ECLI:NL:TGDKG:2026:13 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/766554 DW RK 25/97 BB/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:13 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-01-2026 |
| Datum publicatie: | 20-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/766554 DW RK 25/97 BB/SM |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht ongegrond. Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder weigert het gemotiveerde verzoek van klaagster tot opheffing van het beslag aan de opdrachtgever voor te leggen. De reden voor het niet voorleggen heeft er (primair) mee te maken dat klaagster terugvalt op inhoudelijke argumenten die reeds in de kort geding procedure aan de orde zijn geweest. Deze argumenten zijn bekend en hebben in een eerder stadium niet geleid tot opheffing van het beslag. Overigens bestaan tussen de gerechtsdeurwaarder en de opdrachtgever afspraken op welke gronden (dergelijke) verzoeken worden voorgelegd aan de opdrachtgever. De kamer volgt de gerechtsdeurwaarder in diens standpunt. Het tuchtrecht dient er niet voor inhoudelijke bezwaren (opnieuw) over het voetlicht te brengen. |
Beslissing van 28 januari 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/766554 DW RK 25/97 BB/SM ingesteld door:
[ ],
wonende te Hoorn,
klaagster,
tegen:
[ ]
gerechtsdeurwaarder te Leiden,
beklaagde,
gemachtigde: [ ].
Ontstaan en verloop van de procedure
Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 21 maart 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen een beklaagde gerechtsdeurwaarder van LAVG (Landelijke Associatie van gerechtsdeurwaarders), hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 21 mei 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 17 december 2025 alwaar klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 28 januari 2026.
1. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- Bij vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 22 april 2020 is klaagster veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag aan Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V.
- Op 20 februari 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal derdenbeslag gelegd onder Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn ten laste van klaagster.
- Bij vonnis in kort geding te Alkmaar van 22 oktober 2024 zijn de vorderingen van klaagster, waaronder de schorsing van de tenuitvoerlegging van voornoemd vonnis, afgewezen en is klaagster veroordeeld in de proceskosten.
- Bij beslissing van de kamer van 27 januari 2025 (geregistreerd onder nummer C/13/754089 / DW RK 24/260) is het ingestelde verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 25 juni 2024 (geregistreerd onder nummer C/13/748270 / DW RK 24/128) op de klacht van klaagster van 22 maart 2024 ongegrond verklaard.
- Bij brief van 31 januari 2025 heeft klaagster aan de gerechtsdeurwaarder verzocht voornoemd derdenbeslag op te heffen.
- Bij e-mail van 5 februari 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd op de brief van klaagster.
2. De klacht
Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder weigert het gemotiveerde verzoek van klaagster tot opheffing van het beslag aan de opdrachtgever voor te leggen.
3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder
De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
4. De beoordeling van de klacht
4.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.
Formele bezwaren
4.2 Naast de klacht heeft klaagster op de zitting formele bezwaren geuit tegen de aanwezigheid van de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder en het accepteren van producties van de gerechtsdeurwaarder ná de termijn van indiening die daarvoor staat. De kamer zal deze punten eerst bespreken en zal daarna ingaan op de inhoudelijke klacht.
4.3 Het kantoor van de gerechtsdeurwaarder heeft in contact met de (administratie van) de kamer enige tijd geleden laten weten wie ter zitting als haar gemachtigden kunnen/zullen optreden. De aanwezige gemachtigde (die tevens in dienst is bij [ ]) is daar al langere tijd één van, zodat er voor de kamer geen redenen zijn om te twijfelen aan de aan hem verstrekte machtiging.
4.4 Voor de goede procesorde heeft de kamer, onder meer, in artikel 14 van het Reglement werkwijze kamer[1] het volgende bepaald. Stukken die uiterlijk 10 dagen voor zittingsdag binnenkomen worden (zonder meer) geaccepteerd. Voor stukken die binnen 10 dagen worden ontvangen, geldt dat de kamer ter zitting beslist of deze stukken (alsnog) worden geaccepteerd. Klaagster heeft op 6 december 2025 stukken toegezonden. De gerechtsdeurwaarder heeft vervolgens op 12 december 2025 stukken toegezonden. Klaagster wenst nadrukkelijk te vernemen of de stukken van de gerechtsdeurwaarder alsnog worden geaccepteerd.
4.5 De door de gerechtsdeurwaarder toegezonden stukken worden door de kamer geaccepteerd. Daaraan ligt ten grondslag dat de stukken – als reactie op de e-mail van klaagster van 6 december 2025 – enkel zijn samengesteld uit e-mails van of naar klaagster. Klaagster is dus bekend met de inhoud van deze stukken. De gerechtsdeurwaarder heeft daarmee niets nieuws aangevoerd, zodat de goede procesorde door de acceptatie van de stukken niet wordt geschaad.
Beoordeling klacht
Standpunt klaagster
4.6 Klaagster heeft op 22 maart 2024 een klacht bij de kamer ingediend, waarin zij klaagt dat de gerechtsdeurwaarder weigert haar verzoek om opheffing van het beslag van 20 februari 2024 voor te leggen aan de opdrachtgever. Bij beslissing van 25 juni 2024 heeft de voorzitter de klacht van klaagster ongegrond verklaard, omdat niet gebleken is dat klaagster de gerechtsdeurwaarder met onderbouwing heeft verzocht haar verzoek om opheffing voor te leggen aan de opdrachtgever. Het hiertegen ingediende verzet is bij beslissing van 27 januari 2025 ongegrond verklaard. Naar aanleiding van deze beslissing heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 31 januari 2025 gemotiveerd verzocht om opheffing van het gelegde beslag. De gerechtsdeurwaarder heeft in het verweerschrift erkend dat het verzoek van klaagster niet is voorgelegd aan de opdrachtgever.
Standpunt verweerder
4.7 De reden voor de gerechtsdeurwaarder om het verzoek van klaagster van
31 januari 2025 niet voor te leggen aan de opdrachtgever heeft er volgens de gerechtsdeurwaarder (primair) mee te maken dat klaagster terugvalt op inhoudelijke argumenten die reeds in de kort geding procedure bij de rechtbank aan de orde zijn geweest. Deze argumenten zijn bij de opdrachtgever bekend en hebben in een eerder stadium niet geleid tot opheffing van het beslag. Tussen de gerechtsdeurwaarder en de opdrachtgever bestaan afspraken op welke gronden (dergelijke) verzoeken worden voorgelegd aan de opdrachtgever, aldus de gerechtsdeurwaarder
Oordeel van de kamer
4.8 De gerechtsdeurwaarder kan worden gevolgd in zijn standpunt om het verzoek van klaagster van 31 januari 2025 niet voor te leggen aan de opdrachtgever, ook al is het verzoek deze keer gemotiveerd. Met de gerechtsdeurwaarder stelt de kamer vast dat de gronden van klaagsters verzoek louter gericht zijn op het inhoudelijke geschil tussen klaagster en de opdrachtgever, dat bij vonnis van 22 april 2020 al is beslecht. Een vordering van klaagster om het beslag in een eerder stadium te doen schorsen – deels op dezelfde gronden – is bij uitspraak van 22 oktober 2024 afgewezen. Deze omstandigheden, in samenhang met de correspondentie die op dit punt gevoerd is tussen partijen én de afspraak die bestaat tussen de gerechtsdeurwaarder en zijn opdrachtgever, maken dat de kamer van oordeel is dat de gerechtsdeurwaarder niet tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld door het opheffingsverzoek van 20 februari 2024 niet door te geleiden aan zijn opdrachtgever.
4.9 Ter overvloede merkt de kamer over de in de door klaagster nagezonden stukken (van 15 juli, 11 augustus en 6 december 2025) en de in de pleitnota aangevoerde punten – samengevat – het volgende op.
4.10 Aan de ambtshandeling van de gerechtsdeurwaarder ligt een onherroepelijk geworden vonnis ten grondslag. Klaagsters bevindingen naar aanleiding van het door haar gedane AVG-verzoek[2] aan Zilveren Kruis en Woo-verzoek[3] aan de gerechtsdeurwaarder veranderen daar niets aan. Zelfs al zou er, zoals klaagster stelt onder verwijzing naar de uittreksels van de Kamer voor Koophandel, geen of een twijfelachtige connectie bestaan tussen Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V., Achmea Zorgverzekeringen N.V. en Achmea B.V., dan is dat een constatering die niet ter beoordeling van de tuchtrechter staat. Dit geldt ook voor de vraag of de aldaar werkzame medewerkers bevoegd zijn correspondentie over de opheffing van het beslag te voeren met klaagster. Nu de bezwaren tegen de hoogte van de vordering en twijfels of sprake is geweest van cessie én een opdracht reeds in beide rechtbank procedures zijn afgedaan, lijkt klaagster met de indiening van deze klacht haar inhoudelijke bezwaren (opnieuw) over het voetlicht te willen brengen. Het tuchtrecht is hiervoor niet bedoeld.
4.11 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, en mr. M.C.M. Hamer en mr. H.A. Roos, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 januari 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
[1] Zie www.rechtspraak.nl
[2] Algemene verordening Gegevensbescherming
[3] Wet open overheid