ECLI:NL:TGDKG:2026:30 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/776162 / DW RK 25/368 KM/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:30
Datum uitspraak: 11-03-2026
Datum publicatie: 23-03-2026
Zaaknummer(s): C/13/776162 / DW RK 25/368 KM/SM
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. Verzet gegrond en klacht gegrond. Maatregel: berisping. Ten aanzien van het in verzet onder b. aangevoerde heeft de gerechtsdeurwaarder betwist dat een verband zou bestaan tussen het tijdstip van het opnieuw gelegde beslag en het innen van het (gehele) vakantiegeld. In dit verband is de gerechtsdeurwaarder in de gelegenheid gesteld uit te leggen hoe de berekening van de beslagvrije voet (gedurende de afgelopen periode) tot stand is gekomen. Daaruit volgt dat de gerechtsdeurwaarder de daartoe geldende regelgeving onjuist toepast wat tot benadeling van schuldenaren kan leiden. De standaardbrieven die de gerechtsdeurwaarder naar de werkgever van in dit geval klaagster heeft doen uitgaan, waarin zonder voorbehoud  aanspraak wordt gemaakt op onkostenvergoeding, overuren en vakantiegeld, terwijl de 95% regeling van toepassing is, zijn daar een concreet voorbeeld van. Onbelaste vergoedingen vallen nooit onder het beslag. Dit is voor de kamer aanleiding om, ondanks dat zij niet gaat over het vaststellen van de juiste beslagvrije voet, de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder in dit geval wel tuchtrechtelijk laakbaar te oordelen. Dat sprake is geweest van ‘bewuste’ omzeiling van de beslagvrije volgt overigens niet uit het dossier.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 11 maart 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 2 september 2025 met zaaknummer C/13/770733 DW RK 25/196 BB/WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/776162 / DW RK 25/368 KM/SM ingesteld door:

[   ],

wonende te [   ],

klaagster,

gemachtigde: [   ]

tegen:

[   ],

gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde.

Gemachtigde: [   ].

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 12 juni 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 22 juli 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 2 september 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klager toegezonden. Bij e-mail, ingekomen op 9 september 2025, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 21 januari 2026 alwaar de gemachtigde van klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 4 maart 2026 en vervolgens aangehouden tot heden.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klaagster heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

  • De gerechtsdeurwaarder is belast met de tenuitvoerlegging van een hypotheekakte van 14 augustus 2012 en een vonnis van rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats te Den Bosch van 14 februari 2024.
  • Op 12 maart 2021 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder de werkgeefster van klaagster.
  • Op 24 maart 2025 is het gelegde beslag opgeheven.
  • Op 22 mei 2025 is opnieuw executoriaal derdenbeslag gelegd onder de werkgeefster van klaagster.
  • Bij exploot van 2 juni 2025 is het proces-verbaal van het gelegde beslag aan klaagster betekend.
  • Bij e-mail van 3 juni 2025 heeft klaagster verzocht om duidelijkheid naar aanleiding van het opnieuw gelegde beslag.
  • Bij e-mail van 13 juni 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster medegedeeld dat het eerste beslag abusievelijk was opgeheven. Omdat de vordering nog niet in zijn geheel was voldaan is opnieuw beslag op het inkomen van klaagster gelegd.

4. De oorspronkelijke klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat:

a: de gerechtsdeurwaarder extra kosten heeft gemaakt door na opheffing van een gelegd beslag opnieuw beslag onder dezelfde werkgever te leggen;

b: de gerechtsdeurwaarder de beslagvrije voet heeft willen omzeilen.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de voorzitter dat uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde producties blijkt dat de opdrachtgever de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 21 maart 2025 heeft verzocht een eindnota op te maken en het dossier van klaagster te sluiten. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder het gelegde beslag op 24 maart 2025 opgeheven. Dit is niet tuchtrechtelijk laakbaar. Op 20 mei 2025 heeft de opdrachtgever geconstateerd dat er intern een fout was gemaakt en het beslag in het dossier van klaagster niet opgeheven had mogen worden. De gerechtsdeurwaarder heeft vervolgens op verzoek van de opdrachtgever opnieuw beslag op het inkomen van klaagster gelegd. Hoewel het netter geweest indien de gerechtsdeurwaarder klaagster hierover had geïnformeerd, kan de gerechtsdeurwaarder gelet op zijn ministerieplicht geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Er zijn geen beslagkosten en executiekosten bij klaagster in rekening gebracht voor het laatst gelegde beslag. Dit klachtonderdeel stuit hierop af.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat de gerechtsdeurwaarder de beslagvrije voet bij het gelegde beslag op 22 mei 2025 opnieuw heeft berekend op basis van de bij hem bekende gegevens. Daarbij is gebleken dat de beslagvrije voet binnen het jaar nadat de oudere beslagvrije voet van kracht is geworden hoger is geworden. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen op dit klachtonderdeel.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klaagster aangevoerd dat:

  1. het onjuist is dat de gerechtsdeurwaarder geen kosten heeft verbonden aan het opnieuw gelegde beslag;
  2. de gerechtsdeurwaarder de beslagvrije voet heeft willen omzeilen door opnieuw beslag te leggen op een dusdanig tijdstip (vlak voor de uitkering van het vakantiegeld) zodat daarmee het vakantiegeld volledig wordt geraakt.

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Voor zover klaagster nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kan zij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat de kamer zich enkel beperkt tot de hierna genoemde twee verzetsgronden.

7.2 Ten aanzien van het in verzet onder a. aangevoerde blijft klaagster bij haar stelling dat de gerechtsdeurwaarder voor het opnieuw gelegde beslag kosten in rekening heeft gebracht, ook al heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van

13 juni 2025 aan klaagster bericht dat de kosten voor het gelegde beslag en de overbetekening daarvan niet voor rekening van klaagster zullen komen.

7.3 Ter beoordeling van de tegengestelde standpunten kan de kamer slechts afgaan op de ambtelijke stukken waaruit blijkt dat de kosten (aanvankelijk) zijn opgenomen en de verwijzing naar de e-mail van de gerechtsdeurwaarder van

13 juni 2025. De kamer is van oordeel, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van klaagster op dit punt, dat het op de weg had gelegen van de gerechtsdeurwaarder zijn stelling nader te onderbouwen. Daarnaast had de gerechtsdeurwaarder uit zichzelf de vergissing kunnen uitleggen, waardoor klaagster had kunnen begrijpen waarom het beslag opnieuw werd gelegd en hoe zal worden omgegaan met de kosten ervan. Pas na de klacht bij de kamer heeft de gerechtsdeurwaarder uitleg gegeven aan klaagster.

7.3 Ten aanzien van het in verzet onder b. aangevoerde heeft de gerechtsdeurwaarder betwist dat een verband zou bestaan tussen het tijdstip van het opnieuw gelegde beslag en het innen van het (gehele) vakantiegeld. In dit verband is de gerechtsdeurwaarder in de gelegenheid gesteld uit te leggen hoe de berekening van de beslagvrije voet (gedurende de afgelopen periode) tot stand is gekomen. Daaruit volgt dat de gerechtsdeurwaarder de daartoe geldende regelgeving onjuist toepast wat tot benadeling van schuldenaren kan leiden. De standaardbrieven die de gerechtsdeurwaarder naar de werkgever van in dit geval klaagster heeft doen uitgaan, waarin zonder voorbehoud  aanspraak wordt gemaakt op onkostenvergoeding, overuren en vakantiegeld, terwijl de 95% regeling van toepassing is, zijn daar een concreet voorbeeld van. Onbelaste vergoedingen vallen nooit onder het beslag. Dit is voor de kamer aanleiding om, ondanks dat zij niet gaat over het vaststellen van de juiste beslagvrije voet, de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder in dit geval wel tuchtrechtelijk laakbaar te oordelen. Dat sprake is geweest van ‘bewuste’ omzeiling van de beslagvrije volgt overigens niet uit het dossier.

7.4 Op grond van het voorgaande dient het verzet en de klacht gegrond te worden verklaard. De beslissing van de voorzitter kan niet in stand blijven en dient te worden vernietigd.

Maatregel

7.5 Ten grondslag aan de klacht ligt wat de kamer betreft de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder de beslagvrije voet vaststelt. Dit is een kerntaak van de gerechtsdeurwaarder. De klacht van klager ziet op een specifieke periode, maar uit de door klager aangeleverde correspondentie blijkt dit al langer heikel punt tussen partijen. Voorts merkt de kamer op dat de communicatie richting klaagster gebrekkig verloopt. Klaagster is niet bericht over de opheffing van het beslag. Ook is klaagster niet van te voren bericht over het opnieuw gelegde beslag. In de situatie waar de opheffing kennelijk een fout betrof aan de zijde van de opdrachtgever/gerechtsdeurwaarder, was dit wel gepast geweest. Dat klaagster de kosten van het opnieuw gelegde beslag en overbetekening niet zou hoeven te betalen was klaagster niet eerder bekend dan met de ontvangst van het verweerschrift. De kamer ziet, gelet op het voorgaande aanleiding tot het opleggen van een berisping.

7.6 De kamer zal de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 43a lid 1 onder a en b van de Gerechtsdeurwaarderswet in samenhang gelezen met de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882) tevens veroordelen in de proceskosten. Voor klaagster worden die begroot op het forfaitaire bedrag van € 50,-. Voor de procedure worden de kosten begroot op het forfaitaire bedrag van € 1.500,-.

7.7 Op grond van artikel 37 lid 7 van de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder aan klaagster het betaalde griffierecht dient te vergoeden.

7.8 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet gegrond en vernietigt de bestreden beslissing van de voorzitter voor wat betreft overwegingen 4.3;
  • verklaart klachtonderdelen a. en b. van de oorspronkelijke klacht gegrond en voor het overige ongegrond;
  • legt de gerechtsdeurwaarder voor de gegronde klacht de maatregel van berisping op;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klaagster, te begroten op € 50,-, te voldoen nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer, te begroten op € 1.500,-, met aanzegging dat de ex artikel 43 lid 6 van de Gerechtsdeurwaarder te bepalen termijn en de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder het bedrag van de kostenveroordeling moeten voldoen, na het onherroepelijk worden van deze beslissing per brief aan de gerechtsdeurwaarder zal worden medegedeeld;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling aan klaagster van het griffiegeld van € 50,-, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. A.K. Mireku, plaatsvervangend-voorzitter, en

mr. M.L.S. Kalff en R. Elshof, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

mr A.K. Mireku is buiten staat te tekenen. De

beslissing is ondertekend door mr. M.L.S Kalff.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.