ECLI:NL:TGDKG:2026:33 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/757909 DW RK 24/359 KM/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:33
Datum uitspraak: 11-03-2026
Datum publicatie: 23-03-2026
Zaaknummer(s): C/13/757909 DW RK 24/359 KM/SM
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht ongegrond. Tegen de tenuitvoerlegging van het vonnis kon klager opkomen door een executiegeschil aan te spannen tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. Het tuchtrecht biedt daarvoor niet de geëigende weg.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 11 maart 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/757909 DW RK 24/359 KM/SM ingesteld door:

[   ],

wonende te [   ],

klager,

tegen:

[   ],

voormalig gerechtsdeurwaarder te [   ,

beklaagde.

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 11 oktober 2024, heeft klager een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op

29 januari 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd. Klager heeft schriftelijk medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen, maar heeft daartoe wel een pleitnota overgelegd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van

21 januari 2026 alwaar de gerechtsdeurwaarder is verschenen. De uitspraak is bepaald op 4 maart 2026 en vervolgens aangehouden tot heden.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

  • klager heeft een hypotheekschuld en heeft sinds 2017 diverse  betalingsregelingen afgesproken;
  • op 12 augustus 2020 is klager bij verstek veroordeeld de vordering te voldoen;
  • in maart 2021 is beslag op klagers woning gelegd;
  • op 31 mei 2021 is aan klager een brief verstuurd dat ter voorkoming van verkoop van de woning een betalingsregeling getroffen moet worden;
  • op 9 juni 2021 is een betalingsregeling bevestigd door de gerechtsdeurwaarder;
  • op 15 oktober 2021 heeft de gerechtsdeurwaarder (opnieuw) vastgesteld dat de betalingsregeling niet is nagekomen;          
  • op 31 mei 2023 is het vonnis opnieuw betekend aan klager;
  • de bank meldt zich als hypotheekhouder en neemt de executie over;
  • op 7 augustus 2023 heeft klager voorgesteld de bestaande lening voort te zetten door betaling van de achterstand aan rente, uitstaande kosten en lopende maandelijkse rentetermijn;
  • op 9 augustus 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klager meegedeeld dat de opdrachtgever niet akkoord gaat met de door klager voorgestelde betalingsregeling en dat de openstaande vordering € 79.931,79 bedraagt;
  • op 15 augustus 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder namens de opdrachtgever meegedeeld dat de gehele hoofdsom voldaan moet worden om de executieverkoop te voorkomen;
  • op 2 oktober 2023 heeft klager verzocht de woning per direct voor een marktconforme prijs te koop aan te bieden;
  • op 10 oktober 2023 is het standpunt herhaald dat de gerechtsdeurwaarder een vonnis in behandeling heeft en dat om executie te voorkomen de gehele vordering dient te worden voldaan;
  • op 12 oktober 2023 is de woning openbaar verkocht;
  • op 6 december 2023 heeft de advocaat van klager een brief aan [   ] gezonden;
  • op 21 augustus 2024 heeft klager een brief geschreven aan de gerechtsdeurwaarder;
  • op 3 september 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klager een klachtenregeling verzonden.

2. De klacht

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder – samengevat – dat:

  1. de gerechtsdeurwaarder niet naar klager heeft geluisterd en niet beschikbaar was terwijl klager in een zeer nijpende situatie zat. Met een redelijke gerechtsdeurwaarder zou tot een oplossing zijn gekomen, omdat de woning een aanzienlijke overwaarde had en klager bereid was de woning onderhands te verkopen, zodat de schulden afgelost konden worden. De maatregelen van de gerechtsdeurwaarder hebben tot een aanzienlijk tekort in klagers pensioen geleid;
  2. de gerechtsdeurwaarder niet beschikt over een verplichte klachtenregeling.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak voor enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met wat een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Ter beoordeling staat of sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a begrijpt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder zich, volgens klager, te weinig heeft ingespannen om samen met klager te komen tot een andere oplossing dan de executieverkoop van zijn woning. Dit beeld volgt niet uit het dossier. Uit de door de gerechtsdeurwaarder overlegde stukken blijkt dat de gerechtsdeurwaarder (sinds 2017) meerdere betalingsregelingen heeft afgesproken met klager en hem heeft aangespoord deze na te komen om executie te voorkomen. Deze pogingen zijn ook nadat een vonnis was behaald doorgezet door de gerechtsdeurwaarder. Voorts heeft de gerechtsdeurwaarder de stelling van klager dat de bank (hypotheekhouder) klager tegemoet had willen komen, geverifieerd bij de bank. Deze bleek niet te kloppen. Anders dan klager veronderstelt lag de beslissingsbevoegdheid om de woning onderhands te verkopen bij de bank en niet bij de gerechtsdeurwaarder. Klager kan de gerechtsdeurwaarder om die reden niet verwijten dat de woning is geveild en daardoor een lager bedrag heeft opgebracht. Tegen de tenuitvoerlegging van het vonnis kon klager opkomen door een executiegeschil aan te spannen tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. Het tuchtrecht biedt daarvoor niet de geëigende weg. Ten aanzien van zijn rol in deze heeft de gerechtsdeurwaarder slechts zijn ministerieplicht vervuld door het vonnis ten uitvoer te leggen. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door dit te doen.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de kamer als volgt. Het gerechtsdeurwaarderskantoor is opgeheven per 2 september 2024. De gerechtsdeurwaarder heeft ter zitting aangevoerd zich niet meer te kunnen herinneren of destijds melding werd gemaakt van een klachtenprocedure op zijn website. Klager heeft bij zijn klacht een printscreen toegezonden van de website van de gerechtsdeurwaarders en daarop lijkt het dat het kantoor niet beschikte over een klachtenregeling. De gerechtsdeurwaarder heeft echter gewezen op de aan klager op 3 september 2024 per e-mail toegezonden klachtenregeling. Daarmee is voor de kamer voldoende aannemelijk gemaakt dat de gerechtsdeurwaarder beschikte over een klachtenregeling Er is dan ook geen sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen.

4.4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door mr. A.K. Mireku, plaatsvervangend-voorzitter, en

mr. M.L.S. Kalff en R. Elshof, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

mr A.K. Mireku is buiten staat te tekenen. De

beslissing is ondertekend door mr. M.L.S Kalff.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.