ECLI:NL:TGDKG:2026:17 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/769718 / DW RK 25/172 MK/RH
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:17 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-01-2026 |
| Datum publicatie: | 23-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/769718 / DW RK 25/172 MK/RH |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | beslissing op verzet, verzet gedeeltelijk gegrond. Op grond van artikel 4.6 lid 1van de Gerechtsdeurwaardersverordening dient de gerechtsdeurwaarder de opdrachtgever inlichtingen over de voor de dienstverlening relevante feiten te verstrekken. Nu is gebleken dat de debiteur wel degelijk voorkomt in de database van de gerechtsdeurwaarder en dat hij persoonlijk failliet is gegaan moet worden vastgesteld dat klaagster niet op de hoogte is gesteld van de relevante feiten. De gerechtsdeurwaarder heeft niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de samenwerking met klaagsters te beëindigen. Klaagster sub 1 heeft gesteld de factuur niet te zullen voldoen. Op basis daarvan kon de gerechtsdeurwaarder besluiten ook de relatie met klaagster sub 2 te willen beëindigen. Dit bedrijf werd immers geleid door dezelfde persoon. Maatregel van waarschuwing opgelegd ivm overtreding art. 4.6 lid 1 Gerechtsdeurwaardersverordening. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 30 januari 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 13 mei 2025 met zaaknummer C/13/766147 / DW RK 25/82 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/769718 / DW RK 25/172 MK/RH ingesteld door:
1. [..]
2. [..].
gevestigd te [..],
klaagsters,
vertegenwoordigd door [..],
tegen:
[..],
gerechtsdeurwaarder te [..],
beklaagde,
gemachtigde: [..].
Ontstaan en verloop van de procedure
Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 14 maart 2025, hebben klaagsters een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 16 april 2025, heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 13 mei 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Aan klaagsters is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van 14 mei 2025. Bij e-mail, ingekomen op 22 mei 2025, hebben klaagsters verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 12 december 2025 alwaar de vertegenwoordiger van klaagsters en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 30 januari 2026.
1. De ontvankelijkheid van het verzet
Klaagsters hebben verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet worden ontvangen.
2. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- in april 2024 heeft klaagster sub 1 de gerechtsdeurwaarder opdracht gegeven een vordering op [..] te incasseren;
- op 19 april 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder een bevindingenrapport opgesteld waarin wordt geadviseerd de zaak voor te leggen aan de rechter;
- op 17 mei 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klaagster sub 1 meegedeeld dat de debiteur gevlogen lijkt te zijn en dat besproken is dat het beste toch is om maar af te wachten;
- op 13 februari 2025 heeft de kantonrechter de vordering van klaagster sub 1 afgewezen en klaagster sub 1 veroordeeld in de proceskosten;
- op 18 februari 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder een nota verzonden aan klaagster sub 1 en meegedeeld zich te onttrekken aan de andere incasso-opdrachten van klaagster sub 2;
- op 18 februari 2025 en 24 februari 2025 is meerdere keren heen en weer gemaild over de verschuldigdheid van de vordering van de gerechtsdeurwaarder en over de stelling van klaagsters dat de gerechtsdeurwaarder onjuist heeft geadviseerd. Daarnaast is heen en weer gemaild over de incassozaken van klaagster sub 2, waarin is verzocht om specificaties en terugbetaling van betaalde voorschotten;
- op 28 februari 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klaagster sub 2 facturen verzonden in de zaken [..], [..]., [..] tweemaal) en [..];
- bij e-mail van 28 februari 2025 zijn deze facturen betwist;
- in de brief van 24 maart 2025 is de gerechtsdeurwaarder ingegaan op de klachten van klaagsters en de gang van zaken.
3. De oorspronkelijke klacht
Klaagsters beklagen zich samengevat over het volgende.
a. De gerechtsdeurwaarder heeft wanprestatie geleverd in een incasso-opdracht van een debiteur van klaagster sub 1.
b. Zonder gegronde redenen wordt klaagster sub 2 deelgenoot gemaakt van het geschil met de gerechtsdeurwaarder. Deze opdrachtgever heeft een aantal incasso-opdrachten aan de gerechtsdeurwaarder toevertrouwd waarvan de opdracht eenzijdig door de gerechtsdeurwaarder is beëindigd.
4. De beslissing van de voorzitter
4.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a. wordt als volgt overwogen. Voorop wordt gesteld dat de tuchtrechter niet bevoegd is te oordelen over de hoogte van de vorderingen die de gerechtsdeurwaarder en klagers over en weer op elkaar menen te hebben. De gerechtsdeurwaarder heeft zijn vorderingen in de zaak [..] (ten aan zien van klaagster sub 1) en de overige incasso’s (ten aanzien van klaagster sub 2) gespecificeerd. Klaagsters hebben de vorderingen betwist. De gerechtsdeurwaarder heeft aangegeven zijn vorderingen te zullen voorleggen aan de kantonrechter. Dit is inderdaad de bevoegde rechter die de vorderingen moet beoordelen.
Vastgesteld wordt wel dat het afwijzen van de vordering van klaagster sub 1 door de kantonrechter niet was gelegen in de verhaalsmogelijkheid van de debiteur, zoals door klager gesteld in zijn klacht ten aanzien van het bevindingenrapport van 19 april 2024, maar dat de verkeerde partij was gedagvaard.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b wordt het volgende overwogen. Klager heeft gesteld dat de gerechtsdeurwaarder zich eenzijdig heeft teruggetrokken uit alle dossiers van klaagster sub 2 en eindafrekeningen heeft gestuurd. Ten aanzien van de stelling van klager dat de gerechtsdeurwaarder zich eenzijdig heeft teruggetrokken wordt het volgende opgemerkt. Bij de stukken die klager heeft overgelegd bevindt zich een e-mail 18 februari 2025 van de zijde van klager, waarin is gesteld dat de vorderingen op [..] de laatste zijn die zij nog samen afhandelen, waarbij klager de gerechtsdeurwaarder verwijst naar de portal en meedeelt dat op basis van zulke voorwaarden het helemaal geen zin heeft om nog zaken ter incasso uit te besteden. Hierop is door de gerechtsdeurwaarder eveneens op 18 februari 2025 gereageerd en heeft de gerechtsdeurwaarder meegedeeld dat het inderdaad verstandig is de samenwerking te stoppen. Geoordeeld wordt dat eenzijdige terugtrekking niet kan worden vastgesteld nu klager daartoe zelf het initiatief heeft genomen.
Klaagster sub 2 heeft de vorderingen betwist. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder meegedeeld klaagster in rechte te betrekken wanneer niet wordt betaald. Nu de gerechtsdeurwaarder de vorderingen duidelijk had gespecificeerd, was de gerechtsdeurwaarder niet gehouden verder op klagers argumenten in te gaan. Tuchtrechtelijk laakbaar handelen is niet gebleken.
4.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klaagsters als kennelijk ongegrond afgewezen.
5. De gronden van het verzet
In verzet is -samengevat- het volgende aangevoerd.
5.1 In het bevindingenrapport van 19 april 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klaagster sub 1 bericht dat debiteur [..] niet in haar systemen voorkomt. Alle seinen staan op groen om de debiteur in rechte te betrekken. De gerechtsdeurwaarder heeft kort na het uitbrengen van de dagvaarding geïnformeerd dat de debiteur geen enkele verhaalsmogelijkheid zou bieden omdat er meerdere incassozaken onsuccesvol in het systeem stonden en de debiteur al eens failliet was verklaard. De gerechtsdeurwaarder heeft de schade, verhoogd met de eindafrekening op klaagster sub 1 afgewenteld en neemt geen enkele verantwoordelijkheid. Ook al had het vonnis geleid tot toewijzing van de vordering, dan had dat vervolgens geleid tot een niet inbare vordering.
5.2 Ten onrechte is in de beslissing van de voorzitter niet ingegaan op de klacht dat klaagsters geen algemene voorwaarden hebben ontvangen terwijl de gerechtsdeurwaarder zich bij de eenzijdige beëindiging op de toepasselijkheid daarvan beroept. De gerechtsdeurwaarder heeft het volgende meegedeeld: ‘partijen doen al sinds 2021 zaken met elkaar en elke opdracht wordt bevestigd onder verwijzing naar die algemene voorwaarden en tarieven’. Doordat klaagsters die voorwaarden niet kennen is in strijd gehandeld met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt.
5.3 Het is niet juist dat klaagster sub 2 akkoord is gegaan met een eenzijdige beëindiging van de vijf incasso-opdrachten. De gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder heeft in het verweerschrift selectief geknipt uit een e-mail van 20 februari 2025 waarin werd gereageerd op een e-mail van de gerechtsdeurwaarder waarin de gerechtsdeurwaarder aangeeft: ‘gezien de eerdere mailwisseling in de andere kwestie en zoals eerder aangegeven zal ik de kantonrechter meedelen dat wij ons onttrekken als gemachtigde’. Uit e-mails van 20 en 24 februari 2025 blijkt dat klaagster sub 2 echter niet akkoord is met de onttrekking. Klaagster sub 1 heeft wel aangegeven dat dat de vordering op debiteur [..] de laatste vordering is die zij samen afhandelen. Die vordering was de enige die openstond en het is haar vrije keuze om op basis van haar ervaringen met de gerechtsdeurwaarder te besluiten om daarna geen nieuwe zaken ter incasso aan deze gerechtsdeurwaarder toe te vertrouwen. Daarmee heeft klaagster sub 1 nadrukkelijk geen toestemming verstrekt om eenzijdig de vijf incassozaken van klaagster sub 2 te beëindigen.
6. De beoordeling van de gronden van het verzet
6.1 Ten aanzien van verzetgrond 5.1 overweegt de kamer als volgt. In het bevindingen rapport van 19 april 2024 wordt geadviseerd de vordering voort te zetten en serieuze maatregelen in te gaan zetten door de zaak voor te leggen aan de rechter. ‘Uit controles blijken geen negatieve signalen en de debiteur komt niet voor in het curatele- en bewindvoerdersregister, niet in het digitaal beslagregister en ook niet in de database van de gerechtsdeurwaarder. Door al deze controlepunten hebben wij geen reden aan te nemen dat uw klant niet kan betalen’, aldus het rapport.
De vertegenwoordiger van klaagsters heeft meegedeeld dat hij telefonisch van de gerechtsdeurwaarder heeft vernomen dat de debiteur geen verhaal zou bieden, dat zij meerdere zaken hadden tegen deze debiteur en dat hij al eens failliet was verklaard. De gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder heeft betwist dat de gerechtsdeurwaarder meegedeeld zou hebben dat het advies niet correct zou zijn. De gerechtsdeurwaarder heeft echter op 17 mei 2024 een e-mail verzonden aan klaagster sub 1 waarin hij onder meer meedeelt dat zij bespraken dat het - hoe zuur ook - het beste toch is om maar af te wachten. De gerechtsdeurwaarder refereert hiermee duidelijk aan een eerder gesprek, zodat genoemde stelling dat hij van de gerechtsdeurwaarder heeft gehoord dat de debiteur geen verhaal zal bieden niet als onwaar voorkomt. Ter zitting heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder meegedeeld dat de debiteur inderdaad voorkomt in de database van het kantoor en dat bekend was dat hij tevens eerder failliet was verklaard.
6.2 Op grond van artikel 4.6 lid 1van de Gerechtsdeurwaardersverordening dient de gerechtsdeurwaarder de opdrachtgever inlichtingen over de voor de dienstverlening relevante feiten te verstrekken. Nu is gebleken dat de debiteur wel degelijk voorkomt in de database van de gerechtsdeurwaarder en dat hij persoonlijk failliet is gegaan moet worden vastgesteld dat klaagster sub 1 niet (tijdig) op de hoogte is gesteld van de relevante feiten en het rapport van 19 april 2024 op dit onderdeel onjuist is. Aangezien dit in strijd is met de geformuleerde norm is dit tuchtrechtelijk laakbaar.
6.3 Ten aanzien van verzetgrond 5.2 wordt het volgende overwogen. Met klaagsters moet worden vastgesteld dat in de oorspronkelijke beslissing ten onrechte niet is ingegaan op de klacht die ziet op algemene voorwaarden (hierna: klachtonderdeel c).
6.4 De kamer stelt ten aanzien van dit klachtonderdeel vast dat de gerechtsdeurwaarder heeft gesteld dat verwezen wordt naar de algemene voorwaarden bij het aangaan van de opdrachten. Klaagsters hebben geen stukken in het geding gebracht waaruit zou blijken dat die verwijzing niet is gedaan. De algemene voorwaarden zijn gepubliceerd op de website van het gerechtsdeurwaarderskantoor, klaagsters hebben daarvan in hun klacht een screenshot gemaakt. De stelling dat klaagsters die voorwaarden niet kennen kan dan ook niet volgehouden worden. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
6.5 Ten aanzien van verzetgrond 5.3 overweegt de kamer als volgt. In de oorspronkelijke beslissing is het volgende overwogen: ‘Geoordeeld wordt dat eenzijdige terugtrekking niet kan worden vastgesteld nu klager daartoe zelf het initiatief heeft genomen’. Met klaagsters moet worden vastgesteld dat dit geen juiste weergave is van de feiten. Niet is gebleken dat klaagster sub 2 heeft ingestemd met de beëindiging van de dienstverlening in de vijf dossiers. Ten aanzien van die (eenzijdige) beëindiging door de gerechtsdeurwaarder wordt overwogen dat de gerechtsdeurwaarder echter niet tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld door de samenwerking met klaagsters te beëindigen. Klaagster sub 1 heeft gesteld de factuur niet te zullen voldoen. Op basis daarvan kon de gerechtsdeurwaarder besluiten ook de relatie met klaagster sub 2 te willen beëindigen. Dit bedrijf werd immers geleid door dezelfde persoon. Of de beëindiging civielrechtelijke gevolgen heeft is niet aan de kamer. Tuchtrechtelijk verwijtbaar is deze handelswijze niet.
6.6 Op grond van het voorgaande wordt het verzet gegrond verklaard. De beslissing van de voorzitter kan niet in stand blijven en dient te worden vernietigd.
6.7 Gelet op de omstandigheid dat de geconstateerde overtreding onder 6.2 raakt aan
de kerntaken en kernwaarden van het ambt van een gerechtsdeurwaarder, ziet de kamer aanleiding tot het opleggen van een waarschuwing. Bij die stand van zaken ziet de kamer geen aanleiding om de gerechtsdeurwaarder te veroordelen in de kosten van de procedure. Omdat de klacht deels gegrond is, dient de gerechtsdeurwaarder wel aan klaagsters het betaalde griffierecht te vergoeden, alsmede de door hen gemaakte (forfaitair vast te stellen) kosten.
6.8 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De kamer voor gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet gegrond en vernietigt de bestreden beslissing van de voorzitter voor wat betreft overwegingen 4.2 en 4.3;
- verklaart het oorspronkelijke klachtonderdeel a alsnog gegrond;
- verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
- legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klaagsters, te
begroten op € 50,-, te voldoen nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling aan klaagsters van het
griffiegeld van 50,-, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, mr. J.H.J. Evers en mr. O.J. Boeder, leden, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen het deel waarbij de beslissing van de voorzitter is vernietigd en alsnog op de klacht is beslist, kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.