelling van klaagster dat sprake is van een pervers verdienmodel en schimmige praktijken is niet aannemelijk gemaakt. Dat de betreffende ondernemingen in hetzelfde bedrijfspand zijn gevestigd, te weten een gebouw met vijftien verdiepingen met meerdere bedrijven, geeft hiervoor geen aanleiding.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c ontkent de gerechtsdeurwaarder in het verweerschrift dat er beslag is gelegd op het inkomen van klaagster. Nu klaagster haar stelling niet aannemelijk heeft gemaakt dan wel met stukken heeft onderbouwd, dient dit klachtonderdeel als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klaagster als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
6.1 In verzet heeft klaagster - kort samengevat weergegeven - aangevoerd dat niet te ontkennen valt dat sprake is van verstrengeling van belangen, met de gerechtsdeurwaarder als spil.
6.2 Klaagster heeft verder aangevoerd dat haar werkgever vanwege het schrijven van de gerechtsdeurwaarder veronderstelde dat er beslag op het inkomen van klaagster zou worden gelegd. Klaagster heeft hierop met tegenzin een betalingsregeling met de gerechtsdeurwaarder getroffen om het dreigende loonbeslag af te wenden. Klaagster wenst de drie door haar onder protest betaalde termijnen terug te ontvangen.
7. Het verweer in verzet
In verzet heeft de gerechtsdeurwaarder de door klager aangevoerde gronden gemotiveerd betwist. Voor zover nodig wordt hierna op dat verweer ingegaan.
8. De beoordeling van de gronden van het verzet
8.1 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt.
8.2 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
8.3 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. A.E. de Vos, plaatsvervangend-voorzitter, mr. B. Brokkaar en M.F.J. Pijnenburg, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 januari 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.