ECLI:NL:TGDKG:2026:39 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/769714 / DW RK 25/171 BB/WdJ
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:39 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-04-2026 |
| Datum publicatie: | 07-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/769714 / DW RK 25/171 BB/WdJ |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet. Klager beklaagt zich over het gelegde beslag op zijn voertuigen. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 1 april 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 9 mei 2025 met zaaknummer C/13/761038 / DW RK 24/430 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/769714 / DW RK 25/171 BB/WdJ ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klager,
gemachtigden: [ ] en [ ],
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde,
gemachtigden: [ ] en [ ].
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij klachtenformulier met bijlage, ingekomen op 12 december 2024, heeft klager een klacht ingediend tegen (een medewerker van het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 7 maart 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 9 mei 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klager toegezonden. Bij brief, ingekomen op 15 mei 2025, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzet is aangevuld bij e-mail, ingekomen op
16 februari 2026. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van
18 februari 2026 alwaar klager met zijn gemachtigden en de gemachtigden van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 1 april 2026.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- [ ] (hierna: [a]) is door [ ] belast met een vordering op klager. Klager is gedagvaard waarna klager bij vonnis op tegenspraak van 18 april 2017 veroordeeld is tot betaling van een geldbedrag aan [ ].
- Bij exploot van 21 september 2017 is het vonnis van 18 april 2017 aan klager betekend.
- Nadat het dossier van [a] is overgedragen aan (het kantoor van) de gerechtsdeurwaarder is klager bij brief van 5 september 2023 verzocht de openstaande vordering te voldoen onder de voorwaarde dat anders rechtsmaatregelen zullen worden getroffen.
- Op 10 oktober 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal beslag gelegd op diverse voertuigen van klager. Per dezelfde datum heeft de gerechtsdeurwaarder het beslag aan klager overbetekend.
4. De oorspronkelijke klacht
Klager beklaagt zich er, naar de voorzitter begrijpt, over dat:
a: de gerechtsdeurwaarder onterecht beslag op zijn voertuig heeft gelegd;
b: klager door de gerechtsdeurwaarder niet op de hoogte is gebracht over een zittingsdatum bij de rechtbank.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a. overweegt de voorzitter het volgende. Klager is op
18 april 2017 bij vonnis op tegenspraak veroordeeld tot betaling van een vordering aan [ ]. Klager heeft nadien nagelaten de vordering te voldoen. Na overname van het dossier van [a] heeft de gerechtsdeurwaarder klager aangeschreven en toen reactie uitbleef beslag gelegd op meerdere voertuigen. Het leggen van beslag door de gerechtsdeurwaarders is niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm nu klager op grond van artikel 3:276 van het Burgerlijk Wetboek met zijn hele vermogen instaat voor de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarders op grond van artikel 435 Burgerlijk Wetboek van Rechtsvordering vrij beslag te leggen op alle vermogensobjecten van klager. Als klager het hiermee niet eens is dient klager, op grond van artikel 438 Rv, het geschil met betrekking tot de executie voor te leggen aan de bevoegde (executie)rechter. Het tuchtrecht is daarvoor niet de geëigende weg.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b. overweegt de voorzitter als volgt. Dit klachtonderdeel kan de gerechtsdeurwaarder niet worden tegengeworpen omdat een andere gerechtsdeurwaarder (van een ander kantoor) de dagvaarding met zittingsdatum heeft betekend. De klacht stuit hierop af. Overigens ziet de klacht ook op een zaak die meer dan drie jaar geleden speelde en waarvan klager als verwerende partij toen op de hoogte moet zijn geweest. Dat betekent dat, gelet op het bepaalde in artikel 37 lid 2 Gw, de klacht niet-ontvankelijk zal worden verklaard omdat deze is ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de gerechtsdeurwaarder waarop de klacht betrekking heeft tenzij de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. Het laatste geval is onvoldoende gesteld of gebleken.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
6.1 In verzet heeft klager aangevoerd dat hij van mening is dat het niet juist is dat de gerechtsdeurwaarder zomaar beslag heeft gelegd op eigendommen van klager, zonder dat daar een duidelijke uitspraak van een rechter aan vooraf is gegaan.
6.2 Klager heeft verder aangevoerd dat het beslag bovengemiddeld en disproportioneel is. Op 10 oktober 2023 is beslag gelegd op diverse voertuigen van klager voor een vordering die oorspronkelijk € 60 bedroeg. De vordering is inmiddels opgelopen tot een bedrag van € 881,38. Nu de in beslag genomen voertuigen nog steeds niet zijn verkocht, moet het beslag gezien worden als oneigenlijk drukmiddel. Door het beslag heeft klager geen gebruik kunnen maken van de sloopregeling die door de gemeente [ ] was aangeboden. Met de sloopregeling had klager zijn schuld ruimschoots kunnen aflossen. Ook is klager met het beslag de mogelijkheid ontnomen om de voertuigen onderhands te verkopen en neemt de waarde van de voertuigen, naarmate de tijd verstrijkt, af.
6.3 Klager stelt dat hij in november 2024 een betalingsregeling van € 20 per maand heeft voorgesteld, zonder dat daar een reactie van de gerechtsdeurwaarder op is gekomen.
6.4 Klager is van mening dat de kamer hem ten onrechte geen gelegenheid heeft geboden om zijn klacht mondeling toe te lichten, waardoor klager tekort is gedaan in zijn recht op hoor- en wederhoor. Ook wordt bij klager de indruk van belangenverstrengeling gewekt, nu deze zaak wordt beoordeeld door collega’s of leden van dezelfde beroepsgroep, zonder onafhankelijke rechtspraak.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 De kamer overweegt allereerst dat in artikel 39 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet is opgenomen dat de voorzitter zonder nader onderzoek door de kamer voor gerechtsdeurwaarders kennelijk niet-ontvankelijke en kennelijk ongegronde klachten alsmede klachten die naar zijn oordeel van onvoldoende gewicht zijn, bij met redenen omklede beslissing kan afwijzen. Klager heeft verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter, waarop klager in de gelegenheid is gesteld zijn klacht mondeling toe te lichten op zitting. Tijdens de behandeling van het verzet bestaat de kamer uit twee leden van de rechterlijke macht en één lid gerechtsdeurwaarder. De gewenste deskundigheid bij de behandeling van tuchtzaken rechtvaardigt dat de kamer ten dele is samengesteld uit beroepsgenoten. Er is onvoldoende grond voor de veronderstelling dat dit afbreuk zou doen aan de onpartijdigheid van de kamer, dan wel dat sprake is van belangenverstrengeling.
7.2 Voor zover klager nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kan hij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klager kan niet worden ontvangen in zijn klachten als vermeld onder 6.2 en 6.3.
7.3 De kamer overweegt verder dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door klager ter zitting aangevoerde maken dit niet anders. Dat de vordering is opgelopen, is het gevolg van het niet betalen door klager van wat hij verschuldigd was. Verder is het niet tot executoriale verkoop van één of meerdere voertuigen van klager gekomen, omdat de voertuigen niet bij het huis van klager staan. Ter zitting hebben de gemachtigden van de gerechtsdeurwaarder aangegeven dat meermalen aan klager is verzocht om de sleutels van de in beslag genomen voertuigen, zonder dat hier gehoor aan is gegeven. Ook is middels huisbezoeken getracht tot een oplossing te komen, maar is klager steeds niet thuis aangetroffen en heeft klager niet op berichten van de gerechtsdeurwaarder gereageerd. Een tuchtrechtelijk verwijt kan de gerechtsdeurwaarder gelet op het voorgaande niet gemaakt worden.
7.4 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
7.5 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. A.K. Mireku en mr. H.A. Roos, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.