ECLI:NL:TGDKG:2026:32 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/766321 DW RK 25/89 KM/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:32 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-03-2026 |
| Datum publicatie: | 23-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/766321 DW RK 25/89 KM/SM |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht gegrond. Maatregel: berisping. De gerechtsdeurwaarder heeft onder meer bij exploot van 29 augustus 2024 (tevens) bevel gedaan en heeft dit gedaan op grond van een afschrift, terwijl dit op grond van een grosse had moeten zijn. Volgens de gerechtsdeurwaarder is sprake van een menselijke vergissing geweest. Nu het hier om een kerntaak van een gerechtsdeurwaarder gaat vindt de kamer dit tuchtrechtelijk laakbaar (ook al betreft het een menselijke vergissing). Daarnaast heeft de gerechtsdeurwaarder in weerwil van artikel 3.5 van de gerechtsdeurwaardersverordening klaagster niet zodanig geïnformeerd dat zij haar rechtspositie ten opzichte van de vordering, kon evalueren. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 11 maart 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/766321 DW RK 25/89 KM/SM ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klaagster,
tegen:
[ ],
toegevoegd-gerechtsdeurwaarder te [ ],
gemachtigde: [ ],
beklaagden.
Ontstaan en verloop van de procedure
Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 14 maart 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 28 april 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Nadien is de klacht aangevuld waarop de gerechtsdeurwaarder weer heeft gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van
21 januari 2026 alwaar klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 4 maart 2026 en vervolgens aangehouden tot heden.
1. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- De gerechtsdeurwaarder is belast met de executie van een beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 8 januari 2024 waarbij de echtscheiding tussen klaagster en haar ex-partner is uitgesproken. In de beschikking is het door klaagster en haar ex-partner opgemaakte convenant en ouderschapsplan van 11 december 2023 opgenomen.
- Bij exploot van 29 augustus 2024 heeft gerechtsdeurwaarder de beschikking van 8 januari 2024 aan klaagster betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
- Bij e-mail van 30 augustus 2024 heeft klaagster een klacht bij het gerechtsdeurwaarderskantoor ingediend.
- Hierop is bij e-mails van 5 september 2024 en 15 oktober 2024 gereageerd.
- Vervolgens is meermalen over en weer tussen klaagster en de gerechtsdeurwaarder gecorrespondeerd.
- Bij e-mail van 28 februari 2025 is aan klaagster verzocht het verschuldigde bedrag te voldoen.
2. De klacht
Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder – samengevat – dat:
- de gerechtsdeurwaarder op 29 augustus 2024 een exploot heeft betekend zonder titel en bovendien een afschrift heeft betekend in plaats van een grosse;
- het echtscheidingsconvenant is vervalst en dat zij de gerechtsdeurwaarder daarop heeft gewezen, maar zij daar geen inhoudelijke reactie op heeft gekregen;
- de vordering steeds verandert zonder enige onderbouwing en dat vragen hierover aan de gerechtsdeurwaarder niet beantwoord worden;
- haar privacy is geschonden, omdat de gerechtsdeurwaarder zonder rechtsgeldige titel contact heeft opgenomen met de werkgever van klaagster.
3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder
De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
4. De beoordeling van de klacht
4.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet (hierna: Gdw) aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt.
4.2 De klacht van klaagster is aanvankelijk gericht tegen drie met naam genoemde gerechtsdeurwaarders. Ter zitting is helder geworden dat de klacht zich richt tegen de gerechtsdeurwaarder die het gewraakte exploot van 29 augustus 2024 heeft betekend. Nu de in de aanhef genoemde gerechtsdeurwaarder als behandeld en uitvoerend toegevoegd gerechtsdeurwaarder verantwoordelijk gehouden moet worden voor de beklaagde ambtshandeling zal hij als beklaagde worden aangemerkt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van artikel 34 Gdw oplevert.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de kamer als volgt. Klaagster heeft ter zitting dit klachtonderdeel (nader) toegelicht door te stellen dat de vordering, in het bij exploot van 29 augustus 2024 gedane bevel, niet op deze wijze geëxecuteerd kan worden, omdat het gevorderde bedrag nergens wordt onderbouwd.
4.4 De kamer stelt voorop dat op een gerechtsdeurwaarder (op grond van artikel 11 Gdw) een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. Daar staat tegenover dat een gerechtsdeurwaarder als zelfstandig openbaar ambtenaar bij de uitvoering van zijn opdrachten een eigen verantwoordelijkheid heeft, waarbij hij zowel met de belangen van zijn opdrachtgever als met die van de wederpartij rekening dient te houden. Gelet op de opdracht tot de betekening van de echtscheidingsbeschikking met bijgevoegd echtscheidingsconvenant en het doen van bevel, bestaat die eigen verantwoordelijkheid erin dat marginaal dient te worden getoetst of de verstrekte titel voldoende grond biedt voor het uitvoeren van de opdracht. Een diepgravend onderzoek wordt van de gerechtsdeurwaarder niet verlangd. Wel dient een nog grotere mate van zorgvuldigheid in acht te worden genomen als het gaat om vorderingen tussen ex echtelieden, waarbij niet uit het oog moet worden verloren de (soms) prikkelbare situatie tussen partijen.
4.5 Voor het deugdelijk uitvoeren van een opdracht dient de vordering in elk geval voldoende bepaalbaar te zijn. Over de bepaalbaarheid van de vordering verwijst de gerechtsdeurwaarder naar de brief van 6 augustus 2024 van zijn opdrachtgever, waarin uiteengezet wordt hoe de vordering tot stand is gekomen. Een belangrijk punt voor deze uiteenzetting is de opgave (van winst, belasting en premies op grond van de Zorgverzekeringswet) die klaagster kennelijk heeft verstrekt om te komen tot een hoofdsom. Nu de gerechtsdeurwaarder van zijn opdrachtgever een gespecificeerde vordering gepresenteerd heeft gekregen – waar klaagster betrokken bij was – heeft de gerechtsdeurwaarder aan de marginale toetsing voldaan. Dat klaagster aanspraak maakt op verrekening is een discussie die primair dient plaats te vinden tussen klaagster en de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. Dat de gerechtsdeurwaarder het standpunt van zijn opdrachtgever volgt levert dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt op. Wel merkt de kamer het volgende op. Tijdens de discussie tussen partijen over de verrekening heeft de gerechtsdeurwaarder aanleiding gezien de tenuitvoerlegging on-hold te zetten. Dit is niet aan klaagster gecommuniceerd. Evenmin heeft de gerechtsdeurwaarder aan klaagster de mogelijkheid van het starten van een executiegeschil voorgehouden. Dit had wel van hem verwacht mogen worden en in zoverre kan hem een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden.
4.6. De gerechtsdeurwaarder heeft voorts bij exploot van 29 augustus 2024 (tevens) bevel gedaan en heeft dit gedaan op grond van een afschrift, terwijl dit op grond van een grosse had moeten zijn. Volgens de gerechtsdeurwaarder is sprake van een menselijke vergissing geweest. Nu het hier om een kerntaak van een gerechtsdeurwaarder gaat vindt de kamer dit tuchtrechtelijk laakbaar (ook al betreft het een menselijke vergissing).
4.7 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de kamer als volgt. Tegenover de stelling van klaagster dat sprake is een vervalst echtscheidingsconvenant heeft de gerechtsdeurwaarder een e-mail van 12 maart 2025 overgelegd waarin de (cliënt van de) opdrachtgever toelicht waarom het echtscheidingsconvenant niet is vervalst. Meer dan dit (navraag doen bij zijn opdrachtgever en marginaal toetsen) wordt van een gerechtsdeurwaarder niet verwacht. De klacht stuit hier dan ook op af.
4.8 Ten aanzien van klachtonderdeel c heeft de gerechtsdeurwaarder desgevraagd aangevoerd dat de verandering van het gevorderde bedrag gezocht moet worden in de informatiekosten dan wel executiekosten. Nu dit verwijt door klaagster niet nader is onderbouwd is er onvoldoende om tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtsdeurwaarder op dit onderdeel vast te stellen.
4.9 Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 475g lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bevoegd is om bij een derde informatie in te winnen over het inkomen van een schuldenaar. Een voorwaarde is dat de gerechtsdeurwaarder gerechtigd is beslag te leggen. Nu de gerechtsdeurwaarder een afschrift – en geen grosse – heeft betekend was hij niet gerechtigd om beslag te leggen en mocht hij deze bevraging (nog) niet doen. Er was immers niet voldaan aan artikel 430 Rv zodat van tenuitvoerlegging geen sprake kon zijn. De klacht is terecht voorgesteld.
5. Conclusie en maatregel
5.1 Het voorgaande leidt tot de volgende conclusie.
5.2 Zoals aangegeven (zie 4.6) kan een fout die niet expres is gemaakt en eenvoudig hersteld kan worden nog steeds tuchtrechtelijk laakbaar handelen opleveren. In het bijzonder op die onderdelen waar een verregaande wettelijke bevoegdheid aan de gerechtsdeurwaarder is gegeven bestaat de verplichting zorgvuldig en nauwgezet te werk te gaan (zie artikel 3.4 gerechtsdeurwaarderverordening[1]). Klaagster heeft één dag na de betekening haar beklag gedaan, maar dit is geen aanleiding geweest voor de gerechtsdeurwaarder de stukken nader te bekijken. De gerechtsdeurwaarder heeft pas na 28 februari 2025 opgemerkt dat het fout is gegaan met de betekening. Ondanks het beklag heeft de gerechtsdeurwaarder de werkgever van klaagster benaderd, als bedoeld in artikel 475g Rv zonder dat hij daartoe bevoegd was: de grosse was immers nog niet betekend. Tot slot heeft de gerechtsdeurwaarder in weerwil van artikel 3.5 van de gerechtsdeurwaardersverordening klaagster niet zodanig geïnformeerd dat zij haar rechtspositie ten opzichte van de vordering, kon evalueren.
5.3 Gelet op het voorgaande verklaart de kamer de klacht gedeeltelijk gegrond en acht zij de maatregel van berisping passend en geboden.
6. Kosten(veroordeling)
6.1 Nu de kamer de gerechtsdeurwaarder een maatregel oplegt, zal de kamer de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 43a lid 1 Gerechtsdeurwaarderswet en de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders daarnaast veroordelen tot betaling van:
- een forfaitair bedrag van € 50 aan kosten van klaagster;
- de kosten van behandeling van de klacht door de kamer van € 1.500.
Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een
andere beslissing.
6.2 Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, stelt de kamer vast dat de
gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 37 lid 7 Gdw het door klaagster betaalde
griffierecht (€ 50) aan haar dient te vergoeden.
6.3 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart klachtonderdelen a en d gegrond;
- verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
- legt aan de gerechtsdeurwaarder voor de gegronde klachtonderdelen de maatregel van berisping op;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klaagster, te begroten op € 50, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling aan klaagster van zijn kosten van de procedure in eerste aanleg, bestaande uit € 50 aan griffierecht, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht door de kamer van € 1.500 te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de gerechtsdeurwaarder wordt meegedeeld, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Aldus gegeven door mr. A.K. Mireku, plaatsvervangend-voorzitter, en
mr. M.L.S. Kalff en R. Elshof, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
mr A.K. Mireku is buiten staat te tekenen. De
beslissing is ondertekend door mr. M.L.S Kalff.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
[1] De zorgvuldigheid vereist dat de gerechtsdeurwaarder de juiste informatie verzamelt en betrekt bij zijn beslissingen en handelingen. De zorgvuldigheid vergt onder meer dat beschikbare informatie moet worden opgevraagd, (…) Nauwgezetheid betekent dat de gerechtsdeurwaarder met aandacht werkt en erop gespitst is om fouten te voorkomen.