ECLI:NL:TGDKG:2026:34 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/778639 / DW RK 25/465 KM/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:34 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-03-2026 |
| Datum publicatie: | 23-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/778639 / DW RK 25/465 KM/SM |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet. Verzet gegrond. Klacht gedeeltelijk gegrond. Maatregel: waarschuwing. Van een (toegevoegd) gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij (zelf) in de gaten houdt wanneer zijn legitimatiebewijs verloopt, een en ander in aansluiting op artikel 3.5 lid 1 van de Gerechtsdeurwaardersverordening. ***herstelbeslissing van 15 april 2026; ECLI:NL:TGDKG:2026:43 |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 11 maart 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 11 november 2025 met zaaknummer C/13/774279 DW RK 25/302 BB/WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/778639 / DW RK 25/465 KM/SM ingesteld door:
[ ],
wonende te Laren,
klager,
tegen:
[ ],
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te Heerhugowaard,
beklaagde.
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 15 augustus 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 9 oktober 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 11 november 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van 11 november 2025. Bij brief, ingekomen op
13 november 2025, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van
21 januari 2026 alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 4 maart 2026 en vervolgens aangehouden tot heden.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- Op 19 november 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder de op 2 augustus 2024 in beslag genomen auto van klager, te weten een Volvo type XC90, in gerechtelijke bewaring gegeven.
- Op 3 december 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder de op 2 augustus 2024 in beslag gelegde andere auto van klager, te weten een Volkswagen type Golf, in gerechtelijke bewaring gegeven.
- Bij brief van 18 december 2024 is aan klager een overzicht van het totaal verschuldigde bedrag verstrekt, met het verzoek het genoemde bedrag binnen vijf dagen te voldoen.
- Bij exploot van 7 januari 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder de verkoop van de auto’s aan klager aangezegd tegen 28 januari 2025.
- Op 28 januari 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder de auto’s van klager openbaar verkocht.
- Bij brief van 12 maart 2025 is aan klager een overzicht van het totaal verschuldigde bedrag verstrekt, met het verzoek het genoemde bedrag binnen vijf dagen te voldoen.
- Op 22 april 2025 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder Stichting Flevoziekenhuis ten laste van de echtgenote van klager.
- Op 24 april 2025 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ten laste van klager.
- Bij e-mail van 7 augustus 2025 is aan klager desgevraagd een overzicht van het totaal verschuldigde bedrag verstrekt.
4. De oorspronkelijke klacht
Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder op
19 november 2024 een beslaglegging heeft uitgewonnen, terwijl hij geen geldige beëdigingsdocumentatie of wettelijke volmacht kon overleggen ter onderbouwing van zijn bevoegdheid.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.
4.2 De voorzitter stelt voorop dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de beschikking van 28 november 2023 te executeren. Indien klager het met de tenuitvoerlegging van de titel niet eens is dient hij een executiegeschil aan te spannen tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. Het tuchtrecht biedt daarvoor niet de geëigende weg.
4.3 De gerechtsdeurwaarder heeft weliswaar op 19 november 2024 een verouderde (geldig tot 5 september 2024) legitimatiepas getoond, maar dit maakt niet dat de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Een gerechtsdeurwaarder die een vergissing begaat, maakt zich in het algemeen daarmee niet zonder meer schuldig aan handelen of nalaten dat tuchtrechtelijk dient te worden bestraft. Dit kan anders zijn wanneer de vergissing klaarblijkelijk het gevolg is van grote onzorgvuldigheden of van handelen tegen beter weten in. Hiervan is in dit geval niet gebleken. De gerechtsdeurwaarder heeft bij het verweerschrift een legitimatiepas geldig tot 21 januari 2030 overgelegd. Bovendien blijkt uit het register van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) dat de gerechtsdeurwaarder als toegevoegd gerechtsdeurwaarder staat geregistreerd en dus bevoegd is om ambtshandelingen te verrichten. Dit is klager ook medegedeeld door de KBvG bij e-mail van 8 augustus 2025.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
In verzet heeft klager – samengevat – aangevoerd dat het voeren van een verlopen legitimatiebewijs de bevoegdheid van de gerechtsdeurwaarder teniet doet gaan en dat de gerechtsdeurwaarder nooit een geldige beëdigingsdocumentatie of wettelijke volmacht kon overleggen ter onderbouwing van zijn bevoegdheid.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 Anders dan klager veronderstelt bestaat geen verband tussen het voeren van (een verlopen) legitimatiebewijs en de bevoegdheid ambtshandelingen te verrichten. Een toegevoegd gerechtsdeurwaarder ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 28 van de Gerechtsdeurwaarderswet; de gerechtsdeurwaarder aan artikel 4. Het door de KBvG beheerde register is voor de uitoefening van die bevoegdheid een fundamenteel instrument. Dat in artikel 13 van de Gerechtsdeurwaarderswet (ook) een legitimatieplicht is opgenomen, als daarom verzocht wordt, maakt dit niet anders. Dit betekent wel dat de legitimatie op moment van tonen geldig moet zijn. Dat in de praktijk zelden naar het legitimatiebewijs gevraagd wordt doet hier niet aan af. Van een (toegevoegd) gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij (zelf) in de gaten houdt wanneer zijn legitimatiebewijs verloopt, een en ander in aansluiting op artikel 3.5 lid 1 van de Gerechtsdeurwaardersverordening[1]. Verder sluit een periodieke controle hierop goed aan bij de overige kernwaarden zoals zorgvuldigheid en nauwgezetheid. Ten aanzien van dit deel van de klacht kan de gerechtsdeurwaarder dan ook een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
7.2 Op grond van het voorgaande dient het verzet en de klacht gedeeltelijk gegrond te worden verklaard. De beslissing van de voorzitter kan niet in stand blijven en dient te worden vernietigd. De kamer zal voor het gegronde klachtonderdeel aan de gerechtsdeurwaarder een waarschuwing opleggen. Dat is gezien de aard van de overtreding een passende maatregel. Bij deze stand van zaken ziet de kamer geen aanleiding om de gerechtsdeurwaarder te veroordelen in de kosten van de procedure.
7.3 Omdat de klacht deels gegrond is, dient de gerechtsdeurwaarder aan klager het betaalde griffierecht van € 50 te vergoeden.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet gegrond;
- vernietigt de beslissing van de voorzitter;
- verklaart de oorspronkelijke klacht gegrond;
- legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling aan klager van het griffiegeld van € 50,-, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Aldus gegeven door mr. A.K. Mireku, plaatsvervangend-voorzitter, en
mr. M.L.S. Kalff en R. Elshof, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
mr A.K. Mireku is buiten staat te tekenen. De
beslissing is ondertekend door mr. M.L.S Kalff.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
[1] artikelsgewijze toelichting van artikel 3.5 lid 1 Gerechtsdeurwaardersverordening: “(…) Transparantie dient het belang van de betrouwbaarheid van de individuele gerechtsdeurwaarder, maar ook het belang van de betrouwbaarheid van de beroepsgroep en draagt daarmee bij aan het vertrouwen in de rechtsstaat”.