ECLI:NL:TGDKG:2026:37 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/773470 / DW RK 25/272 HE/WdJ

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:37
Datum uitspraak: 25-03-2026
Datum publicatie: 26-03-2026
Zaaknummer(s): C/13/773470 / DW RK 25/272 HE/WdJ
Onderwerp: Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. De gerechtsdeurwaarder was bevoegd buitengerechtelijke incassowerkzaamheden te verrichten. De gerechtsdeurwaarder hoeft geen machtiging te overleggen waaruit blijkt dat hij namens de opdrachtgever optreedt. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 25 maart 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 9 juli 2025 met zaaknummer C/13/766638 / DW RK 25/100 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/773470 / DW RK 25/272 HE/WdJ ingesteld door:

[  ], vertegenwoordigd door bestuurder [  ],

gevestigd te [  ],

klaagster,

tegen:

[  ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagde.

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtformulier met bijlagen, ingekomen op 25 maart 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 30 april 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 9 juli 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van 11 juli 2025 aan klaagster toegezonden. Bij brief, ingekomen op 24 juli 2025, heeft klaagster pro forma verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Klaagster is bij brief van 1 augustus 2025 verzocht om uiterlijk 8 augustus 2025 de gronden van het verzet aan te leveren. Klaagster heeft bij brief, ingekomen op

19 augustus 2025 een klacht bij de kamer ingediend over de handelswijze van de kamer. Hierop heeft de voorzitter van de kamer bij brief van 8 oktober 2025 inhoudelijk gereageerd. Bij brief, ingekomen op 3 februari 2026, heeft klaagster haar verzet aangevuld. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van

11 februari 2025 alwaar de gerechtsdeurwaarder via een videoverbinding is gehoord. Klaagster is, met kennisgeving, niet verschenen. De uitspraak is bepaald op 25 maart 2026.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klaagster heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-          Bij e-mail van 4 februari 2025 is klaagster verzocht de openstaande vordering van [  ] h.o.d.n. [  ] (hierna: [  ]) te voldoen teneinde dagvaarden te voorkomen.

-          Bij brief van 6 februari 2025 heeft klaagster aangegeven dat de betreffende facturen bij de opdrachtgever zijn betwist. Verder heeft klaagster een klacht bij het gerechtsdeurwaarderskantoor ingediend, nu het e-mailbericht van

4 februari 2025 is gericht aan een persoonsgebonden e-mailadres. Tevens  heeft klaagster verzocht om een verwerkersovereenkomst die is gesloten met de opdrachtgever, alsmede alle overige correspondentie.

-          Hierop is over en weer tussen de gerechtsdeurwaarder en klaagster gecorrespondeerd.

4. De oorspronkelijke klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder:

a: zich in een buitengerechtelijke incassotraject onterecht beroept op het ambt van  gerechtsdeurwaarder;

b: weigert een machtiging te overleggen met betrekking tot de ogenschijnlijk gegeven opdracht, waardoor het voor klaagster onduidelijk is of de gerechtsdeurwaarder legitiem optreedt namens de opdrachtgever of niet.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a geldt dat van tuchtrechtelijk laakbaar handelen niet is gebleken. Beklaagde heeft buitengerechtelijke incassowerkzaamheden verricht die buiten zijn ambt vallen en waartoe hij op basis van artikel 20 lid 3 onder sub c Gw gerechtigd is deze uit voeren. Dat op het briefpapier van (het kantoor van) beklaagde het ambt van gerechtsdeurwaarder wordt vermeld is, mede gelet op voornoemd artikel, niet in strijd met de Gerechtsdeurwaarderswet. 

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b heeft klaagster stukken verzocht om te verifiëren of de gerechtsdeurwaarder legitiem optreedt voor [  ]. De vraag is of klaagster een gerechtvaardigd belang heeft bij afgifte. In dit geval voert beklaagde terecht aan dat het belang en de noodzaak hiervan ontbreekt. Klaagster kan ervan uitgaan dat indien een gerechtsdeurwaarder – die gebonden is aan (gedrags)regels – optreedt voor een opdrachtgever hij legitiem bevoegd is. Indien klaagster hierover twijfelt ligt het op haar weg dit eenvoudig bij [  ] te checken of te onderbouwen waarom in dit specifieke geval twijfel bestaat. Gelet op het vorenstaande is het dan ook niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm dat de gerechtsdeurwaarder het verzoek van klaagster niet heeft ingewilligd.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klaagster als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

6.1 In verzet heeft klaagster aangevoerd dat de voorzitter niet op alle punten van klaagster is ingegaan en dat hierdoor bepaalde aspecten buiten beschouwing/behandeling zijn gebleven die van grote invloed zouden zijn geweest op het besluit.

6.2 Klaagster wil weten waarom in deze zaak in eerste aanleg geen zitting is geweest, waarom het dossier geen overpeinzingen van de kamer bevat en de kamer van klaagster wel een deugdelijk en onderbouwde zaak verwacht, terwijl de kamer dit zelf nalaat te doen.

6.3 Klaagster wil verder weten of een gerechtsdeurwaarder zich bij incassowerkzaamheden, die niet in opdracht van de rechtsspraak en/of de wet worden uitgevoerd, mag beroepen op de Gerechtsdeurwaarderswet. De kamer heeft deze vraag in eerst aanleg niet beantwoord, aldus klaagster.

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. De voorzitter heeft bepaald dat de zaak zich leende voor een voorzittersbeslissing en is in de beslissing van 9 juli 2025 gemotiveerd ingegaan op alle klachtonderdelen. Na het indienen van het verzet is de klacht ter zitting van

11 februari 2026 behandeld, waar klaagster in de gelegenheid is gesteld haar klacht mondeling toe te lichten. Klaagster heeft hier geen gebruik van gemaakt.

7.2 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

7.3 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.H.J. Evers, plaatsvervangend-voorzitter,

mr. M.C.M. Hamer en mr. O.J. Boeder, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.