ECLI:NL:TDIVBC:2026:4 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VBC 2025/08

ECLI: ECLI:NL:TDIVBC:2026:4
Datum uitspraak: 24-04-2026
Datum publicatie: 24-04-2026
Zaaknummer(s): VBC 2025/08
Onderwerp: Klachtambtenaarzaken
Beslissingen: Verwerpt het beroep
Inhoudsindicatie: Klacht van de klachtambtenaar tegen een dierenarts over het afleveren van antibiotica in de vorm van 'droogzetters’ aan een rundveehouder, ondanks dat hij volgens de klachtambtenaar had moeten en kunnen weten dat de rundveehouder zijn dieren niet alleen curatief maar ook preventief daarmee droogzette, zodat niet aan de voorwaarden voor het afleveren en inzetten van antibiotica was voldaan. De klacht is in eerste aanleg ongegrond verklaard. De klachtambtenaar heeft beroep ingesteld. Het Veterinair Beroepscollege verwerpt het beroep.

Zaaknummer:                                                                                       Datum uitspraak:

VBC 2025/08                                                                                        24 april 2026

Uitspraak op het beroep van:

de klachtambtenaar, bedoeld in artikel 8.15, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet dieren,

hierna: de klachtambtenaar,

gemachtigde: mr. L. Schleeper

tegen de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege van 4 juni 2025 in zaaknr. 2024/15 in het geding tussen:

de klachtambtenaar

(klager in eerste aanleg)

en

[verweerder], dierenarts te [plaats] (hierna: de dierenarts)

1. Verloop van de procedure

Bij uitspraak van 4 juni 2025 (ECLI:NL:TDIVTC:2025:25) heeft het Veterinair Tuchtcollege de klacht van de klachtambtenaar tegen de dierenarts ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de klachtambtenaar beroep ingesteld.

                                                              
De dierenarts heeft een verweerschrift ingediend.

Het Veterinair Beroepscollege heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2026. De klachtambtenaar, in de persoon van [naam], is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De dierenarts is eveneens verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. I.E. Boissevain.

2. Voorgeschiedenis


2.1       Net als het Veterinair Tuchtcollege gaat het Veterinair Beroepscollege bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2      Het gaat in deze zaak om de levering van de diergeneesmiddelen (droogzetters) Orbenin Dry Cow (REG NL 1381) en Orbenin Extra Dry Cow (REG NL 6901). Dit zijn antibiotica die worden gebruikt tijdens het droogzetten van een koe met het oog op behandeling van een op dat moment aanwezige chronische mastitis.

2.3       Tijdens een controle door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) op 12 juli 2023 op het melkveebedrijf van [naam], gevestigd te [plaatsnaam] (hierna: de rundveehouder) is vastgesteld dat de dierenarts in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 in totaal 216 injectoren Orbenin (Extra) Dry Cow aan de rundveehouder heeft afgeleverd bij een aantal van gemiddeld ongeveer 75 melkkoeien. Tijdens de controle hebben de NVWA-inspecteurs inzage gehad in de administratie van de rundveehouder met betrekking tot de toegepaste diergeneesmiddelen (hierna: de logboeken). Later hebben zij per e-mail aanvullende gegevens ontvangen van de rundveehouder, te weten de Melkproduktieregistratie (MPR)-gegevens van veertien data in 2022 en 2023, het bedrijfsgezondheidsplan/KoeKompas van 28 oktober 2022 (hierna: bedrijfsgezondheidsplan 2022) en het bedrijfsbehandelplan van 2 november 2022 (hierna: het bedrijfsbehandelplan 2022). Hieruit is gebleken dat er bij 21 runderen niet curatief, maar preventief gebruik is gemaakt van antibiotica bij het droogzetten in het jaar 2022.

2.4       Tussen de rundveehouder en de dierenarts geldt al geruime tijd — volgens de dierenarts ruim negen jaren — en in ieder geval gedurende het jaar 2022 een zogenoemde '1-op-1- overeenkomst'. De 1-op-1 overeenkomst omvat alle veterinaire diensten geleverd op het melk-/rundveebedrijf. De 1-op-1 dierenarts is eindverantwoordelijk voor de voorgeschreven diergeneesmiddelen op een bedrijf waarmee een dergelijke overeenkomst bestaat.

2.5       Volgens de klachtambtenaar had de dierenarts moeten en kunnen weten dat de veehouder in 2022 zijn dieren niet alleen curatief maar ook preventief droogzette. Er is volgens de klachtambtenaar onvoldoende aandacht besteed door de dierenarts aan de evaluatie van het gebruik van deze droogzetters in het jaar 2022.

2.6       Op basis van het onderzoek heeft de NVWA een voor de klachtambtenaar bestemd berechtingsrapport opgemaakt. De klachtambtenaar heeft vervolgens de tuchtklacht ingediend die aan deze procedure ten grondslag ligt. 

3. Procedure in eerste aanleg

De klacht
3.1       De klachtambtenaar verwijt de dierenarts dat hij is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van dieren en in hetgeen van hem als dierenarts mocht worden verwacht ter voorkoming van ernstige schade voor de dier- en volksgezondheid, door UDD gekanaliseerde diergeneesmiddelen, te weten Orbenin Extra Dry Cow en Orbenin Dry Cow, af te leveren aan een houder terwijl niet werd voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden.

De beslissing van het Veterinair Tuchtcollege
3.2       Het Veterinair Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Veterinair Tuchtcollege – samengevat – ten grondslag gelegd dat voor het college onvoldoende gedocumenteerd is gebleken en daardoor niet behoorlijk vast te stellen of de dierenarts kan worden verweten dat hij in 2022 is tekortgeschoten in de op hem rustende plicht om het gebruik van droogzet-injectoren door de rundveehouder te evalueren, zodanig dat dit tot tuchtrechtelijke consequenties zou moeten leiden met betrekking tot de aantallen Orbenin (Extra) Dry Cow die er gedurende het jaar 2022 aan de veehouder zijn afgeleverd.
 

4. Gronden van beroep en verweer

Beroepsgronden
4.1       De klachtambtenaar kan zich niet verenigen met de beslissing van het Veterinair Tuchtcollege. Daartoe heeft de klachtambtenaar de volgende twee beroepsgronden aangevoerd:

1. Evidente onjuistheid.

In dit verband heeft de klachtambtenaar gewezen op overweging 5.20 van de beslissing van het Veterinair Tuchtcollege, betreffende een ontbrekende bladzijde uit het overgelegde Bedrijfsgezondheidsplan die ziet op dierziekte-incidentie en de overweging dat de klachtambtenaar het niet nodig zou hebben geacht om deze bladzijde ter toelichting op de klacht in het geding te brengen. Volgens de klachtambtenaar is deze stelling onjuist, aangezien de desbetreffende pagina niet bestaat.   

2. Onjuiste conclusies.

Anders dan het Veterinair Tuchtcollege, is de klachtambtenaar van oordeel dat op basis van de feiten wel degelijk kan worden vastgesteld dat de dierenarts is tekortgeschoten in zijn zorgplicht met betrekking tot de afgeleverde antibiotica.

Verweer

4.2       De dierenarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd.   

5. Beoordeling van het beroep

5.1       Beoordeeld dient te worden of het Veterinair Tuchtcollege de klacht van de klachtambtenaar terecht ongegrond heeft verklaard. In dat kader wordt het volgende overwogen.

5.2       Voor het toetsingskader verwijst het Veterinair Beroepscollege naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.6 van de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege, waarin de toepasselijke regelgeving uiteen is gezet. Kort gezegd komt het erop neer dat op de dierenarts, als 1-op-1 dierenarts van het betreffende rundveebedrijf, de verplichting rust om het gebruik van antibiotica jaarlijks te evalueren. Daarbij geldt dat het een veehouder slechts bij wijze van hoge uitzondering is toegestaan om antibiotica zelf toe te dienen en dat dit dient te gebeuren onder verantwoordelijkheid van de dierenarts; de 1-op-1 dierenarts is immers eindverantwoordelijk voor het gebruik van antibiotica door de rundveehouder op het bedrijf en dient daarover de regie te hebben en te voeren. Bij het droogzetten van melkkoeien mogen alleen antibiotica worden voorgeschreven wanneer na diagnostisch onderzoek wordt verondersteld dat de koe een uierinfectie heeft. Hierdoor dient gebruik van antibiotica bij het droogzetten van koeien altijd curatief te zijn; het preventief inzetten van antibiotica om een dergelijke infectie te voorkomen, is niet toegestaan. De diagnostiek van uierinfecties is gebaseerd op het individuele koecelgetal. Daarbij gelden de volgende afkapwaardes voor het gebruik van antibiotica bij het droogzetten:

  • Bij vaarzen: koecelgetal >150.000 cellen/ml
  • Bij oudere kalfskoeien: koecelgetal >50.000 cellen/ml.

5.3       Het Veterinair Beroepscollege stelt vast dat in de opvolgende jaren de volgende aantallen injectoren Orbin (Extra) Dry Cow zijn afgeleverd:

  • 2017                120                 
  • 2018                204
  • 2019                204
  • 2020                204
  • 2021                252
  • 2022                216

Vast staat dat de veehouder in 2019 vrij veel van zijn melkkoeien (deels preventief) droogzette.

5.4       Verder geldt het volgende overzicht van dierdagdoseringen (zijnde het aantal dagen per jaar waarop een dier gemiddeld met antibiotica wordt behandeld op een bedrijf):

Controle-

Moment

Antibioticumgebruik in DDD per dier per jaar

aantal DDD per dier per jaar voor droogzetten

2017

3,93

1,97

2018

4,04

2,06

2019

4,10

2,21

2020

4,69

1,91

2021

4,33

2,58

2022

4,21

2,09

5.5       Volgens de klachtambtenaar had de dierenarts gealarmeerd moeten zijn door het preventief droogzetten in 2019 en had hij bij de evaluatie in 2022 niet alleen acht moeten slaan op de dierdagdosering, maar ook op de medicijnleveranties. Het feit dat het aantal leveranties niet daalde ten opzichte van 2019 had volgens de klachtambtenaar voor de dierenarts aanleiding moeten zijn voor verder onderzoek/een tussenevaluatie met betrekking tot het antibioticumgebruik bij droogzetten. Daarbij weegt voor de klachtambtenaar mee dat met betrekking tot het antibioticagebruik in het Koekompas 2022 is afgesproken het antibioticagebruik op het bedrijf te verlagen.

5.6       Het Veterinair Beroepscollege stelt vast dat de jaarlijkse evaluatie op 28 oktober 2022 heeft plaatsgevonden door een collega-dierenarts. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het Koekompas/bedrijfsgezondheidsplan 2022 en voor akkoord getekend door de dierenarts. Geconstateerd moet worden dat de inhoud van de bladzijde van het Koekompas die gaat over ‘dierziekte-incidentie’ ontbreekt.

5.7       Door het Veterinair Tuchtcollege is hierover overwogen dat de klachtambtenaar zou hebben verklaard het niet nodig te vinden deze ontbrekende inhoud ter toelichting op de klacht alsnog in het geding te brengen en dat dit voor het Veterinair Tuchtcollege niet goed te begrijpen valt. Het feit dat deze overweging volgens de klachtambtenaar evident onjuist is, is een van de beroepsgronden van de klachtambtenaar.

5.8       Wat er ook zij van de exacte bewoordingen van de klachtambtenaar in eerste aanleg (volgens het proces-verbaal van de zitting zou de klachtambtenaar hebben gezegd de bladzijde niet per se noodzakelijk te achten voor de onderbouwing) en of dit door het Veterinair Tuchtcollege juist is verwoord, voor het Veterinair Beroepscollege staat in elk geval vast dat de desbetreffende (genummerde) pagina in het overgelegde exemplaar van het Koekompas/bedrijfsgezondheidsplan geen inhoud heeft en dat zowel de klachtambtenaar als de dierenarts verklaart vergeefse pogingen te hebben gedaan om de inhoud boven water te krijgen. Voor het Veterinair Beroepscollege is daarmee gegeven dat de klacht en het beroep beoordeeld dienen te worden zonder dat met de inhoud van deze pagina rekening kan worden gehouden. Daardoor kan niet worden vastgesteld wat door de veehouder en de collega-dierenarts is besproken over het antibioticumgebruik bij droogzetten over 2022 tot dan toe, anders dan dat werd gestreefd naar verlaging van het gebruik van antibiotica.

5.9       Anders dan de klachtambtenaar ziet het Veterinair Beroepscollege geen aanleiding om het ontbreken van de inhoud van de pagina in het nadeel van de dierenarts uit te leggen. Niet kan worden vastgesteld dat de pagina in het geheel niet zou bestaan, dat de dierenarts iets met het ontbreken van deze pagina van doen heeft dan wel dat de inhoud van de pagina voor hem nadelig zou zijn. Daarmee komt het Veterinair Beroepscollege toe aan de beoordeling van de tweede beroepsgrond.

5.10     Volgens de klachtambtenaar heeft het Veterinair Tuchtcollege in de uitspraak een onjuiste afweging gemaakt ten aanzien van de dierdagdoseringen. Het Veterinair Tuchtcollege heeft ten aanzien hiervan overwogen dat het de dierenarts kan volgen in zijn redenering dat de kengetallen een gebruik van antibiotica/droogzetters laten zien dat weliswaar meermaals aan de hoge kant is, maar op zichzelf niet een beeld oproepen van een gebruik dat zodanig hoog is of zodanige structurele stijgingen vertoont, dat hij op grond daarvan had moeten bevroeden dat de rundveehouder een droogzetbeleid voerde dat in strijd was met geldende regels en gegeven instructies. Het controlemoment van 2022 laat volgens het Veterinair Tuchtcollege zelfs een (lichte) daling van de dierdagdoseringen zien.

5.11     De klachtambtenaar stelt zich op het standpunt dat de dierdagdosering niets zegt over de verantwoorde inzet van antibiotica. Naast de dierdagdosering heeft een dierenarts meer gegevens tot zijn beschikking, zoals de administratie met betrekking tot de geleverde diergeneesmiddelen. Op basis hiervan is het volgens de klachtambtenaar niet moeilijk om tussentijds en bij de evaluatie een rekensom te maken met betrekking tot het aantal geleverde droogzetters en de aanwezige koeien. De cijfers met betrekking tot de geleverde droogzetters in combinatie met de dierdagdoseringen en het verleden van de veehouder waren volgens de klachtambtenaar voldoende aanleiding voor nader/aanvullend onderzoek. Daarbij acht de klachtambtenaar het opmerkelijk dat de dierdagdoseringen en het aantal geleverde droogzetinjectoren gedurende de jaren nagenoeg gelijk is gebleven, terwijl men zou verwachten dat deze zouden dalen op het moment dat een veehouder de instructies van de dierenarts om te stoppen met preventief droogzetten in 2019 zou opvolgen. De hoeveelheden injectoren hadden de dierenarts volgens de klachtambtenaar ten minste een vermoeden moeten opleveren dat mogelijk sprake was van preventief gebruik, zeker gelet op het feit dat het verlagen van antibioticagebruik ten aanzien van uiergezondheid een van de conclusies en aanbevelingen in 2022 was. De klachtambtenaar concludeert dat de dierenarts zijn poortwachtersfunctie niet juist heeft ingevuld en dat hij niet door had mogen gaan met het leveren van antibiotica.

5.12     Het Veterinair Beroepscollege onderkent zonder meer het belang van de poortwachtersfunctie die dierenartsen vervullen in het toezicht op het selectief gebruik van antibiotica bij het droogzetten van koeien door veehouders. Anders dan de klachtambtenaar ziet het Veterinair Beroepscollege in dit geval echter onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de dierenarts zijn poortwachtersfunctie niet juist heeft ingevuld. Daarbij acht het Veterinair Beroepscollege allereerst van belang dat de evaluatie in oktober 2022 betrekking heeft op de cijfers van het tweede kwartaal van 2022. De gegevens van het derde kwartaal van 2022 waren hierin nog niet verwerkt. Tot juli 2022 waren op het bedrijf 108 droogzetinjectoren afgeleverd. Deze injectoren werden geleverd in drie leveringen van respectievelijk 24, 60 en 24 stuks. Naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege was dit niet een dusdanig grote hoeveelheid (ook niet afgezet tegen het aantal aanwezige koeien) dat daarin voor de dierenarts concrete aanleiding bestond om nader onderzoek te doen. Daarbij is van belang dat het moment van aflevering een vertekend beeld kan geven van het daaropvolgende gebruik van de injectoren. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet welke van de geleverde injectoren daadwerkelijk gebruikt waren en hoeveel er nog op voorraad lagen.

5.13     Overigens gaat vergelijking met de door de klachtambtenaar ter zitting genoemde uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege van 11 december 2024 (ECLI:NL:TDIVTC:2024:43) niet op. Onder meer volgt uit die uitspraak dat in dat geval de veehouder niet steeds een koecelgetalcontrole deed en om die reden niet voldeed aan de voorwaarden voor droogzetten. Daar komt bij dat de desbetreffende dierenarts ervan op de hoogte was dat de veehouder in het verleden alle koeien droogzette met antibiotica. Die situatie doet zich hier niet voor.

5.14     Ook de dierdagdosering gaf naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege geen aanleiding voor nader onderzoek. Het feit dat zowel het aantal injectoren als de dierdagdosering ten opzichte van de voorgaande jaren niet noemenswaardig was gedaald, acht het Veterinair Beroepscollege op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat de dierenarts is tekortgeschoten in zijn zorgplicht. Vast staat dat de cijfers in elk geval niet waren gestegen en vergelijkbaar waren met de jaren 2020 en 2021 (en zelfs iets lager dan in 2021), waarvan niet gebleken is dat toen preventief werd drooggezet. De dierdagdosering voor droogzetters van 2,09 (ten opzichte van 2,58 in 2021) leverde in dat opzicht geen afwijkend beeld op. Weliswaar is bij de evaluatie in oktober 2022 als doel gesteld om het antibioticagebruik te verlagen, maar het feit dat het gebruik op dat moment nog niet wezenlijk was gedaald, hoefde voor de dierenarts geen reden te zijn om gealarmeerd te raken. Daarbij neemt het Veterinair Beroepscollege in aanmerking dat verlaging van het antibioticagebruik in principe altijd het doel is, maar dat dit na bereiken van een bepaald niveau nog lastig verder naar beneden te brengen is.

Slotsom

5.15     Al met al komt het Veterinair Beroepscollege tot de slotsom dat niet kan worden vastgesteld dat de dierenarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het Veterinair Tuchtcollege heeft de klacht terecht ongegrond verklaard en het beroep zal worden verworpen.  

6.  Beslissing

Het Veterinair Beroepscollege verwerpt het beroep.

Aldus gewezen op 24 april 2026 door mr. E.A. Minderhoud (voorzitter), mr. J.C.W. Rang en mr. G. Tangenberg (jurist-leden), drs. E.C. de Ruijter en drs. W.A. Breukers (dierenarts-leden), in tegenwoordigheid van mr. M.D. Moeke als secretaris.