ECLI:NL:TGDKG:2026:36 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/766527 / DW RK 25/96 HE/WdJ

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:36
Datum uitspraak: 25-03-2026
Datum publicatie: 26-03-2026
Zaaknummer(s): C/13/766527 / DW RK 25/96 HE/WdJ
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Alvorens het betekenen van de dagvaarding heeft de gerechtsdeurwaarder de naam en adresgegevens van klaagster in het handelsregister van de Kamer van Koophandel gecontroleerd. Nu deze gegevens overeenkwamen met de te vorderen facturen, was er voor de gerechtsdeurwaarder geen reden om te twijfelen aan de juistheid van betreffende B.V. Het lag op de weg van klaagster om zich bij de kantonrechter te verweren indien zij het niet eens was met de dagvaarding, dan wel verzet in te stellen tegen het verstekvonnis. De gerechtsdeurwaarder heeft niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door het verstekvonnis te executeren. Klacht ongegrond.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 25 maart 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/766527 / DW RK 25/96 HE/WdJ ingesteld door:

[  ], vertegenwoordigd door [  ],

gevestigd te [  ],

klaagster,

tegen:

[  ],

gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagde,

gemachtigde: [  ].

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 21 maart 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 25 april 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij e-mail van 23 januari 2026 heeft de gerechtsdeurwaarder pleitnotities ingebracht zoals die in de procedure in kort geding ook zijn overgelegd. Klaagster heeft haar klacht aangevuld bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 2 februari 2026. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 11 februari 2025, alwaar klaagster en de gerechtsdeurwaarder met zijn gemachtigde zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 25 maart 2026.

2. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-          Bij exploot van 17 januari 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster gedagvaard.

-          Bij verstekvonnis van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 13 maart 2024 is klaagster veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag.

-          Bij exploot van 27 maart 2024 is het vonnis van 13 maart 2024 aan klaagster betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.

-          Bij brieven van 12 april 2024 en 3 mei 2024 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder in gebreke gesteld.

-          Bij brieven van 29 april 2024 en 6 mei 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster gewezen op de mogelijkheid van het indienen van verzet tegen het verstekvonnis van 13 maart 2024.

-          Op 21 juni 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal derdenbeslag gelegd onder de ING Bank N.V. ten laste van klaagster.

-          Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Brabant, locatie Den Bosch, van 23 september 2024 zijn de vorderingen van klaagster afgewezen en is klaagster veroordeeld in de proceskosten.

3. De klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat:

a: de gerechtsdeurwaarder de verkeerde B.V. heeft gedagvaard en niet heeft voldaan aan de verificatieplicht;

b: de gerechtsdeurwaarder de fout niet heeft toegegeven, ondanks dat hij erop gewezen is door klaagster, maar wel tot tweemaal toe beslag heeft gelegd op de bankrekening van klaagster terwijl de onderneming is opgericht na de datum van de vordering.

4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

5. De beoordeling van de klacht

5.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet (Gdw) aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet, de Wet Kwaliteit Incassodienstverlening of in strijd met hetgeen een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van artikel 34 van de Gdw oplevert.

5.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de kamer dat uit de overgelegde producties en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder, alvorens het betekenen van de dagvaarding, de naam en adresgegevens van klaagster in het handelsregister van de Kamer van Koophandel heeft gecontroleerd. Nu deze gegevens overeenkwamen met de te vorderen facturen, was er voor de gerechtsdeurwaarder geen reden om te twijfelen aan de juistheid van betreffende B.V. Dat de gerechtsdeurwaarder hierbij niet de datum van oprichting van klaagster heeft opgemerkt, maakt niet dat sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen. Niet gebleken en onbetwist is dat eiseres en (de opdrachtgever van) de gerechtsdeurwaarder op de hoogte waren dan wel konden zijn van de naamswijziging van [  ]. Het lag op de weg van klaagster om zich bij de kantonrechter te verweren indien zij het niet eens was met de dagvaarding, dan wel verzet in te stellen tegen het verstekvonnis van 13 maart 2024. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

5.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b stelt de kamer voorop dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust, indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door het vonnis van 13 maart 2024 op uitdrukkelijk verzoek van de opdrachtgever te executeren. Tegen de tenuitvoerlegging van de titel kan klaagster slechts opkomen door een executiegeschil aan te spannen tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. Het tuchtrecht biedt daarvoor niet de geƫigende weg. Ook dit klachtonderdeel slaagt niet.

5.4 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.H.J. Evers, plaatsvervangend-voorzitter,

mr. M.C.M. Hamer en mr. O.J. Boeder, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.