ECLI:NL:TGDKG:2026:15 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/764470 / DW RK 25/46 MK/RH

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:15
Datum uitspraak: 30-01-2026
Datum publicatie: 23-02-2026
Zaaknummer(s): C/13/764470 / DW RK 25/46 MK/RH
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: De gerechtsdeurwaarder heeft niet tijdig gereageerd op correspondentie van klaagster. Omdat termijnoverschrijding gering was is de maatregel van waarschuwing niet opgelegd.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 30 januari 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/764470 / DW RK 25/46 MK/RH ingesteld door:

[..],

wonende te [..],

klaagster,

tegen:

[..],

gerechtsdeurwaarder te [..],

beklaagde,

gemachtigde: [..].

Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 17 februari 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen (het kantoor van) de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 30 april 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 12 december 2025 alwaar klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 30 januari 2026.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           de gerechtsdeurwaarder is belast met een ten laste van klaagster uitgevaardigd dwangbevel van 26 juni 2024;

-           bij brief van 27 juni 2024 is klaagster verzocht de vordering te voldoen;

-           bij exploot van 5 juli 2024 is het dwangbevel van 26 juni 2024 aan klaagster betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen;

-           hierop heeft klaagster telefonisch contact met de gerechtsdeurwaarder opgenomen, waarbij zij heeft aangegeven dat er reeds een bezwaarschrift tegen het dwangbevel is ingediend;

-           op 9 juli 2024 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder geïnformeerd dat er een rechtszaak is geweest, waarbij zij niet aanwezig was, en heeft klaagster toegezegd dat zij de stukken van de rechtbank zou opvragen en toezenden. Ook heeft klaagster telefonisch bezwaar gemaakt tegen de kosten van de betekening van het dwangbevel. De gerechtsdeurwaarder heeft klaagster hierop medegedeeld dat de kosten voor haar rekening blijven, tenzij de opdrachtgever anders besluit in verband met het bezwaar van klaagster. Tevens is klaagster aangeraden een betalingsregeling (onder protest) aan te gaan, teneinde hogere kosten te voorkomen. Klaagster is voor het verzenden van de opgevraagde stukken en het doen van een betalingsregeling uitstel verleend tot 24 juli 2024;

-           bij brief van 19 juli 2024 heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen de boete en gerechtsdeurwaarderskosten;

-           hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij brief van 25 juli 2024 gereageerd en klaagster gesommeerd binnen acht dagen tot betaling van het verschuldigde bedrag over te gaan, dan wel een betalingsregeling te treffen;

-           bij brief van 6 augustus 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster een uitstel van betaling verleend voor een periode van één maand. Hierbij is klaagster verzocht uiterlijk 2 september 2024 met een afbetalingsvoorstel te komen;

-           op 18 oktober 2024 is executoriaal derdenbeslag gelegd op het inkomen van klaagster;

-           bij e-mail van 23 oktober 2024 heeft klaagster een klacht bij het gerechtsdeurwaarderskantoor ingediend;

-           hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij brief van 12 november 2024 inhoudelijk gereageerd;

-           bij brief van 1 december 2024 heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen het gelegde loonbeslag;

-           hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij brief van 20 december 2024 gereageerd;

-           bij e-mail van 9 januari 2025 heeft de schuldhulpverlener van klaagster verzocht om coulance door een directe betaling van de verschuldigde € 119,- te doen;

-           hierop is over en weer tussen de gerechtsdeurwaarder en de schuldhulpverlener van klaagster gecorrespondeerd;

-           bij brief van 26 februari 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder de overeengekomen betalingsregeling van € 100,- aan klaagster bevestigd.

2. Klacht

Klaagster klaagt samengevat over het volgende.

a: De gerechtsdeurwaarder is niet ingegaan op verzoeken van klaagster om een betalingsregeling en heeft haar tevens verkeerd geadviseerd, met als gevolg dat de vordering onnodig is opgelopen.

b: De gerechtsdeurwaarder heeft haar ten onrechte verweten niet binnen de gestelde termijn te hebben gereageerd, terwijl de gerechtsdeurwaarder zelf meerdere keren zijn eigen reactietermijn heeft overschreden.

3. Verweer

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. Beoordeling

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a blijkt uit de overgelegde producties dat klaagster op 6 augustus 2024 met een medewerker van de gerechtsdeurwaarder heeft gesproken waarbij zij een betalingsvoorstel van € 5,- per maand heeft gedaan. De gerechtsdeurwaarder heeft aangegeven dat het makkelijker is om het dossier aan te houden tot begin september 2024, in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tegen de opgelegde boete. Bij brief van eveneens 6 augustus 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster uitstel van betaling verleend voor een periode van één maand en is klaagster verzocht om uiterlijk 2 september 2024 de stand van zaken in de bezwaarprocedure door te geven. Voorts is klaagster verzocht om uiterlijk 2 september 2024 een betalingsvoorstel te doen, bij gebreke waarvan er verdere (executie)maatregelen zouden worden getroffen. Klaagster heeft hierop niet meer gereageerd. De gerechtsdeurwaarder kan met het leggen van beslag op het inkomen van klaagster op 18 oktober 2024 dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Niet is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder kosten heeft gerekend die niet in overeenstemming waren met het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag).

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b stelt de kamer voorop dat van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij e-mails en brieven met betrekking tot een bij hem in behandeling zijnde incasso binnen een redelijke termijn, te weten circa twee weken, beantwoordt. Uit de overgelegde producties blijkt dat de gerechtsdeurwaarder op 12 november 2024 heeft gereageerd op de klacht van klaagster van 23 oktober 2024. Dit betekent dat de gerechtsdeurwaarder te laat heeft gereageerd op de klacht. Dit klachtonderdeel is terecht voorgesteld.

Bij brief van 1 december 2024 heeft klaagster vragen gesteld aan de gerechtsdeurwaarder. In de reactie brief van 20 december 2024 aan klaagster heeft de gerechtsdeurwaarder aangegeven dat de brief van klaagster pas op 9 december 2024 ontvangen werd. Uitgaande van die datum heeft de gerechtsdeurwaarder op deze brief wel tijdig, namelijk op 20 december 2024, gereageerd.

4.4 Hoewel klachtonderdeel b (gedeeltelijk) gegrond is, bestaat er geen aanleiding tot het opleggen van een maatregel. De termijnoverschrijding is naar het oordeel van de kamer daarvoor te gering geweest. 

4.5 Omdat de kamer de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, stelt de kamer vast dat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 37 lid 7 Gerechtsdeurwaarderswet het door klaagster betaalde griffierecht (€ 50,00) aan haar dient te vergoeden.

4.6 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kamer voor gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart klachtonderdeel a ongegrond;
  • verklaart klachtonderdeel b gegrond;
  • bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klaagster het betaalde griffierecht ad

€ 50,- vergoedt, na onherroepelijk worden van deze uitspraak;

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, mr. J.H.J. Evers en mr. O.J. Boeder, leden, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.