ECLI:NL:TGDKG:2026:12 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/765649 / DW RK 25/67 BB/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:12 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-01-2026 |
| Datum publicatie: | 20-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/765649 / DW RK 25/67 BB/SM |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet. Verzet ongegrond. Klager beklaagt zich erover dat de gerechtsdeurwaarder een onjuiste beslagvrije voet heeft berekend en niet reageert op het verzoek van klager om herziening van de beslagvrije voet. De voorzitter heeft de klacht ongegrond verklaard. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 28 januari 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 18 februari 2025 met zaaknummer C/13/759017 DW RK 24/383 MK/WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/765649 / DW RK 25/67 BB/SM ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klager,
gemachtigde: [ ],
tegen:
[ ],
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te Rotterdam,
beklaagde,
gemachtigde: [ ].
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 1 november 2024, heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 31 december 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 18 februari 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van 20 februari 2025 aan klager toegezonden. Bij brief, ingekomen op 5 maart 2025, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 17 december 2025 alwaar klager, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 28 januari 2026.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- Bij vonnis van 8 juni 2023 van de kantonrechter te Den Haag is klager veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag.
- Op 24 juli 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal derdenbeslag gelegd onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) ten laste van klager.
- Bij brief van 8 juli 2024 heeft de gemachtigde van klager een klacht over de beslaglegging op de Wajong-uitkering van klager bij de gerechtsdeurwaarder ingediend en heeft de gemachtigde van klager tevens verzocht om aanpassing van de beslagvrije voet.
- Op 23 juli 2024 is de beslagvrije voet herberekend. Hiervan is klager bij brief van diezelfde datum op de hoogte gebracht.
- Bij e-mail van 26 augustus 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder de gemachtigde van klager medegedeeld dat het beslag op de uitkering van klager niet zal worden opgeheven. Tevens is verzocht om nadere stukken teneinde de juiste beslagvrije voet te kunnen berekenen.
- Bij e-mail van 3 september 2024 heeft de gemachtigde van klager wederom verzocht om aanpassing van de beslagvrije voet en (nogmaals) zijn berekening van de beslagvrije voet aan de gerechtsdeurwaarder verzonden.
- Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 4 september 2024 gereageerd en de gemachtigde van klager verzocht een eigen berekening te maken voor het beslag onder het UWV en een specificatie van het UWV mee te sturen.
4. De oorspronkelijke klacht
Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder een onjuiste beslagvrije voet heeft berekend en niet reageert op het verzoek van klager om herziening van de beslagvrije voet.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
(…)
4.3 De voorzitter overweegt dat deze (tuchtrechtelijke) procedure zich niet leent voor het vaststellen van een beslagvrije voet. Een oordeel daarover is voorbehouden aan de civiele rechter. Wel is aan de orde in deze procedure of de gerechtsdeurwaarder rondom het vaststellen van een beslagvrije voet en de communicatie daarover gehandeld heeft zoals je van een gerechtsdeurwaarder mag verwachten. Niet gebleken dan wel met stukken onderbouwd is dat hier geen sprake van is. De gerechtsdeurwaarder heeft (de gemachtigde van) klager meermalen verzocht om met bewijsstukken aan te tonen dat er een onjuiste beslagvrije voet wordt toegepast. Dat heeft (de gemachtigde van) klager nagelaten. Indien klager het met de berekende beslagvrije voet niet eens is, dient hij zich te wenden tot de gewone civiele rechter. Er kan de gerechtsdeurwaarder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
In verzet heeft klager aangevoerd dat zijn bewindvoerder altijd gehoor heeft gegeven aan het verzoek om gegevens aan te leveren. Dit heeft desondanks niet geleid tot een aanpassing van de beslagvrije voet. Klager voelt zich onterecht behandeld. De gerechtsdeurwaarder heeft, naar het idee van klager, misbruik gemaakt van zijn bevoegdheden.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Hetgeen klager ter zitting heeft aangevoerd maakt dit niet anders.
7.2 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
7.3 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. M.C.M. Hamer en mr. H.A. Roos, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 januari 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.