ECLI:NL:TGDKG:2026:18 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/766650 / DW RK 25/103 MK/RH

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:18
Datum uitspraak: 18-02-2026
Datum publicatie: 23-02-2026
Zaaknummer(s): C/13/766650 / DW RK 25/103 MK/RH
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. Verzet ongegrond, de gerechtsdeurwaarder was gerechtigd het dwangbevel te executeren. De kosten zijn conform Btag.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 18 februari 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 18 maart 2025 met zaaknummer C/13/760749 / DW RK 24/425 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/766650 / DW RK 25/103 MK/RH ingesteld door:

[..],

gevestigd te [..],

klaagster,

tegen:

[..],

gerechtsdeurwaarder te [..],

beklaagde,

gemachtigde: [..].

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 6 december 2024, heeft klaagster een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 14 februari 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 18 maart 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Aan klaagster is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van diezelfde datum. Bij e-mail, ingekomen op 24 maart 2025, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 7 januari 2026 waar de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder is verschenen. De vertegenwoordiger van klaagsterheeft schriftelijk medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. De uitspraak is bepaald op 18 februari 2026.

1. De ontvankelijkheid van het verzet

Klaagster heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kan worden ontvangen.

2. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           de gerechtsdeurwaarder is belast geweest met een ten laste van klaagster uitgevaardigd dwangbevel van de Kamer van Koophandel van 23 mei 2024;

-           bij exploot van 29 mei 2024 is dit dwangbevel aan klaagster betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen;

-           bij brief van 31 mei 2024 is aan klaagster de betreffende factuur, herinnering en aanmaning verzonden;

-           bij brief van 13 december 2024 is aan klaagster een opgave van de openstaande vordering verstrekt.

3. De oorspronkelijke klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat:

a: op basis van een klaarblijkelijk betwiste vordering hoge kosten in rekening worden gebracht;

b: de gerechtsdeurwaarder ondanks het verzoek van klaagster geen bewijs van factuur, herinnering of aanmaning heeft toegezonden.

4. De beslissing van de voorzitter

4.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a stelt de voorzitter voorop dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. Uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde producties blijkt dat klaagster enkel de hoofdsom ad € 80,10 heeft voldaan, terwijl zij conform het dwangbevel een bedrag van € 98,10 verschuldigd was. Dit is ook aan klaagster gecommuniceerd. Nu klaagster niet is overgegaan tot de restbetaling, heeft de gerechtsdeurwaarder gelet op zijn ministerieplicht niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door het dwangbevel te executeren. De door de gerechtsdeurwaarder in rekening gebrachte kosten berusten op de door de overheid vastgestelde en in het Besluit tarieven ambtshandeling gerechtsdeurwaarders (Btag) neergelegde tarieven. Niet gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder andere of hogere kosten in rekening heeft gebracht.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde producties blijkt dat de Kamer van Koophandel op

17 januari 2024 de betreffende factuur, op 20 februari 2024 de betalingsherinnering en op

21 maart 2024 de aanmaning aan klaagster heeft verzonden, naar het juiste adres van klaagster. De gerechtsdeurwaarder heeft de stukken desgevraagd bij brief van 31 mei 2024 toegezonden. Voor zover klaagster de stukken niet zou hebben ontvangen kan dit niet aan de gerechtsdeurwaarder worden verweten. Dit klachtonderdeel stuit hierop af.

4.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

5. De gronden van het verzet

In verzet heeft klaagster het volgende aangevoerd.

Klaagster heeft van de opdrachtgever, de Kamer van Koophandel, nimmer een factuur, herinnering dan wel aanmaning ontvangen. Dit is ook aan de gerechtsdeurwaarder meegedeeld met het verzoek aantoonbaar te maken dat die stukken zijn ontvangen door klaagster. Dit is niet gebeurd. Door de opdrachtgever is ten onrechte de opdracht verstrekt aan de gerechtsdeurwaarder om de vordering met hoge bijkomende kosten te innen.

6. De beoordeling van de gronden van het verzet

6.1 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet wordt dan ook ongegrond verklaard.

6.2 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De kamer voor gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, mr. A.K. Mireku en

mr. S.J.W. van der Putten, leden, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.