ECLI:NL:TGDKG:2026:1 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/771771 / DW RK 25/227 EdV/WdJ
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:1 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-01-2026 |
| Datum publicatie: | 12-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/771771 / DW RK 25/227 EdV/WdJ |
| Onderwerp: | Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 12 januari 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 24 juni 2025 met zaaknummer C/13/765843 DW RK 25/71 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/771771 / DW RK 25/227 EdV/WdJ ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klager,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
gemachtigde: [ ].
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij e-mails met bijlagen, ingekomen op 6 en 7 maart 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 16 mei 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 24 juni 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van 25 juni 2025 aan klager toegezonden. Bij e-mails met bijlagen, ingekomen op 2 juli 2025, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Klager heeft zijn verzet aangevuld bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 3 oktober 2025. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 3 november 2025 alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 12 januari 2026.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- De gerechtsdeurwaarder is sinds januari 2024 belast met een vordering op klager uit 2020.
- Bij e-mails van 8 januari 2024, 22 januari 2024 en 8 februari 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klager verzocht tot betaling van de openstaande vordering over te gaan.
- Bij e-mail van 20 februari 2024 heeft de advocaat van klager verzocht te bezien of een schikking tot de mogelijkheden behoort.
- De gerechtsdeurwaarder heeft de advocaat van klager bij e-mail van
21 februari 2024 geïnformeerd dat de opdrachtgever bereid is een schikking in overweging te nemen, mits deze goed onderbouwd is.
- Bij e-mail van 25 maart 2024 heeft de advocaat van klager de gerechtsdeurwaarder medegedeeld dat zij zo spoedig mogelijk terug komt op de kwestie.
- Bij e-mail van 7 mei 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder bij de advocaat van klager geïnformeerd naar de stand van zaken. Hierop is niet gereageerd.
- Bij brief van 28 februari 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder klager gesommeerd tot betaling van het verschuldigde bedrag over te gaan.
4. De oorspronkelijke klacht
Klager beklaagt zich samengevat over het volgende.
a. De gerechtsdeurwaarder heeft onterecht en intimiderend contact met klager onderhouden. Hij weigert te communiceren met klagers advocaat en valt klager lastig door e-mails te sturen in de vroege ochtend of late avond.
b. Klager werd verplicht een bedrag te betalen waar hij het niet mee eens was. De oorspronkelijke factuur voldeed niet aan vereisten van de belastingdienst. [ ] heeft te laat een naheffing gestuurd waardoor de vordering was verjaard. De rente van de factuur is binnen vijf jaar verhoogd naar € 133,50, hetgeen in strijd is met
artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Klager eist de volledige teruggave van het door hem betaalde bedrag.
c. De handelwijze van de gerechtsdeurwaarder veroorzaakt bij klager grote stress en dat heeft invloed op klagers verantwoordelijke werk op Schiphol.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a wordt het volgende overwogen. Uit de door klager overgelegde communicatie van de zijde van de gerechtsdeurwaarder blijkt geen intimiderend gedrag van de (medewerkers van de) gerechtsdeurwaarder. Er is wel degelijk gecommuniceerd met de advocaat van klager, uit de stukken blijkt echter dat zij niet meer heeft gereageerd op de e-mail van 7 mei 2024 waarin werd gevraagd naar de stand van zaken ten aanzien van het treffen van een schikking. Daarna heeft de gerechtsdeurwaarder klager rechtstreeks benaderd op 28 februari 2025. Dit is niet onredelijk of in strijd met tuchtrechtelijke normen.
Klager heeft gesteld dat hij de e-mail van 8 januari 2024 om 6:10 uur ’s ochtends heeft ontvangen. De gerechtsdeurwaarder heeft een screenshot overgelegd waaruit blijkt dat deze e-mail door een robot is aangemaakt op 5 januari 2024 12:15 uur. Niet duidelijk is waarom klager die e-mail pas op 8 januari om 6:10 uur heeft ontvangen. Met de gerechtsdeurwaarder moet worden geoordeeld dat dit als storend kan worden ervaren. Niet gesteld of gebleken is dat klager ook andere e-mails van de gerechtsdeurwaarder buiten kantooruren heeft ontvangen.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b wordt overwogen dat het niet aan de tuchtrechter is een vordering te beoordelen op zijn juistheid. Klager dient zich daartoe te wenden tot een civiele rechter. Er kan daarom ook niet worden voldaan aan klagers verzoek om te bepalen dat het bedrag moet worden terugbetaald.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c wordt het volgende overwogen. Gelet op het hiervoor overwogene kan het feit dat klager stress heeft ervaren, hoe vervelend ook, niet worden toegeschreven aan het gedrag van de gerechtsdeurwaarder. Het is immers de taak van een gerechtsdeurwaarder een vordering te innen. Niet gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder dit heeft gedaan op een wijze die als tuchtrechtelijk laakbaar moet worden gekenschetst.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
In verzet heeft klager het volgende aangevoerd.
6.1 De voorzitter heeft in de beslissing van 24 juni 2025 gesteld dat de door klager ervaren stress niet aan het handelen van de gerechtsdeurwaarder te wijten is. De voorzitter heeft hierbij echter de inhoud en timing van de communicatie van de gerechtsdeurwaarder miskend.
6.2 De stelling van de gerechtsdeurwaarder in het verweerschrift dat de advocaat van klager niet meer van zich liet horen, is onjuist. Klager verwijst hiervoor naar een
e-mail van 20 februari 2024 die zijn advocaat aan de gerechtsdeurwaarder heeft gestuurd.
6.3 Klager heeft op 6 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen de vordering en kritische vragen over de factuur gesteld. Ook heeft klager een schikkingsvoorstel onder verwijzing naar verjaring gedaan. Dit is volledig door de gerechtsdeurwaarder genegeerd.
6.4 De gerechtsdeurwaarder heeft betaling gevorderd op basis van een ondeugdelijke factuur van [ ], zonder de factuur te controleren of nader toe te lichten.
6.5 Klager heeft geen enkele inhoudelijke reactie van de gerechtsdeurwaarder ontvangen op het rectificatieverzoek van klager van 16 juni 2025.
6.6 Klager verzoekt om terugbetaling van het door hem betaalde bedrag en doet daarbij een beroep op artikel 6:203 BW.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 Voor zover klager nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kan hij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klager kan niet worden ontvangen in zijn klachten als vermeld onder 6.3, 6.5 en 6.6.
7.2 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door klager ter zitting aangevoerde maken dit niet anders.
7.3 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
7.4 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet niet-ontvankelijk ten aanzien van verzetsgronden 6.3, 6.5 en 6.6;
- verklaart het verzet voor het overige ongegrond.
Aldus gegeven door mr. A.E. de Vos, plaatsvervangend-voorzitter, mr. B. Brokkaar en M.F.J. Pijnenburg, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 januari 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.