ECLI:NL:TGDKG:2026:10 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/772075 / DW RK 25/235 BB/WdJ
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:10 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 19-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/772075 / DW RK 25/235 BB/WdJ |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet. De klacht gaat over het incasseren van een onbetaalde parkeerboete in België. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 19 januari 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 24 juni 2025 met zaaknummer C/13/766635 DW RK 25/99 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/772075 / DW RK 25/235 BB/WdJ ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klager,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde,
gemachtigde: [ ].
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 24 maart 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen(een medewerkster van het kantoor van)beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 14 april 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 24 juni 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klager toegezonden. Bij e-mail, ingekomen op 5 juli 2025, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 3 november 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder nadere stukken gestuurd. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 24 november 2025 alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 19 januari 2026.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- op 6 november 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klager een rekening gestuurd van [ ];
- op 14 november 2024 heeft klager de vordering betwist en bewijsstukken gestuurd;
- op 21 november 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder de retributiebon en aanmaning aan klager verstuurd;
- op 22 november 2024 heeft klager de gerechtsdeurwaarder bericht dat zijn reactie onbegrijpelijk is gelet op de ingediende bewijsstukken;
- op 9 december en 12 december 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klager bericht dat de vordering terecht is en gehandhaafd blijft;
- op 16 december 2024 heeft klager de gerechtsdeurwaarder bericht dat de ombudsman hem in het gelijk heeft gesteld, dat hij heeft betaald, dat de vordering is betwist en dat aangifte niet mogelijk is;
- op 23 december 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klager meegedeeld dat de opdrachtgever hem als volgt had bericht: “meneer heeft waarschijnlijk een poging gedaan te betalen, maar deze is niet doorgekomen. Voor ons is de bon dus terecht geschreven”;
- op 27 december 2024 heeft klager hierop gereageerd met de mededeling dat hieruit volgens hem blijkt dat de vordering onterecht is;
- op 2 januari 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder meegedeeld dat de vordering nog openstaat;
- klager heeft op 3 januari 2025 meegedeeld dat hij dit onbegrijpelijk vindt en de gerechtsdeurwaarder verzocht om uitleg;
- op 8 januari 2025 heeft klager zijn visie nogmaals meegedeeld en onder protest betaald. Klager heeft bovendien een klacht ingediend over het onrechtmatig afdwingen van de betaling en terugvordering van het betaalde bedrag verzocht.
4. De oorspronkelijke klacht
Klager beklaagt zich samengevat over het volgende.
a. De gerechtsdeurwaarder dwingt zonder rechtsgrond onder bedreiging betaling af van een bewezen terecht betwiste vordering. Aan de betalingsdwang ligt geen rechterlijke uitspraak ten grondslag. De gerechtsdeurwaarder had klager moeten dagvaarden om zodoende een uitspraak van de rechter te verkrijgen.
b. De gerechtsdeurwaarder heeft zelfstandig beslist betaling af te dwingen zonder dat klager in de gelegenheid is gesteld zich te verweren tegen de onterechte vordering waardoor de gerechtsdeurwaarder zich de bevoegdheid van een rechter aanmeet.
Klager heeft uit angst voor de aan de gerechtsdeurwaarder ter beschikking staande middelen, zoals beslaglegging, onder protest betaald.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor of een medewerker van dat kantoor. Klager heeft zijn klacht gericht tegen [ ], zij is een medewerker van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder en geen gerechtsdeurwaarder. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a wordt het volgende overwogen. Voorop wordt gesteld dat de tuchtrechter niet bevoegd is inhoudelijk te oordelen of de vordering terecht is. Klager heeft gesteld dat de vordering onder bedreiging is geïnd. Klager heeft niet toegelicht waaruit de bedreiging heeft bestaan. Uit de door klager overgelegde correspondentie met de medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor blijkt die bedreiging niet, tenzij klager doelt op de tekst in de e-mail van 2 januari 2025: “als er geen betaling volgt, zal ik het traject voortzetten. De eventuele hierbij komende kosten komen dan geheel voor uw rekening. Ik hoop dat u het niet zover laat komen”. Deze tekst kan niet als bedreigend worden gekenschetst nu het een beschrijving betreft van de bevoegdheid van een gerechtsdeurwaarder de vordering te innen, onder andere door klager te dagvaarden. Doordat klager heeft betaald is hij niet gedagvaard en heeft een rechter de vordering niet beoordeeld.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b wordt het volgende overwogen. Klager is op
13 november 2024 in de gelegenheid gesteld zich te verweren tegen de vordering. Klager heeft daarvan gebruik gemaakt onder andere in zijn verweer van 14 november 2024 en ook in latere correspondentie. De (medewerker van) gerechtsdeurwaarder heeft dat verweer teruggekoppeld aan de opdrachtgever. Dat de opdrachtgever daarin niet is meegegaan valt de gerechtsdeurwaarder niet te verwijten aangezien deze niet zelfstandig oordeelt of een vordering terecht is of niet.
Klager heeft gesteld te hebben betaald uit angst voor de bevoegdheden die een gerechtsdeurwaarder heeft, zoals beslaglegging. Deze bevoegdheden komen een gerechtsdeurwaarder pas toe in de executoriale fase (dus nadat een vonnis van een rechter is verkregen). Het kan de gerechtsdeurwaarder niet worden toegerekend dat klager zich hierdoor onder druk gezet voelde.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
In verzet heeft klager samengevat het volgende aangevoerd.
6.1 De gerechtsdeurwaarder heeft klager bij e-mails van 9 en 12 december 2024 medegedeeld dat de vordering terecht is en gehandhaafd blijft. Dit is ook in de beslissing van de voorzitter van 24 juni 2025 in de feiten opgenomen. De kern van het verwijt is dat de gerechtsdeurwaarder zelfstandig (zonder oordeel van de rechter) heeft beslist dat de vordering terecht is en klager daardoor de mogelijkheid ontneemt om zich tegen de vordering te verweren. De klacht zou op basis van het gestelde in de beslissing gegrond moeten zijn.
6.2 De opdrachtgever heeft de gerechtsdeurwaarder een betwiste vordering voorgelegd en geen betalingsverzuim. Het had dan ook op de weg van de gerechtsdeurwaarder gelegen om klager te dagvaarden, zodat het geschil kon worden opgelost.
6.3 Medewerkster [ ] heeft de brief van 21 november 2024 ondertekend als zijnde deurwaarder, zonder dat zij zich bekend heeft gemaakt als handelend namens of in opdracht van gerechtsdeurwaarder [ ]. Het laten optreden van een medewerker als gerechtsdeurwaarder is in strijd met artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
6.4 De gerechtsdeurwaarder heeft niet alleen in de e-mail van 2 januari 2025 een dreiging geuit. Ook in de brief van 6 november 2024 is te lezen dat indien de gerechtsdeurwaarder niets hoort van klager, verdere maatregelen zullen worden genomen. Dat de gerechtsdeurwaarder in de incassoprocedure dreigt met deze dwangmiddelen dreigt is in strijd met artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
6.5 Klager heeft de vordering onder protest betaald. De voorlopige betaling mag niet gezien worden als het erkennen van de schuld. De gerechtsdeurwaarder had ook na betaling onder protest het geschil moeten voorleggen aan de rechter. Het is aan eiser om zijn vordering voor te leggen aan de rechter, niet aan klager.
6.6 Onder punt 4.3 van de beslissing van de voorzitter is opgenomen dat klager in de gelegenheid is gesteld zich te verweren tegen de vordering. Dit verweer was al
gevoerd bij de opdrachtgever, voorafgaand aan zijn opdracht aan de gerechtsdeurwaarder. Herhaling van het verweer was zinloos. Het geschil kon alleen door de
rechter worden beslecht.
6.7 Verder staat onder punt 4.3 van de beslissing van de voorzitter ten onrechte dat het de gerechtsdeurwaarder niet kan worden toegerekend dat klager zich onder druk gezet voelde, nu de gerechtsdeurwaarder in de incassoprocedure niet met “verdere maatregelen” had mogen dreigen.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 Voor zover klager nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kan hij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klager kan daarom niet worden ontvangen in zijn klacht als vermeld onder 6.3.
7.2 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter en het ter zitting aangevoerde leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Als klager een vordering betwist, is de keuze aan klager om niettemin te betalen. Anders dan klager lijkt te veronderstellen, is het niet zo dat de gerechtsdeurwaarder de zaak aan de rechter moet voorleggen als de vordering (gemotiveerd) wordt betwist. Dit is ook niet het geval als er onder protest wordt betaald.
7.3 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
7.4 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. A.E. de Vos en M.F.J. Pijnenburg, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 januari 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.