ECLI:NL:TGDKG:2026:16 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/766057 / DW RK 25/80 MK/RH

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:16
Datum uitspraak: 30-01-2026
Datum publicatie: 23-02-2026
Zaaknummer(s): C/13/766057 / DW RK 25/80 MK/RH
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: De gerechtsdeurwaarder heeft een exploot betekend aan klaagster waardoor klaagster op het verkeerde been is gezet doordat zij ervan uit mocht gaan dat na betaling de ontruiming niet plaats zou vinden. Vervolgens is een exploot betekend waarin ten onrechte is opgenomen de de huurovereenkomst ontbonden zou zijn. Daarnaast heeft de gerechtsdeurwaarder ten onrechte kosten gevorderd op grond waarvan klaagster haar inboedel had terug kunnen krijgen. Aangezien het opstellen van exploten en het vorderen van juiste bedragen behoren tot de kerntaak van een gerechtsdeurwaarder is de maatregel van berisping opgelegd. Omdat er sprake is van meerdere tekortkomingen bestaat tevens aanleiding de gerechtsdeurwaarder een boete van € 500,- op te leggen

Beslissing van 30 januari 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/766057 / DW RK 25/80 MK/RH ingesteld door:

[..],

vertegenwoordigd door [..],

gevestigd te [..],

klaagster,

tegen:

[..],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [..],

beklaagde,

gemachtigde: [..].

Ontstaan en loop van de procedure

Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 12 maart 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 6 mei 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 12 december 2025 alwaar klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 30 januari 2026.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           op 22 oktober 2024 is klaagster veroordeeld in kort geding de onroerende zaak aan de [..] te [..] te ontruimen, een bedrag te betalen en een gebruiksvergoeding gelijk aan de huur te voldoen voor elke maand na september 2024 tot de maand waarin de ontruiming plaatsvindt;

-           op 25 oktober 2024 is dit vonnis aan klaagster betekend waarbij bevel is gedaan om binnen veertien dagen de onroerende zaak te ontruimen;

-           op 25 en 27 december heeft klaagster vier maanden achterstallige huurpenningen (€ 17.434,92) voldaan aan de verhuurder;

-           op 18 februari 2025 is aangezegd dat de ontruiming zal plaatsvinden op 25 februari 2025;

-           op 18 februari 2025 heeft mr. [..], advocaat, bezwaar gemaakt tegen de aangezegde ontruiming en verzocht deze uit te stellen, bij gebreke waarvan een executiegeschil opgestart zal worden;

-           op deze brief is op 19 februari 2025 gereageerd door mr. [..];

-           op 27 februari 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder meegedeeld dat de inboedel wordt vrijgegeven na betaling van de factuur van het ontruimingsbedrijf;

-           op 12 maart 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder meegedeeld dat de inboedel wordt vrijgegeven na betaling van € 17.552,29, zijnde de kosten van de ontruiming (€ 7.191,64) en opslagkosten (€ 10.360,65);

-           op 12 maart 2025 heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen deze gang van zaken.  

2. De klacht

Klaagster klaagt -samengevat- over het volgende.

a. De executie van het vonnis is onrechtmatig aangezien klaagster vier maanden huur heeft betaald aan de verhuurder. De gerechtsdeurwaarder is voorafgaand aan de ontruiming over deze betaling geïnformeerd. Zonder rekening te houden met de betalingen heeft de ontruiming doorgang gevonden.

b. De gerechtsdeurwaarder heeft verzuimd de executie te schorsen of nader onderzoek te doen. De gerechtsdeurwaarder had de plicht om te controleren of er huurachterstand was. De gerechtsdeurwaarder handelt in strijd met zijn ambtseed door een verouderd vonnis te gebruiken.

c. De gerechtsdeurwaarder heeft de inboedel vastgehouden zonder wettelijke basis. Na de ontruiming is de inboedel opgeslagen in containers. De gerechtsdeurwaarder eist betaling van de ontruimingsfactuur voordat klager zijn eigendommen terugkrijgt. Dit is onrechtmatig. Klaagster is hierdoor belemmerd in het terugkrijgen van haar bedrijfsmiddelen.

d. De ontruiming heeft geleid tot verlies van een overnamekandidaat en een misgelopen deal van € 400.000. Klaagster lijdt inkomensverlies en reputatieschade. 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer heeft bovengenoemde toegevoegd gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdelen a en b wordt het volgende overwogen. Klaagster heeft na het eerder voldoen van € 11.000, eind december 2024 nog

€ 17.434,92 aan de schuldeiser voldaan. In het exploot van betekening van 25 oktober 2024 is opgenomen dat als klaagster niet op tijd aan het gestelde onder A (betaling) heeft voldaan de deurwaarder het vonnis ten uitvoer zal leggen door tot ontruiming over te gaan. Klaagster mocht er op dat moment op vertrouwen dat geen ontruiming zou plaatsvinden op grond van haar betalingen. Klaagster kon immers uit het exploot van 25 oktober 2024 opmaken dat zij door te betalen de ontruiming kon afwenden, gelet op de formulering in het exploot van 25 oktober 2024.

4.3 De gerechtsdeurwaarder heeft klaagster op 18 februari 2025 ontruiming per 25 februari 2025 aangezegd. In het exploot van de aanzegging is opgenomen dat uit het vonnis van 22 oktober 2024 blijkt dat de huurovereenkomst is ontbonden. Dit is echter niet in overeenstemming met het vonnis. In het vonnis is geen ontbinding van de huurovereenkomst uitgesproken. Dit betekent dat de gerechtsdeurwaarder onjuiste informatie heeft gegeven in het exploot van 18 februari 2025. Aan klaagster is de ontruiming aangezegd binnen een week. Nu klaagster op grond van het exploot van 25 oktober 2024 en haar betalingen ervan uit mocht gaan dat geen ontruiming zou plaatsvinden en vervolgens de ontruiming op grond van een onjuiste stellingname werd aangezegd omdat de huurovereenkomst zou zijn ontbonden, komt de kamer tot het oordeel dat de ontruiming op onjuiste gronden heeft plaatsgevonden. Hoewel het op de weg van klaagster had gelegen een executie kort geding te starten is de termijn waarbinnen dat had moeten gebeuren, namelijk binnen één week, heel kort. Niet valt in te zien waarom de ontruiming zo laat is aangezegd.

4.4 Ten aanzien van klachtonderdelen b en c wordt het volgende overwogen. Op 12 maart 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster meegedeeld dat door betaling van € 17.552,29 de inboedel wordt vrijgegeven. Op dezelfde dag heeft klaagster daartegen geprotesteerd. De gerechtsdeurwaarder heeft ten onrechte de kosten van de ontruiming gevorderd. Dit betekent dat de gerechtsdeurwaarder een bedrag van

€ 7.191,64 teveel heeft gevraagd aan klaagster ter verkrijging van haar inboedel. Nu klaagster de onjuiste vordering niet op tijd heeft voldaan, is het gevolg geweest dat de inboedel is vernietigd.      

4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel d wordt overwogen dat klaagster heeft aangevoerd schade te hebben geleden. Het behoort niet tot de bevoegdheid van de kamer daarover te oordelen. Klaagster dient zich daarvoor te wenden tot de civiele rechter.

4.6 De kamer is van oordeel dat de klachten onder a, b en c gegrond zijn. De gerechtsdeurwaarder heeft een exploot betekend aan klaagster (25 oktober 2024) waardoor klaagster op het verkeerde been is gezet doordat zij ervan uit mocht gaan dat na betaling de ontruiming niet plaats zou vinden. Vervolgens is een exploot betekend (18 februari 2025) waarin onjuiste informatie is opgenomen over de ontbinding. Daarnaast heeft de gerechtsdeurwaarder ten onrechte kosten gevorderd op grond waarvan klaagster haar inboedel had terug kunnen krijgen. Aangezien het opstellen van exploten en het vorderen van juiste bedragen behoren tot de kerntaak van een gerechtsdeurwaarder bestaat aanleiding de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op te leggen. Omdat er sprake is van meerdere tekortkomingen bestaat tevens aanleiding de gerechtsdeurwaarder een boete van € 500,- op te leggen.

4.7 De kamer zal de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 43a, lid 1 onder a en b, Gerechtsdeurwaarderswet jo de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882) tevens veroordelen in de proceskosten. Voor klaagster worden die begroot op het forfaitaire bedrag van

€ 50,-. Voor de procedure worden de kosten begroot op het forfaitaire bedrag van

€ 1.500,-.

4.8 Op grond van artikel 37, lid 7, Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder aan klaagster het betaalde griffierecht vergoedt.

4.9 Op grond van voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kamer voor gerechtsdeurwaarders:              

  • verklaart klachtonderdelen a, b en c gegrond;
  • verklaart klachtonderdeel d ongegrond;
  • legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;
  • legt de gerechtsdeurwaarder tevens de maatregel op van een geldboete van
    € 500,00, te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de gerechtsdeurwaarder wordt meegedeeld, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klaagster, te begroten op € 50,-, te betalen na onherroepelijk worden van deze uitspraak;
  • bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klaagster het betaalde griffierecht ad

€ 50,- vergoedt, na onherroepelijk worden van deze uitspraak;

  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer, te begroten op € 1.500,-, te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de gerechtsdeurwaarder wordt meegedeeld, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, mr. J.H.J. Evers en mr. O.J. Boeder, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.