ECLI:NL:TGDKG:2026:22 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/766711 / DW RK 25/106 HE/WdJ

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:22
Datum uitspraak: 25-02-2026
Datum publicatie: 26-02-2026
Zaaknummer(s): C/13/766711 / DW RK 25/106 HE/WdJ
Onderwerp: Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: De klacht is voor zover die ziet op het uitblijven van verduidelijking van de executiekosten en de communicatie daaromtrent, gegrond. De gerechtsdeurwaarder is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 25 februari 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/766711 / DW RK 25/106 HE/WdJ ingesteld door:

[  ],

wonende te [  ],

klager,

tegen:

[  ],

gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagde,

gemachtigde: [  ].

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 26 maart 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 4 juni 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 14 januari 2025 alwaar klager met zijn partner en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 25 februari 2026.

2. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           De gerechtsdeurwaarder is belast met de executie van een ten laste van klager gewezen ontruimingsvonnis van de kantonrechter te Apeldoorn van 4 oktober 2023.

-           Bij e-mail van 4 maart 2024 heeft klager verzocht om stukken uit zijn dossier en een specificatie van de openstaande vordering.

-           Bij separate e-mail van 4 maart 2024 heeft klager een klacht bij de gerechtsdeurwaarder ingediend.

-           Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van diezelfde datum gereageerd.

-           Vervolgens hebben klager en de gerechtsdeurwaarder veelvuldig met elkaar gecorrespondeerd.

3. De klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat:

a: de gerechtsdeurwaarder ten onrechte voorrijkosten bij klager in rekening heeft gebracht en de overige kosten op de factuur van de ontruimploeg onvoldoende zijn onderbouwd;

b: de gerechtsdeurwaarder geen of slechts onvolledig antwoord heeft gegeven op herhaalde verzoeken van klager om stukken en uitleg over de executiekosten;

c: de renteberekening onvoldoende is onderbouwd.

4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

5. De beoordeling van de klacht

5.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet, de Wet Kwaliteit Incassodienstverlening (WKI) en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

5.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder ter zitting heeft toegelicht dat de in rekening gebrachte voorrijkosten zien op het plaatsen van de container voorafgaand de geplande ontruiming. Ten aanzien van deze in rekening gebrachte kosten heeft de gerechtsdeurwaarder ter zitting aangegeven dat de ontruiming is geannuleerd onder de voorwaarde dat de kosten door klager zullen worden betaald. Hoewel deze afspraak niet in het dossier zit en het op de weg van de gerechtsdeurwaarder had gelegen om een dergelijke afspraak schriftelijk te bevestigen, ziet de kamer geen reden om aan de verklaring van de gerechtsdeurwaarder te twijfelen, ook omdat uit de stukken die klager in het geding heeft gebracht blijkt dat annuleringskosten in rekening gebracht mogen worden. Klager is wel van mening dat hieronder niet de (vervallen)voorrijkosten vallen. De kamer oordeelt dat onder de afspraak tot betaling van annuleringskosten alle gemaakte kosten voor het plaatsen en weghalen van de container vallen. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is op dit klachtonderdeel niet gebleken.

5.3.1 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de kamer het volgende. Uit de overgelegde producties blijkt dat klager bij e-mail van 4 maart 2024 heeft verzocht om de dagvaarding, het vonnis, de betekening van het vonnis en sommatiebrieven. De gerechtsdeurwaarder heeft daags nadien laten weten “zijn best te doen” maar “dat het natuurlijk niet zo is dat wij op afroep aan uw wensen dienen te voldoen. Zeker niet als het gaat om stukken die letterlijk en figuurlijk aan u betekend zijn en die dus in uw bezit moet hebben (gehad)”. De gerechtsdeurwaarder miskent hiermee zijn in artikel 18 lid 2 Gerechtsdeurwaarderswet neergelegde verplichting om van exploten, processen-verbaal, akten en verklaringen op verzoek expeditie of uittreksel af te geven. Uit de stukken en uit het verhandelde ter zitting blijkt dat de gerechtsdeurwaarder nog altijd (expeditie of uittreksel van) het exploot waarmee het vonnis aan klager is betekend niet heeft afgegeven.

Daarnaast heeft klager op 17 januari 2025 onder meer verzocht om een gedetailleerde specificatie van de executiekosten en een specificatie van de renteberekening. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder klager bij e-mail van 22 januari 2025 een factuur van de ontruimploeg verstrekt, samen met de rentespecificatie. Klager heeft de gerechtsdeurwaarder vervolgens bij e-mail van 30 januari 2025 nogmaals verzocht om een gedetailleerde specificatie van de executiekosten en heeft tevens bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte voorrijkosten.

5.3.2 De gerechtsdeurwaarder stelt zich op het standpunt dat hij de executiekosten bij e-mail van 11 maart 2024 heeft gespecificeerd. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat de gerechtsdeurwaarder opgeeft het bedrag van € 2.310,63 onder de noemer ‘executiekosten’. Uit de specificatie van 11 maart 2024 blijkt echter dat hieronder mede wordt begrepen incassokosten, kosten dagvaarding, salaris gemachtigde en griffierecht – wat geen executiekosten zijn. Het is klager dus niet kwalijk te nemen dat het voor hem niet duidelijk was welke kosten onder de noemer executiekosten vallen. De kamer overweegt dat het op de weg van de gerechtsdeurwaarder had gelegen om direct inhoudelijk op de vragen van klager van 17 en 30 januari 2025 te reageren, dan wel te verwijzen naar de eerder overgelegde specificatie van 11 maart 2024 met daarbij de toelichting dat deze incasso- en proceskosten in latere opgaven ondergebracht zijn onder de noemer  executiekosten. Nu de gerechtsdeurwaarder dit heeft nagelaten, is dit klachtonderdeel terecht voorgesteld.

5.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder met de op 11 maart 2024 overgelegde rentespecificatie voldoende duidelijk heeft gespecificeerd hoe de renteberekening is opgebouwd. Er kan de gerechtsdeurwaarder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt op dit klachtonderdeel.

5.5 De kamer verklaart de klacht die ziet op het uitblijven van verduidelijking van de executiekosten en de communicatie daaromtrent gegrond en acht de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden. Bij die stand van zaken ziet de kamer geen aanleiding om de gerechtsdeurwaarder te veroordelen in de kosten die ten laste van de kamer komen voor de behandeling van de klacht. Omdat de klacht (gedeeltelijk) gegrond is, dient de gerechtsdeurwaarder wel aan klager het betaalde griffierecht te vergoeden, alsmede de door klager gemaakte (forfaitair vast te stellen) kosten.

5.6 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart klachtonderdeel b gegrond;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
  • legt aan de gerechtsdeurwaarder ten aanzien van het gegronde deel van de klacht de maatregel van waarschuwing op;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klager, begroot op
    € 50, te betalen nadat de beslissing onherroepelijk is geworden;
  • bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klager het betaalde griffierecht

ad € 50 vergoedt, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. J.H.J. Evers, plaatsvervangend-voorzitter, mr. A.E. de Vos en mr. S.J.W. van der Putten, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 februari 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.