ECLI:NL:TGDKG:2026:27 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/773697 / DW RK 25/282 MK/RH
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:27 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-02-2026 |
| Datum publicatie: | 27-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/773697 / DW RK 25/282 MK/RH |
| Onderwerp: | Incassotraject |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | De gerechtsdeurwaarder heeft wetsartikel geciteerd dat niet bestaat en bovendien deze fout niet direct hersteld na hier op te zijn gewezen. Dit past de gerechtsdeurwaarder niet en daar kan hem een tuchtrechtelijk verwijt van gemaakt worden. Er is te laat gereageerd op de klacht: volgens de website en de ontvangstbevestiging van de gerechtsdeurwaarder volgt een reactie binnen veertien dagen; in dit geval is de termijn twintig dagen geweest en heeft klager een rappel moeten sturen. Dat is tuchtrechtelijk laakbaar. Maatregel van waarschuwing opgelegd. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 25 februari 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/773697 / DW RK 25/282 MK/RH ingesteld door:
[..],
wonende te [..],
klager,
tegen:
[..],
gerechtsdeurwaarder te [..],
beklaagde,
gemachtigde: [..].
Ontstaan en loop van de procedure
Bij brief met bijlagen, ingekomen op 4 augustus 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op
9 september 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 7 januari 2026 alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 25 februari 2026.
1. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- bij brief van 17 juni 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder klager namens Liander N.V. geïnformeerd dat er geen overeenkomst met een energieleverancier bestaat, terwijl klager wel gas ontvangt. Klager is in de gelegenheid gesteld om afsluiting te voorkomen door de aansluiting te laten verwijderen of een overeenkomst aan te gaan met een energieleverancier;
- hierop heeft klager bij e-mail van 23 juni 2025 gereageerd;
- bij e-mail van 27 juni 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder op deze e-mail gereageerd;
- bij e-mail van 2 juli 2025 heeft klager zich op het standpunt gesteld dat de gerechtsdeurwaarder onjuiste beweringen in zijn e-mail van 27 juni 2025 doet en een wetsartikel citeert dat niet bestaat. Klager heeft de gerechtsdeurwaarder gesommeerd de betreffende beweringen binnen vijf werkdagen te rectificeren;
- op 10 juli 2025 heeft klager een klacht bij het gerechtsdeurwaarderskantoor ingediend;
- op 25 juli 2025 heeft klager zijn klacht gerappelleerd;
- bij brief van 30 juli 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder klager medegedeeld dat hij gehouden is tot het aangaan van een contract, ook al verbruikt klager geen gas;
- op 6 augustus 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder klager geïnformeerd dat Liander het dossier heeft gesloten.
2. De klacht
Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder – samengevat – het volgende.
a: De gerechtsdeurwaarder heeft in een brief niet-bestaande wetgeving opgevoerd en zelfs een niet-bestaande wettekst geciteerd.
b: De gerechtsdeurwaarder doet niet op wet- en regelgeving gebaseerde uitspraken over vermeende verplichtingen van klager jegens Liander en probeert klager zo onder valse voorwendselen te overtuigen te voldoen aan de sommatie van het gerechtsdeurwaarderskantoor.
c: De gerechtsdeurwaarder heeft niet op alle correspondentie gereageerd. Klager heeft buiten de termijn die door het gerechtsdeurwaarderskantoor zelf is opgelegd een generieke reactie ontvangen, die niet op de klacht ingaat.
3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder
De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
4. De beoordeling van de klacht
4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens de Gerechtsdeurwaarderswet en de Wet kwaliteit incassodienstverlening gegeven bepaling of in strijd met wat een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Ter beoordeling staat of sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
4.2 Ten aanzien van klachtonderdelen a en b overweegt de kamer het volgende. De verwijzing in de brief van 17 juni 2025 naar de Elektriciteits- en Gaswet is niet onjuist: dit waren tot 1 januari 2026 geldende wetten. Op 27 juni 2025 heeft een medewerker van de gerechtsdeurwaarder in een e-mail aan klager artikel 10 lid 1 van de Gaswet geciteerd als “een ieder die is aangesloten op een gastransportnet is gehouden een transportovereenkomst te sluiten met de netbeheerder van dat net”. Dit staat echter niet in het genoemde artikel. De gerechtsdeurwaarder heeft dit erkend en meegedeeld dat binnen het team is gecommuniceerd dat deze verwijzing onjuist is en niet meer gebruikt moet worden. De kamer overweegt als volgt. Als een gerechtsdeurwaarder een juridisch standpunt inneemt dat niet juist is dan houdt dat niet zonder meer in dat die gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. In dit geval heeft de gerechtsdeurwaarder echter een citaat opgenomen dat niet bestaat en bovendien deze fout niet direct hersteld na hier op te zijn gewezen. Dit past de gerechtsdeurwaarder niet en daar kan hem een tuchtrechtelijk verwijt van gemaakt worden. Dit onderdeel van de klacht is terecht voorgesteld. Klager heeft nog gesteld dat dat de gerechtsdeurwaarder onder valse voorwendselen hem probeerde te overtuigen te voldoen aan de sommatie van de gerechtsdeurwaarder. Dit volgt echter niet uit het dossier.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de kamer het volgende. Op
2 juli 2025 heeft klager inhoudelijk gereageerd op een eerdere e-mail van de gerechtsdeurwaarder en daarbij de gerechtsdeurwaarder gesommeerd te rectificeren. Vervolgens heeft klager op 10 juli 2025 een klacht ingediend bij de gerechtsdeurwaarder. Daarop heeft de gerechtsdeurwaarder met een ontvangstbevestiging aangegeven binnen veertien dagen te zullen reageren op de klacht. Na een rappel van klager heeft hij uiteindelijk op 30 juli 2025 gereageerd op de klacht. Op grond van vaste rechtspraak van de kamer dient een gerechtsdeurwaarder binnen redelijke termijn te reageren op correspondentie in een dossier dat bij hem of haar in behandeling is, welke termijn in beginsel veertien dagen is. De gerechtsdeurwaarder heeft er voor gekozen de e-mail van 2 juli 2025 te behandelen bij het afdoen van de klacht, omdat er acht dagen na die e-mail ook een klacht was ingediend. Naar het oordeel van de kamer is deze handelswijze niet tuchtrechtelijk laakbaar. Er is wel te laat gereageerd op de klacht: volgens de website en de ontvangstbevestiging van de gerechtsdeurwaarder volgt een reactie binnen veertien dagen; in dit geval is de termijn twintig dagen geweest en heeft klager een rappel moeten sturen. Dat is tuchtrechtelijk laakbaar. Klager heeft nog gesteld dat hij een generieke reactie heeft ontvangen, waarin niet is ingegaan op het door hem gestelde en heeft voorbeelden overgelegd waaruit blijkt dat de brief een standaardbrief is. De kamer volgt dit verwijt niet omdat uit de reactie van 30 juli 2025 voldoende blijkt dat op de klacht inhoudelijk is ingegaan.
4.4 De kamer is van oordeel dat bij deze gegronde klachtonderdelen een waarschuwing passend is. Het citeren van een niet bestaande wettekst is fout, maar gelet op het feit dat de gerechtsdeurwaarder heeft meegedeeld dat de medewerker er op is aangesproken en dit intern is gecommuniceerd, zijn geen termen aanwezig om tot het opleggen van een zwaardere maatregel over te gaan.
4.5 Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, stelt de kamer vast dat de
gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 37 lid 7 Gerechtsdeurwaarderswet het door klager betaalde griffierecht (€ 50,00) aan hem dient te vergoeden. Ook dient de gerechtsdeurwaarder aan klager de forfaitaire proceskosten van € 50,00 te vergoeden.
4.6 Op grond van voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De kamer voor gerechtsdeurwaarders:
- verklaart klachtonderdeel a en c gegrond;
- verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klager, te begroten op €50,00, te betalen nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling aan klager van het door hem betaalde griffierecht van € 50,00, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, mr. A.K. Mireku en
mr. S.J.W. van der Putten, leden, uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 februari 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.