ECLI:NL:TGDKG:2026:29 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/77901 / DW RK 25/428 KM/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:29
Datum uitspraak: 11-03-2026
Datum publicatie: 23-03-2026
Zaaknummer(s): C/13/77901 / DW RK 25/428 KM/SM
Onderwerp: BFT
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht gegrond. Maatregel: ontzetting uit het ambt en de termijn waarbinnen de gerechtsdeurwaarder niet tot waarnemer kan worden benoemd of aan een gerechtsdeurwaarder kan worden toegevoegd wordt bepaald op vijf jaren. De kamer overweegt daartoe als volgt. Door de eigen (financiële) belangen langdurig en stelselmatig te laten prevaleren boven de belangen van anderen wiens belangen juist ook aan de gerechtsdeurwaarder zijn toevertrouwd, heeft de gerechtsdeurwaarder niet integer gehandeld. De gerechtsdeurwaarder heeft gelden opgenomen van de derdengeldenrekening en daarbij het BFT meerdere jaren misleidt door hen te laten geloven dat de bewaarpositie positief was. Ook ten aanzien van zijn ambtelijk handelen, hetgeen de toegevoegd-gerechtsdeurwaarder toevertrouwd is, heeft de gerechtsdeurwaarder beslissingen genomen en uitgevoerd die fout zijn, wat maakt dat de kamer twijfelt aan de geschiktheid van de gerechtsdeurwaarder als toegevoegd-gerechtsdeurwaarder.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 11 maart 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/77901 / DW RK 25/428 KM/SM ingesteld door:

BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT

gevestigd te Utrecht,

klaagster,

gemachtigde: mr. A. van den Brink,

tegen:

[   ]

gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde,

gemachtigde: mr. [  ]

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 31 oktober 2025, heeft klaagster, hierna: BFT, een klacht, tevens verzoek schorsing ex artikel 38 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder.

Ten aanzien van het schorsingsverzoek van artikel 38 lid 1 Gdw

Tijdens de mondelinge behandeling van 7 november 2025 is (alleen) het schorsingsverzoek behandeld. Het BFT heeft het verzoek kort nader toegelicht. De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd en daartoe een pleitnota overgelegd. De behandeling van het verzoek is gesloten en vervolgens is op 7 november 2025 mondeling uitspraak gedaan. De kamer heeft de gerechtsdeurwaarder met ingang

7 november 2025 geschorst voor de duur van zes maanden, althans – indien die datum eerder wordt bereikt – tot aan de datum van de beslissing op de tegen hem ingediende klacht.

Ten aanzien van de klacht

Bij verweerschrift, ingekomen op 13 januari 2026, heeft de (gemachtigde namens de) gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 21 januari 2026 alwaar J. Feikema, S. Bong, E.H.C. van Engelen en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Tevens was de waarnemend gerechtsdeurwaarder, de heer [   ], aanwezig, net als de heer [   ] namens de KBvG. De uitspraak is bepaald op 4 maart 2026 en vervolgens aangehouden tot heden.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

  • Naar aanleiding van een e-mail 14 juli 2025 van de gerechtsdeurwaarder, waarin wordt medegedeeld dat hij per 1 juli 2025 niet heeft kunnen voldoen aan een positieve bewaarpositie/bewaarplicht, heeft het BFT een onderzoek uitgevoerd bij de gerechtsdeurwaarder. Het onderzoek heeft geresulteerd in het onderzoeksrapport van 28 oktober 2025.
  • Onderzoek van het BFT heeft onder meer uitgewezen dat het door de gerechtsdeurwaarder gemelde bewaringstekort reeds op 1 april 2025 was ontstaan na een overboeking van € 250.000 naar de privérekening.
  • Op 26 augustus 2025 bedroeg het tekort € 299.715.
  • Het BFT heeft de gerechtsdeurwaarder meerdere malen gemaand het bewaringstekort terstond aan te zuiveren.
  • De gerechtsdeurwaarder heeft het tekort aangezuiverd en per 29 oktober 2025 teruggebracht tot € 132.049.

2. De klacht

Het BFT verwijt de gerechtsdeurwaarder:

  1. bewaringstekorten te hebben laten ontstaan, bestaan en deze te hebben verhuld voor het BFT;
  2. onjuist ambtelijk te hebben gehandeld door het in rekening brengen en verhalen van onterechte kosten op debiteuren.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

3.1 De gerechtsdeurwaarder voert geen verweer tegen de door het BFT geconstateerde normschendingen. De gerechtsdeurwaarder heeft spijt van zijn daden en erkent dat er geen excuus is voor zijn handelen. Hij wil nog wel het volgende – samengevat – opmerken.

3.2 Tijdens de mondelinge behandeling van 7 november 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder aangegeven het tekort binnen 2-3 weken op te lossen. Het tekort is daadwerkelijk op 28 november 2025 opgelost. De gerechtsdeurwaarder heeft niet de bedoeling gehad mensen schade te berokkenen met zijn handelwijze. Het bedrag dat de gerechtsdeurwaarder in april 2025 heeft opgenomen kwam voort uit paniek en  hij heeft hierbij vooral aan zichzelf gedacht.

3.3 De gerechtsdeurwaarder verzet zich tegen het gebruik van het woord knevelarij door het BFT om het handelen rondom de onjuiste en onterechte kosten te omschrijven. Er zijn fouten gemaakt maar deze dienen deels toegeschreven te worden aan een menselijke fout en onkunde. Van sommige zaken heeft de gerechtsdeurwaarder simpelweg niet geweten dat hij ze fout deed. De gerechtsdeurwaarder is doende – met hulp van anderen – om alle onregelmatigheden eruit te filteren. De gerechtsdeurwaarder zal eveneens zoveel mogelijk contact opnemen met debiteuren die teveel hebben betaald.

3.4 Het kantoor van de gerechtsdeurwaarder is per 1 december 2025 verkocht en de gerechtsdeurwaarder is nu werkzaam binnen [   ]. De gerechtsdeurwaarder heeft zijn ontslag ingediend als gerechtsdeurwaarder. Het ministerie heeft de gerechtsdeurwaarder bevestigd hem per 31 december 2025 te ontslaan van zijn functie als gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft hiermee voorgesorteerd op de maatregel die het niet hebben voldaan aan de in artikel 19 Gdw opgenomen bewaringsplicht in beginsel dicteert: ontzetting uit het ambt. Mocht dit het oordeel worden van de kamer dan zal de gerechtsdeurwaarder zich daartegen niet verzetten.

3.5 De gerechtsdeurwaarder doet echter een uitdrukkelijke beroep om af te zien van een aanvullende maatregel als bedoeld in artikel 43 lid 8 Gdw, waarbij de kamer een termijn kan bepalen waarbinnen de gerechtsdeurwaarder niet aan een gerechtsdeurwaarder kan worden toegevoegd, dan wel die termijn te bepalen op nihil. Subsidiair verzoekt de gerechtsdeurwaarder een termijn te bepalen op (slechts) enkele maanden.

3.6 Voor zover van belang wordt hierna op die reactie van de gerechtsdeurwaarder ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 De gerechtsdeurwaarder is op grond van artikel 34 Gdw aan tuchtrechtspraak onderworpen voor enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en voor enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

Bewaringstekort

4.2 De gerechtsdeurwaarder heeft gedurende langere tijd (sinds 2022) gelden overgeboekt van de derdengeldenrekening naar privé. Het BFT heeft vastgesteld dat sinds 1 april 2025 een zichtbaar tekort bestaat nadat de gerechtsdeurwaarder een bedrag van € 250.000 van de derdengeldenrekening heeft aangewend voor privé doeleinden. In de periode voor 1 april 2025 was ook al sprake van een structureel tekort, maar dit was voor het BFT niet zichtbaar omdat telkens vlak voor het moment van rapporteren het saldo werd aangezuiverd vanuit privé zodat het tekort onzichtbaar was. Door gelden van de kwaliteitsrekening naar de privérekening over te boeken heeft de gerechtsdeurwaarder een risico genomen met de gelden van derden. Op de privérekeningen vallen de gelden immers niet onder de bescherming van de kwaliteitsrekening. Daarnaast heeft de gerechtsdeurwaarder tijdens de langdurige periodes met bewaringstekorten gelden overgeboekt van de kwaliteitsrekening naar de kantoorrekening. Ook werden rechthebbenden op de derdenrekening in die periodes volledig uitbetaald, en niet, zoals voorgeschreven in artikel 19 Gdw, naar rato.

Onjuist ambtelijk handelen

4.3 De gerechtsdeurwaarder wordt verder verweten over meerdere jaren:

  • twee exploten te boeken in dezelfde zaak, op één dag (wat ook in één exploot had gekund) en de extra kosten te verhalen op de debiteur;
  • aan debiteuren extra kosten in rekening te brengen voor het plaatsen van een advertentie in de Staatscourant;
  • onjuiste bedragen voor verschotten te hebben gerekend, terwijl de gerechtsdeurwaarder hier eerder in 2024 op is gewezen en had toegezegd deze fout te herstellen;
  • te hoge verschotten voor e-VOI-informaties[1] en bankinformaties in rekening te hebben gebracht en verhaald;
  • een verschottenverklaring en verschotten in een exploot op te nemen terwijl er geen verschotten waren gemaakt en andere verschotten juist niet op exploten te vermelden.

Conclusie normschendingen

4.4 De gerechtsdeurwaarder heeft de geconstateerde normschendingen erkent. Daarmee staat vast dat de klacht terecht is voorgesteld.

Verzoek om als toegevoegd gerechtsdeurwaarder aan de slag te kunnen

4.5 De gerechtsdeurwaarder heeft om zijn ontslag verzocht. Het is de nadrukkelijke wens om als toegevoegd gerechtsdeurwaarder aan de slag te gaan en hij voert daartoe het volgende aan. De gerechtsdeurwaarder is inmiddels op leeftijd en dient nog een aantal jaren te werken voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Een inkomen verdienen zal de gerechtsdeurwaarder enerzijds in staat stellen in zijn onderhoud te voorzien en anderzijds zijn (financiële) verantwoordelijkheid te nemen richting schuldeisers. De gerechtsdeurwaarder heeft altijd als gerechtsdeurwaarder gewerkt, iets anders doen dan wel eigen maken ligt niet in de lijn der verwachting. De gerechtsdeurwaarder wijst nadrukkelijk op zijn toezegging – op de zitting van 7 november 2025 – dat hij het tekort binnen 2-3 weken zou aanzuiveren. De gerechtsdeurwaarder heeft die toezegging gestand gedaan. Dit is het opmerken waard, want dit is niet eerder voorgekomen. De waarnemer beaamt dit. Daarnaast heeft de gerechtsdeurwaarder aangevoerd dat hij als toegevoegd-gerechtsdeurwaarder slechts “rondes” zal rijden en dus niet in contact komt met geld, in het bijzonder met de derdengeldenrekening.

Overwegingen van de kamer ten aanzien van dit verzoek

4.6 In vaste rechtspraak is bepaald dat wanneer een gerechtsdeurwaarder niet voldoet aan de in artikel 19 Gdw opgenomen bewaringsplicht, er inbreuk wordt gemaakt op het vertrouwen dat de maatschappij in de gerechtsdeurwaarder heeft en ook moet kunnen hebben. Dat leidt ertoe dat in de tuchtrechtspraak bij schending van de bewaringsplicht in beginsel een ontzetting uit het ambt wordt uitgesproken (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2010:BO4675). Onder omstandigheden kan de tuchtrechter afwijken van dit uitgangspunt. Onderzocht wordt of dergelijke omstandigheden in dit geval aanwezig zijn.

4.7 De ernstige gronden die het BFT heeft aangevoerd en de erkenning van schuld door de gerechtsdeurwaarder maakt dat de kamer geen aanleiding ziet om af te wijken van dit uitgangspunt. De omstandigheid dat het bewaringstekort conform de gedane toezegging nog tijdens de tijdelijke schorsing is aangezuiverd doet hier niet aan af.

4.8 Artikel 43 lid 8 Gdw bepaalt dat in het geval van een ontzetting uit het ambt de termijn dient te worden bepaald waarbinnen betrokkene niet tot waarnemer kan worden benoemd of aan een gerechtsdeurwaarder kan worden toegevoegd. Deze maatregel verhindert dat de oud-gerechtsdeurwaarder wordt benoemd tot waarnemer of toegevoegd gerechtsdeurwaarder. Dat de gerechtsdeurwaarder inmiddels op verzoek ontslagen is maakt dit niet anders. Ook in die situatie brengt de inbreuk die op het vertrouwen (dat de maatschappij in de gerechtsdeurwaarder heeft) is gemaakt mee dat een gerechtsdeurwaarder gedurende een termijn niet tot waarnemer kan worden benoemd of aan een gerechtsdeurwaarder kan worden toegevoegd.

4.9 De gerechtsdeurwaarder heeft hiervoor redenen aangevoerd waarom van deze termijn moet worden afgezien, dan wel moet leiden tot een ‘korte’ termijn. De gerechtsdeurwaarder gaat er hiermee aan voorbij dat hij zichzelf in deze positie heeft gebracht. Bovendien wegen deze redenen niet op tegen de vastgestelde, ernstige normschendingen en zou het mogelijk onwenselijk gedrag stimuleren waartegen de termijn het ambt nu juist beoogt te beschermen. Het BFT heeft het ter zitting treffend opgemerkt door te stellen dat een toegevoegd-gerechtsdeurwaarder geen postbode is. De toegevoegd-gerechtsdeurwaarder doet immers, toegerust met voor het ambt specifieke bevoegdheden, zijn ‘rondes’. De kans is klein dat hij direct met contanten in aanraking komt, maar zijn bevoegdheid staat hem toe dit wel te doen. En dit brengt de kamer op de eigenschap integriteit.

4.10 Door de eigen (financiële) belangen langdurig en stelselmatig te laten prevaleren boven de belangen van anderen wiens belangen juist ook aan de gerechtsdeurwaarder zijn toevertrouwd, heeft de gerechtsdeurwaarder niet integer gehandeld. De gerechtsdeurwaarder heeft gelden opgenomen van de derdengeldenrekening en daarbij het BFT meerdere jaren misleidt door hen te laten geloven dat de bewaarpositie positief was. Dat is zeer laakbaar. Ook ten aanzien van zijn ambtelijk handelen heeft de gerechtsdeurwaarder beslissingen genomen en uitgevoerd die fout zijn. Als toegevoegd-gerechtsdeurwaarder die ambtshandelingen uitvoert, zullen zich ook steeds opnieuw beroepsethische vragen aandienen. Een toegevoegd gerechtsdeurwaarder betekent exploten en zal moeten kunnen controleren of ze juist zijn opgesteld volgens de dan geldende wet- en regelgeving. Zaken als meerdere exploten betekenen op één dag en daarvoor kosten rekenen, het afzonderlijk en tegelijk aanzeggen van een ontruimingsdatum, teveel kosten (verschotten) vermelden, en ondanks toezeggingen verkeerd berekende voorschotten niet herstellen zijn allemaal zaken waar ook een toegevoegd gerechtsdeurwaarder mee te maken kan krijgen. De langdurige periode van onjuiste interpretatie en fout handelen, maakt dat de kamer twijfelt aan de geschiktheid van de gerechtsdeurwaarder als toegevoegd-gerechtsdeurwaarder.

5. Maatregel

5.1 Het voorgaande leidt ertoe dat de door het BFT ingediende klacht gegrond dient te worden verklaard. Nu geen omstandigheden zijn die maken dat van het onder overweging 4.3 vermeld uitgangspunt dient te worden afgeweken, zal aan de gerechtsdeurwaarders de maatregel van ontzetting uit het ambt worden opgelegd.

5.2 De ernst van de vastgestelde normschendingen en het niet integer handelen maken dat grote twijfel bestaat aan de geschiktheid van gerechtsdeurwaarder als toegevoegd gerechtsdeurwaarder. De kans op onttrekken van gelden is weliswaar beperkt als toegevoegd-gerechtsdeurwaarder maar niet uitgesloten. Verder raken de tekortkomingen van de gerechtsdeurwaarder niet alleen de werkzaamheden als gerechtsdeurwaarder ondernemer maar ook de werkzaamheden die als toegevoegd-gerechtsdeurwaarder voorkomen. Een korte termijn van afwezigheid van deze functie ligt dan ook niet in de rede. Het door de gerechtsdeurwaarder aangevoerde leidt niet tot een ander oordeel. De kamer acht het aangewezen de termijn waarbinnen de gerechtsdeurwaarder niet tot waarnemer kan worden benoemd of aan een gerechtsdeurwaarder kan worden toegevoegd, te bepalen op 5 jaar.

6. Kosten(veroordeling)

6.1 Per 1 januari 2018 is de Gdw gewijzigd (Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen). In verband daarmee heeft de kamer de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders vastgesteld (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882).

6.2 Nu de kamer de gerechtsdeurwaarder een maatregel oplegt, zal de kamer hem op grond van artikel 43a lid 1 Gdw en de Tijdelijke Richtlijn daarnaast veroordelen tot betaling van € 1.500,00 aan kosten van behandeling van de klacht door de kamer. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.

6.3 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

De kamer voor gerechtsdeurwaarders: 

  • verklaart de klacht gegrond;   
  • legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel op van ontzetting uit het ambt;
  • bepaalt de termijn waarbinnen de gerechtsdeurwaarder niet tot waarnemer kan worden benoemd of aan een gerechtsdeurwaarder kan worden toegevoegd op vijf jaren, welke maatregel van kracht wordt op een na onherroepelijk worden van de beslissing per aangetekende brief aan de gerechtsdeurwaarder mee te delen datum;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht door de kamer van € 1.500, te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de gerechtsdeurwaarder wordt meegedeeld, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. A.K. Mireku, plaatsvervangend-voorzitter, en

mr. M.L.S. Kalff en R. Elshof, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

mr A.K. Mireku is buiten staat te tekenen. De

beslissing is ondertekend door mr. M.L.S Kalff.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

[1] Elektronisch Verzoek Om Informatie.