ECLI:NL:TGDKG:2026:2 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/763888 / DW RK 25/37 EdV/WdJ

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:2
Datum uitspraak: 12-01-2026
Datum publicatie: 12-01-2026
Zaaknummer(s): C/13/763888 / DW RK 25/37 EdV/WdJ
Onderwerp: Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: De gerechtsdeurwaarder heeft de verschillen in de hoogte van de vordering onvoldoende onderbouwd en is niet inhoudelijk ingegaan op de bezwaren van klaagster. Klacht gegrond, maatregel van berisping opgelegd en veroordeling in de proceskosten.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 12 januari 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/763888 / DW RK 25/37 EdV/WdJ ingesteld door:

[  ],

wonende te [  ],

klaagster,

tegen:

[  ],

gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagde.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 6 februari 2025, heeft klaagster een klacht

ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 8 mei 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Klaagster heeft haar klacht aangevuld bij e-mails met bijlagen, ingekomen op 24 oktober 2025. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 3 november 2025 alwaar klaagster is verschenen. De gerechtsdeurwaarder is, met kennisgeving, niet ter zitting verschenen. De uitspraak is bepaald op 12 januari 2026.

2. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           Bij brief van 11 april 2023 heeft de [  ] ([  ]) een aanmaning aan klaagster verzonden ter zake een afrekening van de waarborgsom ad € 917,52.

-           Bij brief van 1 mei 2023 heeft [  ] een brief aan klaagster verstuurd betreffende afwikkeling waarborgsom waarin is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag is verhoogd tot een bedrag van € 4.111,84, met name in verband met de kosten voor het vervangen van de keuken.

-           Bij brief van 14 juli 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 917,52 over te gaan.

-           Bij e-mail van 20 juli 2023 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder geïnformeerd dat zij de vordering betwist en meegedeeld dat zij niet tot betaling zal overgaan.

-           Bij e-mail van 1 augustus 2023 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder geïnformeerd dat zij nog geen reactie had gehad op haar e-mail van 20 juli 2023.

-           Bij brief van 4 februari 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 3.858,58.

-           Bij e-mail van 6 februari 2025 heeft klaagster (nogmaals) bezwaar gemaakt bij de gerechtsdeurwaarder tegen de hoogte van de vordering en de wisselende bedragen.

-           Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 14 februari 2025 gereageerd, waarop klaagster bij e-mail van diezelfde datum haar standpunt nogmaals heeft duidelijk gemaakt.

3. De klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat:

a: de hoogte van de vordering meermalen is gewijzigd zonder dat hiervoor een deugdelijke verklaring is gegeven;

b: de gerechtsdeurwaarder niet heeft gereageerd op herhaalde bezwaren van klaagster tegen de vordering;

c: de gerechtsdeurwaarder na anderhalf jaar geen contact te hebben opgenomen, opeens weer een sommatiebrief heeft verzonden;

d: de gerechtsdeurwaarder in eerdere brieven heeft gedreigd met verhogingen als klaagster niet tot betaling zou overgaan, zonder juridische basis.

4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

5. De beoordeling van de klacht

5.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor of een medewerker van dat kantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

5.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a wordt het volgende overwogen. De gerechtsdeurwaarder heeft bij brief van 14 juli 2023 gesteld dat de vordering

€ 917,52 bedraagt, terwijl [  ] klaagster bij brief van 1 mei 2023 heeft medegedeeld dat de vordering € 4.111,84 bedraagt. Vervolgens heeft de gerechtsdeurwaarder bij brief van 4 februari 2024 betaling van een bedrag van € 3.858,58 gevorderd. De kamer overweegt dat het op de weg van de gerechtsdeurwaarder lag om het verschil in de hoogte van de gevorderde bedragen, die telkens dezelfde vordering betreffen, nader toe te lichten. Dit heeft de gerechtsdeurwaarder niet gedaan. Dit klachtonderdeel is terecht voorgesteld.

5.3 Ten aanzien van klachtonderdelen b en c stelt de kamer voorop dat van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij e-mails met betrekking tot een bij hem in behandeling zijnde incasso binnen een redelijke termijn, te weten rond twee weken, beantwoordt. Niet betwist is dat klaagster geen reactie heeft gekregen op haar e-mail van 20 juli 2023, die zij bij de gerechtsdeurwaarder in herinnering heeft gebracht op 1 augustus 2023, waarin zij haar bezwaren heeft geuit over de vordering. Dat is tuchtrechtelijk laakbaar. Het eerste bericht dat klaagster vervolgens heeft gekregen, is de brief van 4 februari 2025. De gerechtsdeurwaarder stelt in het verweerschrift dat hij in conclaaf was met de opdrachtgever over de mutatieschade en klaagster daardoor nog niet in rechte werd betrokken. Ook stelt de gerechtsdeurwaarder dat klaagster hiermee ook de ruimte heeft gekregen om tot een oplossing te komen voor de openstaande vordering. De gerechtsdeurwaarder heeft dit echter niet met klaagster gecommuniceerd. Daarnaast is de gerechtsdeurwaarder in zijn e-mail van 14 februari 2025 evenmin inhoudelijk ingegaan op de stelling van klaagster dat de gevorderde bedragen variëren zonder dat daarvoor een verklaring wordt gegeven. Deze klachtonderdelen zijn terecht voorgesteld.

5.4 Ten aanzien van klachtonderdeel d wordt het volgende overwogen. Klaagster heeft gesteld dat de gerechtsdeurwaarder heeft gedreigd met verhoging van de vordering als klaagster niet tot betaling zou overgaan. Klaagster doelt hier kennelijk op de incassokosten. De gerechtsdeurwaarder is gerechtigd deze kosten te innen. De bedragen die worden genoemd zijn in overeenstemming met het Besluit buitengerechtelijke kosten. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen op dit klachtonderdeel.

5.5 De kamer zal de klacht gelet op voorgaande deels gegrond verklaren. De kamer acht de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden. Daarbij betrekt de kamer, zoals hiervoor is toegelicht, dat de gerechtsdeurwaarder de verschillen in de hoogte van de vordering onvoldoende heeft onderbouwd (onderdeel a) en dat niet inhoudelijk is ingegaan op de bezwaren van klaagster (onderdelen b en c).

5.6 De kamer zal de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 43a lid 1 onder a en b van de Gerechtsdeurwaarderswet in combinatie met de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882) tevens veroordelen in de proceskosten. Deze bestaan uit de kosten van de klaagster en de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer. Voor klaagster worden die begroot op het forfaitaire bedrag van € 50. Voor de procedure worden de kosten begroot op het forfaitaire bedrag van € 1.500.

5.7 Op grond van artikel 37 lid 7 van de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder aan klaagster het betaalde griffierecht vergoedt.

5.8 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart klachtonderdelen a, b en c gegrond;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
  • legt de gerechtsdeurwaarder voor het gegronde deel van klacht de maatregel van berisping op;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klaagster, begroot op
    € 50;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer, begroot op € 1.500, met aanzegging dat de ex artikel 43

lid 6 van de Gerechtsdeurwaarderswet te bepalen termijn en de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder het bedrag van de kostenveroordeling moet voldoen, na het onherroepelijk worden van deze beslissing per brief aan de gerechtsdeurwaarder zal worden medegedeeld;

  • bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klaagster het betaalde griffierecht ad

€ 50 vergoedt, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. A.E. de Vos, plaatsvervangend-voorzitter, mr. B. Brokkaar en M.F.J. Pijnenburg, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

12 januari 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.