ECLI:NL:TGDKG:2026:28 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/755711 DW RK 24/305 MK/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:28 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-01-2026 |
| Datum publicatie: | 02-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/755711 DW RK 24/305 MK/SM |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht (gedeeltelijk) gegrond. Maatregel: berisping. De gerechtsdeurwaarder heeft klaagster niet concreet geïnformeerd wat specifiek van haar verwacht werd en dat zij dwangsommen zou verbeuren als zij dat niet zou doen. Voorst heeft de gerechtsdeurwaarder conclusies getrokken uit een omstandigheid die zich heeft voorgedaan en daarmee niet alleen meer verklaard dat nodig was, maar ook heeft het er mede toe geleid dat de opdrachtgeefster verbeurde dwangsommen heeft proberen in te vorderen bij klaagster. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 20 januari 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/755711 DW RK 24/305 MK/SM ingesteld door:
[ ].,
gevestigd te [ ],
klaagster,
gemachtigde: [ ],
tegen:
mr. [ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
Ontstaan en verloop van de procedure
Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 20 augustus 2024, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 18 september 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2025 alwaar de heer [ ] (bestuurder), [ ] en [ ] en de gemachtigde namens klaagster en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is na aanhouding bepaald op 20 januari 2026.
1. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- Op vrijdag 17 mei 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder een afschrift van een vonnis betekend aan klaagster.
- Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter verlof verleend voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag ten laste van klaagster.
- Op 26 juni 2024, afgerond op 27 juni 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder conservatoir bewijsbeslag gelegd op het kantooradres van klaagster.
- Bij exploot van 1 juli 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder het proces-verbaal van het bewijsbeslag aan klaagster betekend.
- Bij e-mail van 1 juli 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder zijn opdrachtgeefster, met cc aan de advocaten van klaagster, bericht over gang van zaken tijdens de uitvoering van het bewijsbeslag (hierna: 1 juli e-mail).
2. De klacht
Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat:
a: de gerechtsdeurwaarder op vrijdag 17 mei 2024 een vonnis aan klaagster heeft betekend zonder daartoe een instructie van zijn opdrachtgeefster te hebben ontvangen. Het gevolg hiervan is dat een al veel te korte opgavetermijn is gaan lopen;
b: de gerechtsdeurwaarder tijdens het bewijsbeslag op 26 juni 2024 niemand van klaagster heeft geïnformeerd over wat verwacht werd en niet gewaarschuwd heeft dat dwangsommen werden verbeurd als klaagster bepaalde handelingen niet of niet tijdig zou verrichten;
c: de gerechtsdeurwaarder na het bewijsbeslag in zijn 1 juli e-mail aan zijn opdrachtgeefster onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt;
d. heeft geconcludeerd dat klaagster haar medewerkingsplicht uit het beslagverlof heeft geschonden, met als gevolg dat de opdrachtgeefster dwangsommen is gaan opeisen.
3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder
De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
4. De beoordeling van de klacht
4.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.
klachtonderdeel a
4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de kamer als volgt. In verweer op dit onderdeel heeft de gerechtsdeurwaarder aangegeven dat hij op donderdag 16 mei 2024 (om 14:40 uur) opdracht heeft gekregen van zijn opdrachtgeefster het betreffende vonnis te betekenen, wat niet betwist is. Bij deze opdracht was een afschrift van het vonnis gevoegd. Daarmee staat vast dat de opdracht tot betekenen is gegeven. Omdat de gerechtsdeurwaarder diezelfde donderdag aangaf aan zijn opdrachtgeefster, samengevat, de grosse te willen ontvangen zodat hij maandag kon betekenen, kon de opdrachtgeefster – terecht – in de veronderstelling verkeren dat er tot die tijd niet betekend zou worden. Vervolgens heeft de gerechtsdeurwaarder op vrijdag 17 mei 2024, in Amsterdam voor aan andere spoedklus, zelfstandig besloten om het afschrift van het vonnis te betekenen. Dit heeft hij diezelfde dag, maar na het betekenen, per e-mail bericht aan zijn opdrachtgeefster.
4.3 Uit het vorenstaande volgt dat de stelling van klaagster dat de gerechtsdeurwaarder een vonnis heeft betekend zonder daartoe instructie te hebben ontvangen, niet juist is. De situatie lag genuanceerder: een opdracht was verstrekt maar omdat de gerechtsdeurwaarder had aangegeven pas na ontvangst van de grosse te gaan betekenen was de uitvoering van de opdracht stil komen te liggen. De gerechtsdeurwaarder heeft vervolgens, zonder nader overleg met zijn opdrachtgeefster, besloten het van het vonnis te betekenen. Dat was niet juist. Dit heeft de gerechtsdeurwaarder ook erkend en aangegeven dat het “juister” was geweest als hij zijn opdrachtgeefster vooraf had geïnformeerd.
4.4 Tuchtrechtelijk laakbaar vindt de kamer dit, alles afwegend, niet. Het is vaste jurisprudentie dat als een gerechtsdeurwaarder een fout maakt dit niet zonder meer betekent dat de gerechtsdeurwaarder zich schuldig maakt aan handelen of nalaten dat tuchtrechtelijk laakbaar is. Voor tuchtrechtelijke laakbaarheid zijn bijkomende omstandigheden vereist, zoals wanneer een fout een structureel karakter heeft of wanneer de vergissing of fout klaarblijkelijk het gevolg is van grote onzorgvuldigheid of van handelen tegen beter weten in. Daarvan is hier geen sprake. Bovendien is niet gebleken dat klaagster relevant nadeel heeft ondervonden van de betekening van het afschrift van het vonnis.
klachtonderdeel b
4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de kamer dat uit de overgelegde producties blijkt dat de gerechtsdeurwaarder op 26 juni 2024 om 08:15 uur de beschikking van 21 juni 2024, waarmee verlof tot het leggen van bewijsbeslag was verleend, aan klaagster heeft betekend. Daarbij is expliciet bevel gedaan om onmiddellijk aan de inhoud van de beschikking te voldoen en mitsdien alle medewerking te verlenen onder aanzegging van dwangsommen. Klaagster stelt zich op het standpunt dat de gerechtsdeurwaarder, los van deze betekening, klaagster had moeten wijzen op wat precies van haar verwacht werd én had moeten waarschuwen dat als zij dat niet zou doe zij mogelijk dwangsommen zou verbeuren.
4.6 In het midden kan blijven of de stelling van de gerechtsdeurwaarder dat hij wordt geacht te spreken middels zijn exploten en dat op hem geen verplichting rust om het bevel te herhalen, nader te preciseren of van toelichting te voorzien, in zijn algemeenheid juist is. De kamer is namelijk van oordeel dat in het geval als hier aan de orde, waarbij aan een (rechts)persoon een beschikking wordt betekend met bevel om iets concreets te doen, namelijk het verlenen van medewerking aan de gerechtsdeurwaarder bij het leggen van beslag, bij gebreke waarvan dwangsommen worden verbeurd, van een gerechtsdeurwaarder verwacht mag worden dat hij meer doet dan betekenen. Ten aanzien van zijn ambtshandelingen vertegenwoordigt de gerechtsdeurwaarder nadrukkelijk de Staat en treedt hij niet op namens zijn opdrachtgeefster. Bij deze onafhankelijke positie hoort ook dat belangen van anderen worden meegewogen[1]. Die belangen maken in dit geval dat de gerechtsdeurwaarder steeds concreet kenbaar maakt, in dit geval aan klaagster, wat op welk moment verwacht wordt zodat klaagster haar gedrag daarop in redelijkheid kan afstemmen[2] en zij weet wat dat het niet opvolgen kan resulteren in een sanctie (i.c. een dwangsom).
4.7 In het dossier zitten tegenstrijdige berichten over de vraag óf de gerechtsdeurwaarder in dit geval nader heeft toegelicht wat van klaagster verwacht werd en of hij gewaarschuwd heeft dat dwangsommen verbeurd zouden worden. Uit de rapportage van de gerechtsdeurwaarder zelf, deels opgenomen in de 1 juli e-mail, blijkt dit niet. Een van de door hem ingeschakelde IT-deskundigen heeft verklaard dat er gewaarschuwd is voor het opeisen van dwangsommen. Daartegenover staat dat de functionarissen en advocaten van klaagster betwisten dat deze informatie of waarschuwing is verstrekt. Daarbij komt dat in de procedure tussen klaagster en opdrachtgeefster over het wel of niet verbeurd zijn van dwangsommen het gerechtshof Amsterdam in een arrest van 19 augustus 2025[3] heeft vastgesteld dat de gerechtsdeurwaarder onvoldoende concreet heeft meegedeeld aan klaagster wat van haar verwacht werd en geen dwangsommen zijn verbeurd.
4.8 Bij deze stand van zaken gaat de kamer er van uit dat gerechtsdeurwaarder klaagster niet concreet heeft geïnformeerd wat specifiek van haar verwacht werd en dat zij dwangsommen zou verbeuren als zij dat niet zou doen. Het is tuchtrechtelijk laakbaar om dat na te laten.
klachtonderdeel c
4.9 Klachtonderdeel c ziet op de inhoud van de 1 juli e-mail van de gerechtsdeurwaarder aan zijn opdrachtgeefster. In die e-mail heeft de gerechtsdeurwaarder het verloop van het bewijsbeslag uiteengezet. In zijn verweerschrift heeft de gerechtsdeurwaarder toegelicht waarom de feiten vooral zien op de gedragingen van klaagster en niet op die van haar advocaten.
4.10 Uit hetgeen door klaagster en de gerechtsdeurwaarder is aangevoerd in deze zaak volgt dat de e-mail niet volledig is. Maar dat maakt niet dat de gerechtsdeurwaarder automatisch tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. Uit de context waarin de e-mail verstuurd is – op verzoek van de opdrachtgeefster die overweegt consequenties te verbinden aan het gedrag van klaagster – kan worden afgeleid dat het niet een volledig verslag met alle details betreft. Bovendien is de e-mail van circa twee bladzijde beperkt van omvang voor een dag die om 8:10 begon en tot 02:10 de volgende dag heeft geduurd. Aldus zijn keuzes gemaakt over wat wel en niet is opgenomen. Achteraf kan de vraag gesteld worden of dat steeds verstandige keuzes waren, zeker nu de gerechtsdeurwaarder zich bewust had kunnen en moeten zijn dat deze e-mail een rol ging spelen in het geschil tussen zijn opdrachtgeefster en klaagster. Nu echter niet is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder zaken bewust anders heeft voorgesteld dan zoals hij ze zag of zijn opdrachtgeefster (of derden) anderszins bewust op het verkeerde been heeft gezet, ziet de kamer in het opstellen en verzenden van deze e-mail geen tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen. Op één punt dat ook in de 1 juli e-mail aan bod komt ligt dat anders, maar dat komt in het volgende klachtonderdeel aan de orde.
klachtonderdeel d
4.11 Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt de kamer als volgt. Dit onderdeel ziet in het bijzonder op de volgende mededeling uit de 1 juli e-mail: “Maar het is ook duidelijk dat door deze handelswijze niet is voldaan aan hetgeen is bepaald in het rekest onder D) juncto F) -> de medewerkingsplicht terzake het toegankelijk maken van de cloudsystemen, waarbij er geen verplichting is te wachten op de aanwezigheid van een advocaat of vertrouwenspersoon”.
4.12 Met deze opmerking verbindt de gerechtsdeurwaarder een conclusie met mogelijk juridische gevolgen aan wat zich feitelijk heeft afgespeeld tijdens het leggen van bewijsbeslag. Een gerechtsdeurwaarder moet zich steeds bewust zijn van de mogelijke gevolgen van zijn handelen, zeker in de context als hier aan de orde waarin hij aan zijn opdrachtgeefster verslag uitbrengt van wat zich feitelijk heeft voorgedaan. Dan past het een gerechtsdeurwaarder om terughoudend te zijn met het trekken van conclusies. In dit geval had volstaan kunnen worden met de ook opgenomen vaststelling dat het voor gerechtsdeurwaarder lang heeft geduurd voordat feitelijke toegang werd verkregen. Door ook de conclusie op te nemen die de gerechtsdeurwaarder daaraan verbindt, namelijk dat niet is voldaan aan het rekest (de beschikking), heeft de gerechtsdeurwaarder meer verklaard dan nodig. Dit heeft bovendien gevolgen gehad: het heeft er mede toe geleid dat de opdrachtgeefster verbeurde dwangsommen heeft geprobeerd in te vorderen bij klaagster. Het in deze context opnemen van de conclusie die de gerechtsdeurwaarde verbindt aan de feitelijke gang van zaken is tuchtrechtelijk laakbaar. Dat de gerechtsdeurwaarder de 1 juli e-mail afsluit met het bericht dat het aan opdrachtgeefster is of zij consequenties wenst te verbinden aan de handelswijze maakt het vorenstaande niet anders.
maatregel
4.13 Ten aanzien van de op te leggen maatregel overweegt de kamer als volgt.
4.14 Met zijn verweerschrift en de toelichting ter zitting heeft de gerechtsdeurwaarder zich gepresenteerd als zeer ervaren gerechtsdeurwaarder op het gebied van bewijsbeslagen – dat doet hij al 15 jaar en tussen 2011 en 2019 heeft hij naar eigen zeggen in 250 IE zaken bewijsbeslag gelegd. Daartoe heeft hij een niet geanonimiseerde lijst van ongeveer 250 bewijsbeslagen (met partijnamen) in het geding gebracht. Ook heeft hij een overzicht van zijn klantenbestand van advocaat-opdrachtgevers (met aantallen opdrachten per kantoor) in het geding gebracht. Dit betreft vertrouwelijke gegevens die niet gedeeld hadden mogen worden. Verder heeft de gerechtsdeurwaarder aangegeven dat hij, gezien zijn ervaring, voorafgaand een aan bewijsbeslag een risicoprofiel van de beslagene schetst. In zijn verweerschrift heeft hij in dit kader – irrelevant voor de vraag die voorligt in deze tuchtprocedure – onnodig negatief gekleurde opmerkingen met kwalificaties over de directie van klaagster geuit. Ook de advocaten van klaagster – met wie hij naar eigen zeggen tot aan dit beslag vijf jaar lang plezierig heeft samengewerkt waarbij mooie resultaten zijn geboekt – zouden in deze zaak gehandeld hebben in strijd met alle juridische regels en regels van betamelijkheid. Verder was sprake, zo volgt uit de woorden van de gerechtsdeurwaarder in zijn verweerschrift, van een werkelijk schaamteloze misplaatste vertoning.
4.15 Met deze wijze van communicatie heeft de gerechtsdeurwaarder niet gehandeld zoals je van een gerechtsdeurwaarder mag verwachten. Dat het contact met een beslagene en haar advocaten emoties oproept is mogelijk, maar van een gerechtsdeurwaarder mag verwacht worden dat hij zakelijk blijft communiceren. De wijze waarop de gerechtsdeurwaarder in dit dossier klaagster en haar advocaten heeft neergezet is ongepast.
4.16 Het vorenstaande ziet op de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder zich in de klachtprocedure heeft opgesteld. Dat is geen onderdeel van de klacht, nu de toegewezen klachtonderdelen b en d zien op de handelswijze van de gerechtsdeurwaarder op 26 juni 2024 en de e-mail van 1 juli 2024. Voor die handelswijze volstaat een berisping. De kamer hecht eraan in deze beslissing op te nemen dat de gerechtsdeurwaarder zich bij een eventuele volgende klacht zich anders dient op te stellen. Doet hij dat niet, dan kan een ongepaste houding gedurende de klachtprocedure leiden tot een of meer tuchtrechtelijke maatregelen of verzwaring van anderszins opgelegde maatregelen.
4.17 Ten slotte heeft de kamer bij het bepalen van de maatregel rekening gehouden met de langer dan gebruikelijke termijn waarop deze beslissing is genomen.
5. Kostenveroordeling
5.1 Nu de kamer de gerechtsdeurwaarder een maatregel oplegt, zal de kamer de gerechtsdeurwaarders op grond van artikel 43a lid 1 Gdw en de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders veroordelen tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht door de kamer van € 1.500. De gerechtsdeurwaarder zal daarnaast worden veroordeeld tot betaling van de kosten van klaagster, die worden begroot op een forfaitair bedrag van € 50.
5.2 Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, stelt de kamer vast dat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 37 lid 7 Gdw het door klaagster betaalde griffierecht (€ 50) aan haar dient te vergoeden.
5.3 Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart klachtonderdelen b en d gegrond;
- verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
- legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling van het door klaagster betaalde griffierecht, zijnde € 50, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klaagster, te begroten op € 50, nadat deze uitspraak onherroepelijk is geworden;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht door de kamer, begroot op € 1.500, te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de gerechtsdeurwaarders wordt meegedeeld, nadat deze uitspraak onherroepelijk is geworden.
Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, en mr. S.N. Schipper en mr. S.J.W. van der Putten, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
[1] zie ook de toelichting op artikel 3.6 Gerechtsdeurwaardersverordening, ‘Ministerieplicht en belangenafweging’
[2] vergelijk artikel 3.5 lid 3 Gerechtsdeurwaardersverordening
[3] ECLI:NL:GHAMS:2025:2190